Het wereldkampioenschap wegrace seizoen 1977 was het 29e in de geschiedenis van het door de FIM georganiseerde wereldkampioenschap wegrace.

Algemeen FIM Al in augustus 1976 maakte de FIM nieuwe regels voor de puntentelling van 1977 bekend: Het seizoen zou per klasse in tweeën gedeeld worden. In elke seizoenshelft zouden dan de twee of drie beste resultaten meetellen voor het kampioenschap. Daardoor konden de wereldkampioenen niet vroegtijdig bekend worden en werden coureurs gedwongen aan de WK-wedstrijden te blijven deelnemen tot het einde van het seizoen. Toch zaten hier wel haken en ogen aan: Wie immers in de eerste seizoenshelft zijn twee of drie overwinningen binnen had gehaald, hoefde nu pas na de zomer weer in het WK in actie te komen en kon zodoende alsnog een aantal wedstrijden laten schieten. Tijdens het najaarscongres van 1976 besloot de FIM dat de puntentelling vanaf 1977 toch werd veranderd: voortaan telden alle wedstrijden. Verder mochten landen die door eigen wetgeving geen races konden organiseren (zoals Zwitserland) nu hun eigen Grand Prix in een ander land houden, terwijl andere landen twee GP's mochten organiseren als ze minstens 2500 km uit elkaar lagen (zoals in de Verenigde Staten de circuits van Daytona en Laguna Seca). De Formule 750 werd een officieel wereldkampioenschap. Ook het probleem van het al dan niet toestaan van slicks werd eenvoudig opgelost: eigen keuze en verantwoordelijkheid van de coureur. Er kwam eindelijk een soort "gradinglist", die de organisatoren per klasse 15 namen gaf van coureurs die gecontracteerd moesten worden, en de organisatie daarnaast de keuze liet 21 andere coureurs op de deelnemerslijst te zetten, mits de top vijf van de lopende competitie daar bij hoorden (het was immers mogelijk dat een opkomend talent nog niet op de lijst stond, maar wel goed presteerde). Helmenfabrikant AGV sponsorde het voertuig dat nodig was om een mobiel hospitaal te herbergen. Dit werd ingericht door dr. Claudio Costa met geld van diverse Europese leveranciers van medische hulpmiddelen. Merken/Teams Was het team van Bultaco (met de Nederlandse constructeurs Jan Thiel en Martin Mijwaart) in 1976 niet klaar voor het begin van het seizoen, de geschiedenis herhaalde zich in 1977. Ángel Nieto accepteerde een aanbod van de Venezolaanse importeur Venemotos om in de 250cc-klasse met een Yamaha te starten zodat hij niet alleen voor de 125cc-race naar Venezuela hoefde te reizen. Pas in de vijfde GP in Spanje werd er met de nieuwe 50cc-machine getraind, maar in de wedstrijd koos Nieto toch voor de 1976-versie (en won). Het 500cc-Team Roberto Gallina dreigde met gerechtelijke stappen toen Marco Lucchinelli overstapte naar het Team Life International. Het probleem werd opgelost toen Gianfranco Bonera zich aanbood als vervanger. Naast Lucchinelli trok men ook Virginio Ferrari aan. Het team gebruikte Suzuki RG 500's. Het team van Harley-Davidson raakte Gianfranco Bonera kwijt. Die ruilde eigenlijk van plaats met Franco Uncini, die van het Team Roberto Gallina kwam. De prestaties waren bijzonder slecht en werden in elk geval in de 250cc-klasse beter toen vanaf de TT van Assen de frames werden vervangen door frames van de Nederlander Nico Bakker. Hoewel de machines al enkele jaren klaar waren, kwam Kawasaki pas in 1977 aan de start met de Kawasaki KR 250, een tandemtwin met roterende inlaten. Men stuurde twee Japanse coureurs, Masahiro Wada en Akihiko Kiyohara, die werden ondersteund door de ervaren Mick Grant en Barry Ditchburn. Het Team Life International bleef Teuvo Länsivuori steunen, maar als vervanger voor de gestopte Phil Read kwam Marco Lucchinelli, die daarvoor zijn contract met het Team Roberto Gallina moest verbreken. Het team reed met Suzuki RG 500's, maar in de Formule 750 ook met Yamaha TZ 750 D's. De slechte relatie tussen Morbidelli-constructeur Jorg Möller en coureur Paolo Pileri bleek in de winter verbeterd