Het wereldkampioenschap wegrace seizoen 1983 was het 35e in de geschiedenis van het door de FIM georganiseerde wereldkampioenschap wegrace. Dit was het laatste seizoen voor de 50cc-klasse.

Algemeen FIM Het wegvallen van de 350cc-klasse had een positief effect op de 250cc-klasse. 350cc-coureurs konden moeilijk opklimmen naar de 500cc-klasse omdat de fabrieksteams juist gingen inkrimpen en geen nieuwe coureurs konden gebruiken. Bovendien klommen een aantal coureurs uit de 125cc-klasse wel op en vaak beheersten een groot aantal merken in elk geval de trainingen: Yamaha, Chevallier, Pernod, Kawasaki en een aantal merken met Rotax-motoren. Merken/teams Cagiva hield vertrouwen in Jon Ekerold en huurde ook Virginio Ferrari als fabriekscoureur in, maar beiden scoorden geen punten. Tegen het einde van het seizoen hield Ekerold het voor gezien. Hij kocht een gebruikte Suzuki RG 500 van Boet van Dulmen. De bouw van de Honda-racers werd ondergebracht bij een nieuw bedrijfsonderdeel: Honda Racing Corporation (HRC). Het fabrieksteam bestond uit Freddie Spencer, Marco Lucchinelli, Takazumi Katayama en Ron Haslam. De lang verwachte 250cc-racer kwam in 1983 nog niet. De KNMV voorzag een stormloop op de beperkt leverbare Honda RS 500 R-productieracers (waarvan slechts 25 stuks gemaakt zouden worden) en stelde zich in december 1982 op verzoek van Jack Middelburg voor 170.000 gulden garant voor twee van dergelijke machines plus reserve-motorblokken, zonder vooraf te weten welke coureur(s) voldoende sponsorgeld zouden genereren om de machines af te nemen. Boet van Dulmen verwachtte al dat de machines naar Jack Middelburg zouden gaan en bood KNMV-secretaris Jos Vaessen bij de "Sportman/sportvrouw van het jaar"-verkiezing van de AVRO een envelop met 80.000 gulden aan voor één RS 500 met reserveblok, maar Vaessen kon dat niet aannemen. Uiteindelijk werden de twee Honda's extra gebouwd en geleverd aan Jack Middelburg, maar te laat om aan de eerste Grand Prix te kunnen deelnemen. MBA had al in 1982 aangekondigd niet meer als fabrieksteam deel te nemen en deed dat ook niet. De sport werd te duur en bovendien was constructeur Jörg Möller vertrokken. Ricardo Tormo kreeg voor de 125cc-klasse wel wat extra ondersteuning van de fabriek. Suzuki bracht alle fabrieksmachines onder de vlag van het sigarettenmerk HB, dat vooral de Duitse markt bediende. Voor een deel werd het Britse Heron-Suzuki verantwoordelijk en daar bleef Randy Mamola in dienst, maar dit team werd ook verantwoordelijk voor de Duitser Toni Mang. Mang kreeg van het team wel een productieracer om eerst aan het vermogensverschil met een 350cc-motor te kunnen wennen. HB sponsorde ook het Gallina-Suzuki team met Franco Uncini en Loris Reggiani. De fabriek hield wel de touwtjes strak in handen. Het ging echter niet goed met de beide fabrieksteams van Suzuki: Mang kreeg een ski-ongeval voor het seizoen en reed pas eind juli zijn eerste volledige race, Loris Reggiani raakte tijdens de Franse GP ernstig geblesseerd en Franco Uncini werd voor de rest van het seizoen uitgeschakeld bij een ongeval tijdens de TT van Assen. Als vervanger voor Uncini stelde Suzuki-GB Barry Sheene voor, maar Roberto Gallina had een voorkeur voor Sergio Pellandini. De Suzuki-fabriek hakte de knoop door en koos voor Boet van Dulmen. Tijdens de pauze tussen de Belgische- en de Britse GP testte van Dulmen een 1983-fabrieksracer, terwijl Pellandini een 1982-exemplaar kreeg. Aan het einde van het seizoen besloot Suzuki te stoppen met de inzet van een fabrieksteam. Yamaha besloot met sponsor Marlboro in zee te gaan en daardoor werd Marlboro-Yamaha-teamchef Giacomo Agostini nu ook manager van het fabrieksteam als vervanger van Kel Carruthers, die als chefmonteur bij het team bleef. De coureurs waren Kenny Roberts en Eddie Lawson. Zij kregen de verbeterde Yamaha OW 70-W-4, maar die kreeg Marc Fontan ook via de Franse importeur Sonauto. Coureurs Jacques Cornu kreeg na de GP van Duitsland te maken met een dilemma. Hij stond er goed voor in de 250cc-klasse, maar had met Kawasaki en contract voor het WK endurance, waardoor hij drie GP's zou moeten missen. Hij wilde wel proberen om daar onderuit te komen, maar had nog een tweede probleem: de