Het wereldkampioenschap wegrace seizoen 1976 was het 28e in de geschiedenis van het door de FIM georganiseerde wereldkampioenschap wegrace.

Algemeen FIM Al in de voorjaarsvergadering van 1975 had de FIM de maximale tankinhoud voor 1976 vastgesteld: voor 50cc-machines 10 liter, voor 125cc-machines 14 liter, voor 250cc-machines 18 liter en voor grotere motoren inclusief de zijspanklasse 24 liter. Bij gebruik van mengsmering mocht daar 1 liter aan worden toegevoegd voor de olie. Hoewel de organisatoren intussen verplicht waren de beste 15 best geklasseerde rijders van het afgelopen jaar en de eerste 5 van het lopende jaar een start te geven, bleven coureurs klagen over de willekeur waarmee starts werden "geschonken" aan lokale rijders. Vooral in Zweden reden veel onbekende Scandinaviërs mee, terwijl toprijders als Patrick Fernandez, Christian Estrosi en Philippe Coulon geen start kregen. Estrosi en Coulon konden alsnog starten omdat hun sponsoren Esso en ELF andere rijders dwongen hun startrecht af te staan. Merken/Teams Toen vrijwel alle fabrieken zich teruggetrokken hadden, bleven er alleen importeurs- en sponsorteams over. Zo ontstonden "Team ELF" (Bruno Kneubühler, Michel Rougerie en Philippe Coulon), het "Marlboro-Api Racing Team" (Giacomo en Felice Agostini), het "Life Racing Team" (Phil Read), "Heron Suzuki GB" (Barry Sheene en John Williams) en "Team Castrol" (Johnny Cecotto, Wil Hartog, Boet van Dulmen en Alex George). MV Agusta contracteerde Giacomo Agostini weer, die vrij kwam omdat Yamaha in 1976 geen fabrieksteam meer had. Dat was vervelend voor Phil Read, die op straat kwam te staan en zelfs als privérijder niet op MV Agusta's mocht rijden. MV Agusta moest Agostini wel toestaan om in de 750 cc klasse met andere machines te rijden, want dat was juist de reden dat hij ooit vertrokken was. Agostini adviseerde het team contact te zoeken met de framebouwers van Bimota en ondersteunde dat toen hij in Australië verslagen werd door Ken Blake, die met zijn Suzuki RG 500 bijna 5 seconden sneller was. Een officieel fabriekscontract was er overigens niet: Agostini leende de motorfietsen van de fabriek en was zelf verantwoordelijk voor het onderhoud. Daarvoor had hij steun van sigarettenfabrikant Marlboro en oliemaatschappij Api en kon hij 9 monteurs in dienst nemen. Een succes werd het niet: Agostini zette de 500cc-racer al na enkele wedstrijden aan de kant en de 350cc-versie haalde slechts 1 keer de finish: Ago won de TT van Assen. MV Agusta moest in december 1976 bekendmaken dat de race-activiteiten werden beëindigd. De Italiaanse regering had besloten dat de (verliesgevende) productie van wegmotoren naar Ducati in Bologna moest verhuizen en de nieuwe 500cc-boxermotor bleek niet sterk genoeg om kans te maken in de 500cc-klasse. Bultaco trok de topconstructeurs Jan Thiel en Martin Mijwaart aan. Zij werkten verder aan de Piovaticci racers die voor veel geld (2 miljoen gulden) van een ander logo werden voorzien. Door stakingen getroffen konden Thiel en Mijwaart voor aanvang van het seizoen geen nieuwe machines ontwikkelen. Ángel Nieto werd de enige coureur voor de fabriek, hoewel er plannen waren om ook Ricardo Tormo in het team op te nemen. In Finland werd steeds duidelijker dat het niet boterde tussen Pier Paolo Bianchi en Jörg Möller, hoofdconstructeur van Morbidelli enerzijds, en Paolo Pileri anderzijds. Tijdens het Italiaans kampioenschap in Misano kwam het tot een uitbarsting tussen Möller en Pileri en werd de laatste ontslagen. Zijn 250cc-Morbidelli werd aan Giacomo Agostini uitgeleend en Pileri startte op een Yamaha TZ 350. Het Marlboro Api Racing Team van Agostini was van alle markten thuis. Als de MV Agusta's werden ingezet was het complete fabrieksteam van MV Agusta erbij. De andere monteurs Iain Mackey en Nobby Clark waren aangetrokken voor de Yamaha TZ 750, maar moesten, nadat Agostini de 500cc-MV Agusta 500 4C aan de kant zetten, ook aan de Suzuki RG 500 werken. Aan het einde van het seizoen maakte Yamaha bekend weer met een officieel fabrieksteam te gaan beginnen. Giacomo Agostini en Steve Baker werden uitgenodigd als rijders, maar Ago ging als privérijder het nieuwe seizoen in en Johnny Cecotto werd in het fabrieksteam opgenomen.