te zijn. Pileri kreeg weer een fabrieksracer voor de 250cc-klasse. Een maand later (eind februari) brak Möller echter met teambaas Giancarlo Morbidelli, die verklaarde: "Er is niet meer met hem te werken. De man heeft ster-allures en stelt onmogelijke eisen". Möller stapte over naar het team van Minarelli. Het team van Van Veen maakte begin 1977 bekend weer terug te komen in de GP's. Jan de Vries prepareerde machines voor Eugenio Lazzarini en Herbert Rittberger. Hoewel Yamaha de tweecilinder TZ 350 D had en Giacomo Agostini en Takazumi Katayama als semi-fabrieksrijders te boek stonden, kwamen ze aan de start met een driecilinder machine. Deze motor was op verzoek van Yamaha Europa onder leiding van Kent Andersson ontwikkeld door Ferry Brouwer en Jerry van der Heiden en was gebaseerd op een Yamaha TZ 250 waar een extra cilinder aan gelast was. De machine zou ongeveer 77 pk leveren. Coureurs Steve Baker werd met een Yamaha tweede in de 500cc-klasse en was daarmee verreweg de beste Yamaha-coureur. Daar kwam nog bij dat hij met grote overmacht wereldkampioen in de Formule 750 werd. Na het seizoen hoorde hij echter niets meer van Yamaha, zelfs toen hij zelf probeerde via een telex contact op te nemen. Daarop besloot hij voor het seizoen 1978 maar een contract te tekenen met het Suzuki-team van Roberto Gallina. In januari werd Dieter Braun voor de derde keer geopereerd aan zijn linkerarm, die hij tijdens de GP van Duitsland in 1976 geblesseerd had. Van het succes van de operatie hing zijn carrière af. Het ging goed, maar na het ernstige ongeval in Oostenrijk zette Dieter alsnog een punt achter de racerij. Op het eerste gezicht kwam Johnny Cecotto er bij de valpartij in Oostenrijk vanaf met een armbreuk, maar hij zou bijna zijn hele seizoen missen. Pas drie maanden later, in Zweden, kwam hij terug en hij begon ook meteen weer wedstrijden te winnen. Zesvoudig zijspankampioen Klaus Enders probeerde in 1977 een comeback te maken met een door Mike Krauser geprepareerde BMW, overtuigd als hij was dat een viertaktmotor nog steeds kon meedraaien in de zijspanklasse. In Oostenrijk kwam hij voor het eerst aan de start, maar hij kwalificeerde zich op een kansloze 24e plaats en trok zich nu voorgoed terug. Voor Mario Lega, die als invaller voor de geblesseerde Paolo Pileri voor Morbidelli reed, was zijn zege in Joegoslavië het moment om zijn beroep als telefoonmonteur in te ruilen voor dat van beroepscoureur. Paolo Pileri werd eind 1976 na een ruzie met constructeur/manager Jorg Möller ontslagen bij Morbidelli, maar in de winter weer in genade aangekomen. Wellicht door eigenaar Giancarlo Morbidelli. Volgens Morbidelli werd Möller ontslagen, volgens Möller nam hij zelf ontslag. Walter Villa was het hele jaar erg teleurgesteld over Harley-Davidson. De prestaties waren bijzonder slecht en Villa was overtuigd dat zijn teamgenoot Franco Uncini de beste machines kreeg. Races De openingsrace in Venezuela trok maar weinig coureurs. De startgelden wogen in veel gevallen niet op tegen de reiskosten. Nadat de Formule 750 race in 1976, de generale repetitie voor de eerste Grand Prix van Venezuela, al was uitgedraaid op een fiasco, was het bij de Grand Prix van 1977 zo mogelijk nog erger. Er waren geen hotelkamers voor de internationale jury gereserveerd, motorfietsen arriveerden te laat of helemaal niet, men moest invoerrechten en een week later weer ca. 900 bolivar uitvoerrechten voor het materiaal betalen én bij vertrek op het vliegveld nog eens 80 bolivar als een soort "toeristenbelasting" omdat men "in Venezuela had mogen racen". Alan North vond zijn spullen op de gang van het hotel en het slot van zijn kamer vervangen. Iets dergelijks overkwam ook het complete team van Bultaco, inclusief rijder Ángel Nieto. Bovendien lag het circuit vol zand. Veel coureurs (en journalisten) verklaarden in 1978 niet meer naar Venezuela af te reizen, maar men had toch ook