enduranceraces brachten geld op, het 250cc-kampioenschap kostte geld. Nog vóór de eerste Grand Prix werden bij Paolo Ferretti twee motoren gestolen: Een Yamaha TZ 250 en een Suzuki RGB. In april werd Virginio Alberghini tweede bij een nationale race in Vallelunga met een RG 500 die herkend werd aan enkele unieke details. De machine werd in beslag genomen, zodat Ferretti hem nog niet kon gebruiken. Hij had van zijn voormalige werkgever MBA een 250cc-racer te leen gekregen en zelf al een nieuwe Suzuki gekocht. Eddie Lawson was zelf wat verrast dat hij als tweede rijder naast Kenny Roberts door Marlboro-Yamaha werd aangetrokken. Hij had in de Verenigde Staten goed gepresteerd met de Kawasaki KR 500, en hoopte op een WK-contract voor 1983, maar Kawasaki stopte met WK-races. Lawson's manager Gary Howard was ook de manager van Kenny Roberts en dat opende de deur bij Yamaha. Barry Sheene keerde in het seizoen 1983 terug naar Suzuki, maar wel met een productie-Suzuki RGB. Hij moest oppassen niet te vallen, want na zijn val in Silverstone, waarbij hij bijna beide benen verloor, zat hij nog vol bouten en platen en een nieuwe beenbreuk kon hij zich niet veroorloven. Jean-Louis Tournadre verklaarde begin 1983 dat hij in geen geval meer in de 250cc-klasse zou starten. Hij hoopte op een 500cc-productieracer van de Franse Honda-importeur, maar die leverde een Honda RS 500 R aan Raymond Roche. Uiteindelijk startte de regerende wereldkampioen toch met een 250cc-Yamaha, maar hij had een zeer teleurstellend seizoen waarin hij geen enkel punt scoorde. Overleden Half februari overleed Andrez Ippolito. Hij was de directeur van Venemotos, de Venozolaanse Yamaha-importeur, maar ook de drijvende kracht achter de Grand Prix van Venezuela en de Grand Prix van Argentinië. Tevens was hij oprichter van de Zuid-Amerikaanse motorsportbond, voorzitter van de motorsportbond van Venezuela en lid van de wegracecommissie van de FIM. Ippolito werd 59 jaar en stierf door een hartaanval. Op dinsdag 29 april verongelukte Iwao Ishikawa tijdens zijn werk als testrijder voor Suzuki. Hij werd aangereden door Loris Reggiani doordat diens remmen weigerden. Ishikawa overleed door hersenletsel. Tijdens de GP van Frankrijk op 3 april raakte Michel Frutschi zwaargewond toen hij in de vijfde ronde van de 500cc-race een paal raakte. Hij raakte buiten bewustzijn en overleed in het ziekenhuis van Le Mans. Guido Paci verongelukte op 10 april tijdens de tweede manche van de 200 Mijl van Imola. Rolf Rüttimann verongelukte op 12 juni tijdens de 125cc-race van de Grand Prix van Joegoslavië. Op 31 juli verongelukten Norman Brown en Peter Huber tijdens de 500cc-race van de Britse Grand Prix. Gestopt Kork Ballington had in 1982 nog helemaal geen plannen om te stoppen met wegracen, maar hij ging in op een aanbod van Kawasaki-Zuid-Afrika om teammanager te worden van de Kawasaki Endurance- en motorcrossteams. Graeme Crosby werd niet meer opgenomen in het team van Marlboro-Yamaha dat nu het officiële fabrieksteam werd en naast Kenny Roberts de jonge Eddie Lawson aantrok. Crosby ging zich bezighouden met toerwagenraces in Australië Toen het Marlboro-Yamaha-team van Giacomo Agostini officieel fabrieksteam werd, moest naast Graeme Crosby ook Graziano Rossi het veld ruimen. Graziano Rossi ging enige tijd verder in de rallysport. Pas eind april maakte de Fin Seppo Rossi bekend dat hij gestopt was met racen. Hij kon via de Finse Importeur een Honda RS 500 R krijgen, maar wist het geld niet bij elkaar te krijgen. Na de laatste 250cc-GP besloot Jean-Louis Tournadre zijn carrière te beëindigen. Hij had als regerend wereldkampioen het seizoen af moeten sluiten zonder een enkel punt gescoord te hebben. Ergens gedurende het seizoen bleek de Fin Pekka Nurmi gestopt te zijn en zijn motoren verkocht te hebben. Ook Jon Ekerold beëindigde zijn carrière. Aan het einde van het seizoen stopten ook Bernard Fau en Christian Estrosi. Kenny Roberts had al aan het begin van het jaar aangegeven dat dit zijn laatste seizoen zou zijn. Na de GP van San Marino besloot ook Claudio Lusuardi zijn carrière te beëindigen. Hij vond het beeïndigen van de 50cc-klasse een mooi moment, hij wilde niet meer aan de 80cc-klasse beginnen.