Coureurs Giacomo Agostini wist bij MV Agusta af te dwingen dat hij in de 750cc-klasse met andere merken mocht rijden. Dat was zijn voorwaarde om terug te keren naar Italië. In december 1975 werd al bekend dat Yamaha vier Yamaha TZ 750's klaar had staan: drie voor Agostini en een voor de Nederlander Wil Hartog. Hartog ging echter met Suzuki rijden in de 500- en de 750cc-klassen. Barry Sheene tekende een contract met de Britse Suzuki-importeur Suzuki-GB voor de 500- en de 750cc-klasse. In het team zaten ook John Williams en John Newbold. Sheene had niet veel op met Grand Prix-organisatoren. Na de TT van Assen verklaarde hij in zijn column in Moto 73: "Als ik dit kampioenschap vroeg in het seizoen kan winnen, dan vertoon ik me daarna niet meer op de Grands Prix; dan krijg ik tenminste ook geen last meer met sommige organisatoren." Toen hij in Zweden wereldkampioen werd verklaarde hij meteen dat hij niet naar Finland en Tsjecho-Slowakije zou gaan, maar wel naar Duitsland omdat het startgeld daar hoger was. Gianfranco Bonera ging van MV Agusta naar Aermacchi-Harley-Davidson, waar werd gecontracteerd voor de 350- en de 500cc-klassen. Walter Villa reed voor Harley-Davidson in de 250- en de 350cc-klassen. Nadat hij bij MV Agusta vervangen was door Giacomo Agostini, schafte Phil Read een privémotor aan: een Suzuki RG 500, maar enkele weken later werd hij opgenomen in het "Life Racing Team" (geleid door Alberto Pagani) met motoren van de Italiaanse Suzuki-importeur SAIAD. Boet van Dulmen beklaagde zich na de Grand Prix van België dat hij zich in de 500cc-klasse moest behelpen met een opgeboorde Yamaha TZ 350. Een week later beschikte hij dankzij Theo Meurs, zijn fanclub en sponsor Laponder over een Suzuki RG 500. Een week later leverde Suzuki-importeur Louwman er zelfs nóg een, maar Boet verkocht die machine door aan Alex George.