bewondering voor Yamaha-importeur Andres Ippolito en Teodardo Estrada die hemel en aarde bewogen hadden om de grootste en meest acute problemen op te lossen. Ook de GP van Oostenrijk eindigde in chaos nadat er een ernstig ongeval was gebeurd in de 350cc-race. De Zwitser Hans Stadelmann verongelukte hierbij en een groot aantal coureurs weigerde daarna nog te starten. De 125cc-race ging nog gewoon door, maar de 500cc-klasse had slechts veertien starters waarvan er zes de finish haalden. Het ongenoegen was dan ook groot: Volgens de rijders zouden de marshals gele vlaggen hebben gezwaaid, terwijl bij de volledige geblokkeerde baan rode vlaggen gezwaaid hadden moeten worden (die waren niet bij elke baanpost aanwezig, een baancommissaris mocht die beslissing zelf ook niet nemen). Bij gebrek aan draagbaar werd Stadelmann door twee man naar een verderop geparkeerde ambulance gedragen. Ambulances konden het ongeval niet bereiken omdat de race pas acht ronden later werd afgevlagd, terwijl de wrakstukken van vijf motorfietsen de baan blokkeerden. Ze waren al onderweg naar het ziekenhuis met de eerste slachtoffers (Johnny Cecotto, armbreuk, Franco Uncini (licht gewond), Dieter Braun (hersenschudding en beschadigde nekwervels) en Patrick Fernandez (ernstig gewond door open wonden aan rug en zij en veel bloed verloren)), toen Hans Stadelmann op de chaos van de geblokkeerde baan inreed en verongelukte. De coureurs werden aanvankelijk tevredengesteld door de organisatie totdat berichten uit het ziekenhuis binnenkwamen: De chirurgen in het ziekenhuis hadden hun handen al vol doordat er een groot ongeluk in de buurt van Salzburg was gebeurd. Braun zou een uur met - naar men toen nog dacht - een gebroken nek op de gang hebben gelegen en Fernandez zou minstens een half uur hebben liggen schreeuwen van pijn voordat hij geholpen kon worden. Bovendien mocht de nieuwe mobiele kliniek van dokter Costa niet gebruikt worden omdat buitenlandse artsen in Oostenrijk alleen eerste hulp mochten verlenen en werd Brian Littler, die zich met de veiligheid bezighield, door de politie uit het rennerskwartier verwijderd omdat hij protesteerde tegen de gang van zaken. De FIM nam wel maatregelen tegen de wedstrijdleider (schorsing voor de rest van het seizoen), niet tegen de stakende coureurs. Na alle ellende in Venezuela en Oostenrijk was de Grand Prix van Duitsland een verademing. Er waren wel overwaaiende buien die de races echter niet verstoorden en in de trainingen hadden de Suzuki RG 500's veel last van vastlopers door de grote verschillen in luchtdruk en luchtvochtigheid tussen het bosgedeelte en het Motodrom op Hockenheim. In Spanje was de organisatie ook niet op orde: alle trainingen moesten op één dag afgewerkt worden, de coureurs moesten uren aan de grens wachten omdat de autoriteiten niet op de hoogte waren gebracht en 's avonds na de trainingen werd plotseling de elektriciteit afgesloten. In de 250 cc-kwalificatie zetten de tijdwaarnemers de Japanner Ken Nemoto ten onrechte op poleposition. De Grand Prix van Joegoslavië kostte de levens van Giovanni Ziggiotto (gevallen tijdens de trainingen) en Ulrich Graf (gevallen in de 50cc-race). Deze wedstrijd, die van de coureurs nog vaak respijt had gekregen omdat de organisatoren veel werk maakten van de veiligheid, bleek door de hoge rotswanden en trottoirbanden toch echt te gevaarlijk en werd na 1977 verplaatst naar het Automotodrom Grobnik in Rijeka. In België nam de organisatie ook een aantal vreemde beslissingen. Zeer tegen de zin van de rijders was het rennerskwartier overvol met mensen die daar niets te zoeken hadden. Er waren de laatste jaren al veel spullen uit het rennerskwartier gestolen, van gereedschappen en onderdelen tot complete motorfietsen en de monteurs konden hun werk nauwelijks doen. De coureurs, die toch ruim 120.000 toeschouwers hadden aangetrokken, moesten betalen voor het gebruik van de toiletten.