Races Zuid-Afrika, Kyalami In Juni 1982 besloot de FIM een Grand Prix toe te wijzen aan Zuid-Afrika, op voorwaarde dat de organisatie op een vergelijkbaar niveau zou staan als de GP van Argentinië. Dat betekende dat er naast start- en prijzengelden ook een behoorlijke reiskostenvergoeding moest zijn. Wel kreeg men ontheffing van de regel dat er ten minste vier klassen moesten rijden. Zo kwamen alleen de 250- en de 500cc-klasse aan de start. De teams hadden problemen met het vinden van de juiste carburatie-afstelling door de ijle lucht op 1700 meter hoogte, maar ook met het vinden van de juiste gearing vanwege het lange rechte stuk waar een flink dalend gedeelte in zat. Frankrijk, Le Mans Na de temperaturen van meer dan 35 °C in Zuid-Afrika was de Franse Grand Prix een koude douche. De regen kwam dicht in de buurt van natte sneeuw. De Franse GP werd gekenmerkt door een groot aantal valpartijen, waarvan twee met dodelijke afloop. Nations Grand Prix, Monza De Italiaanse Grand Prix trok slechts 20.000 toeschouwers. Dat was te wijten aan de hopeloos verouderde en vervallen tribunes die bovendien slechts weinig uitzicht op de baan boden. De Italianen kwamen dan ook liever naar de trainingen kijken om op de racedag voor de TV te gaan zitten. De warm-up in de ochtend moest op een natte baan worden gereden, maar tijdens de races was het vrijwel droog. De overmacht van de Amerikanen in de 500cc-klasse manifesteerde zich voor het eerst in deze Grand Prix met een volledig Amerikaans podium. Duitsland, Hockenheim De Duitse Grand Prix, verreden voor ongeveer 100.000 toeschouwers, werd ernstig gehinderd door het wisselvallige weer. De lichte klassen werden zonder problemen verreden, maar de 250cc-race werd onderbroken door een regenbui en de 500cc-race werd vervroegd afgebroken. De organisatie besloot meer rijders dan normaal tot de races toe te laten (in de 250cc-klasse bijvoorbeeld 50 in plaats van 40). Sommige coureurs klaagden dat er daardoor te veel inhaalacties van achterblijvers zouden zijn, maar dat was op een breed circuit van bijna 7 km lengte niet zo'n probleem. Voor sommige coureurs die volgens de gradinglist geen start kregen was het een uitkomst. Zo konden bijvoorbeeld Bernard Fau en Guy Bertin starten. Spanje, Jarama De 70.000 toeschouwers in Spanje kregen spannende races te zien. Was het normaal alleen de 250cc-klasse die spannende races te zien gaf, nu was dat ook zo in de meeste andere klassen, waarbij Kenny Roberts en Freddie Spencer voor het grootste spektakel zorgden. In de 50cc-klasse was Eugenio Lazzarini na deze race al bijna wereldkampioen, maar in de 250cc-klasse werd de lijst van titelkandidaten alleen maar langer. Oostenrijk, Salzburgring De belangrijkste verandering van de Oostenrijkse Grand Prix werd eigenlijk nauwelijks opgemerkt: men was eindelijk van de races in eind-april/begin-mei afgestapt. Daardoor waren er voor het eerst sinds jaren geen problemen met sneeuwval. Dit keer moest echter de 250cc-race in twee manches worden verreden door de regen en werd de start van de 125cc-race vertraagd door een rijdersstaking. Joegoslavië, Rijeka