Races In Oostenrijk was er nogal wat verwarring vóór de races. Om te beginnen waren er een aantal coureurs naar het circuit afgereisd die daar te horen kregen dat ze (sommigen ondanks een contract) geen startgeld kregen omdat de organisatie "zich bedacht had". Daar was zelfs Jon Ekerold bij, die in 1975 nog tweede in de 350cc-klasse was geworden op de Salzburgring. De reden was niet moeilijk te raden: de organisatie ging ervan uit dat de coureurs na de lange reis ook zonder startgeld wel zouden starten. Verder was er verwarring over het al dan niet gebruiken van geluidsdempers op de uitlaten. Die verwarring was al in Frankrijk begonnen, maar toen had de wegracecommissie van de FIM verklaard dat de verplichting werd uitgesteld omdat ze te laat bekend was gemaakt. Pas op de vrijdag voor de trainingen besloot men te komen tot een definitieve invoering van de geluidsdempers bij de GP van België. Mugello werd door veel coureurs als een onplezierig circuit ervaren, vooral door de vele hobbels en rillen in de weg die door race-auto's waren veroorzaakt. Niet alleen vielen er twee dodelijke slachtoffers te betreuren: meer dan 50 coureurs vielen een of meer keer. Bovendien was het plaatselijke ziekenhuis verouderd en te ver van het circuit verwijderd. De GP van Joegoslavië boette nogal wat aan belang in omdat de 500cc-klasse er niet reed en veel topcoureurs kozen voor de Formule 750 race op het circuit van Nijvel en een lucratieve internationale race in Oostenrijk. De TT van Assen werd geteisterd door temperaturen van meer dan 30 °C. Dat was zwaar voor het publiek, voor de coureurs en ook voor de motoren, die vaak veel te warm werden. Ook de races werden er niet spannender van, want toen de rijders de uitputting nabij waren zakten de rondetijden in en werden de gevechten ook minder. Alex George schreef later dat hij zijn enkels verbrand had aan het frame dat door de uitlaten warm gestookt was en dat Philippe Coulon een black-out gehad had, waardoor hij voor de S-bocht remde, de rem weer losliet en net op tijd bij kennis kwam om voor de strobalen langs te sturen. Hij werd in de pitstraat door het team van Alex George opgevangen net voordat hij weer een flauwte kreeg. Ook Christian Estrosi werd bevangen door de hitte en zag tijdens de 500cc-race af en toe dubbel. Zijspancoureur Hermann Schmid won de zijspanrace maar kreeg na de finish een hartstilstand. Hij werd gered door hartmassage en naar het ziekenhuis van Assen vervoerd. Ook Karl Auer moest zijn race door de hitte bevangen afbreken. In België trok men lering uit de gebeurtenissen in Assen. Ook daar was het erg warm en de races werden ingekort. Een aantal Suzuki-coureurs kregen last van verbrande benen. Zij hadden grotere tanks gemonteerd waardoor ze bijpassende zitjes van de 750cc-machines moesten gebruiken. Daardoor kwamen hun benen nu tegen de hete uitlaatbochten. De Grand Prix van Zweden begon met een rijdersstaking van de 250cc-klasse. De coureurs wilden slicks gebruiken, maar de organisatie verbood dat. Volgens de FIM-reglementen waren slicks vanaf 350 cc toegestaan, maar de andere organisatoren deden er niet moeilijk over. De Zweden volgden het reglement en de coureurs werden dan ook in ongelijk gesteld. Een aantal topcoureurs kwam niet eens naar Zweden: Agostini vond het startgeld te laag, Cecotto concentreerde zich op de 350cc-klasse (die niet op het programma stond) en Michel Rougerie had een ernstig auto-ongeluk gehad. In Finland besloot de organisatie vanwege dreigend slecht weer slicks voor alle klassen te verbieden, zowel in de trainingen als in de races. Johnny Cecotto gebruikte ze desondanks tijdens de kwalificatie voor de 350cc-klasse, maar kreeg daarvoor drie strafseconden waardoor hij op de 10e startplaats werd gezet. In Duitsland werden de twee laatste wereldtitels bekend: Ángel Nieto werd wereldkampioen 50 cc en Walter Villa haalde zelfs zijn tweede wereldtitel in dit jaar binnen. Na de 250cc-titel werd hij ook wereldkampioen 350 cc.

Overleden Op 11 april verongelukte Gerhard Thurow tijdens de 50cc-wedstrijd van de Olof Races in Hilvarenbeek. Op 16 mei verongelukten de Italiaanse coureurs Paolo Tordi en Otello Buscherini tijdens de GP des Nations in Mugello. Tordi had de vijfde startplaats in de 350cc-klasse veroverd maar in de race viel hij waarbij hij door zijn eigen machine geraakt werd. Hij was vrijwel op slag dood als gevolg van letsels aan zijn borstkas. Buscherini had die dag zijn tweede plaats in de 125cc-klasse verloren zien gaan toen zijn Malanca stuk ging. Hij viel in de 250cc-race en overleed in het ziekenhuis aan een maagverwonding. Tijdens de Sidecar TT verongelukte Walter Wörner, de bakkenist van Siegfried Maier bij Greeba Castle op 6 juli. Les Kenny verongelukte op 12 juni tijdens de Lightweight TT door een vastloper bij Union Mills.

Gestopt Toen de eerste GP's gereden werden wist eigenlijk niemand waar Kent Andersson gebleven was. Hij had kennelijk in België gewerkt en er gingen geruchten dat hij zijn "oude" 125cc-Yamaha verbeterd had. Hij verscheen echter pas in Assen weer aan de start met zijn zelfbouw Yamaha. Na de Grand Prix van België maakte hij bekend te zullen stoppen met racen. In die race stond hij zijn machine al af aan Leif Gustafsson. Hij ging voor Yamaha Motor NV in Amsterdam werken.