thumb|De afbeelding van een demon en een nar, als de munt wordt omgekeerd veranderen de beeltenissen in de paus en een kardinaal, spotmunt voor het Concilie van Trente, ca. 1580 thumb|Demon met een kop van een ram, Egypte thumb|Een Japanse danser in een demonenkostuum en Oni-masker

Een demon of demoon is een mythisch, bovennatuurlijk wezen dat volgens diverse religies het midden houdt tussen mensen en goden. Demonen zijn veel machtiger dan mensen, maar minder sterk dan goden. Ze leven heel lang, maar zijn niet altijd onsterfelijk zoals goden dat in principe wel zijn. Vaak zijn ze onzichtbaar en merkt men hen alleen op door de effecten van hun handelen. Zo zou een bries door hen kunnen worden veroorzaakt.

In sommige religies worden demonen gezien als brengers van het kwaad. Daarmee staan ze tegenover wezens die het goede vertegenwoordigen. Dit geldt voor het christendom, het jodendom, de islam, het zoroastrisme en het hindoeïsme. In plaats van een beschermgeest zijn ze nu wezens die een mens in bezit kunnen nemen. Soms gelden ze als moreel neutraal.

De studie naar demonen heet demonologie.

Etymologie Het Nederlandse demon komt van het Latijnse daemon. Dit is een postklassiek leenwoord uit het Oudgrieks. Het Oudgriekse daímōn betekende in de 8e eeuw v.Chr. nog ‘god’ of ‘goddelijke kracht’, maar ging later verwijzen naar de ziel van een halfgoddelijk maar moreel ambigu wezen.Siam Bhayro and Catherine Rider, red., Demons and Illness from Antiquity to the Early-Modern Period, Boston/Leiden: Brill 2017 Het Oudgriekse woord gaat terug op het Indo-Europese *deh2-(i)-, ‘verdelen’.

Oorsprong Geloof in demonen is een vorm van animisme, waarbij zij de verpersoonlijking van verschijnselen in de natuur waren. Ze zijn bijvoorbeeld personificaties van de wind of adem. Vaak zijn ze verbonden met bepaalde locaties, zoals bomen, gebouwen of waterbronnen. Het geloof in onzichtbare, geestelijke wezens is oorspronkelijk dan ook van alle tijden en plaatsen. Door te veronderstellen dat in objecten zoals stenen en bomen een demon huist, kan men proberen om ermee te communiceren. Door magie, offergaven of exorcisme probeert men om bijvoorbeeld ongewenste zaken zoals angst en ziekte te verdrijven, doordat zij worden voorgesteld als demonen. Tevens kunnen ze de beschermgeest (genius) zijn van een persoon. Tot slot worden de geesten van voorouders in sommige religies ook beschouwd als demonen. Gedragingen en behoeftes van demonen zijn ondanks hun geestelijke karakter meestal menselijk. Zo kunnen ze volgens bepaalde overtuigingen seks hebben met mensen.

Klassieke oudheid Aan het Griekse concept van de daímōn lag een hardnekkig animisme ten grondslag, dat ook in geschoolde kringen werd erkend. Voor de Grieken waren demonen en goden oorspronkelijk geen verschillende klassen van wezens, maar al in de archaïsche periode ontstond het beeld van de demon als lager in macht dan een gewone god. Net als de goden waren demonen niet uitgesproken goed óf slecht. De voorstelling ervan verschilde voor de rest.

Plato's Timaeus stelt de daemonVgl. A. Timotin, La Démonologie platonicienne: Histoire de la notion de daimōn de Platon aux derniers néoplatoniciens, Leiden, Boston: Brill, 2012 voor als een verheven voogd, een beschermende geest die verbonden is met de zuivere rede. Latere auteurs die over Socrates' daemon schrijven, verwijzen gewoonlijk ook naar de rol van spirituele begeleiding en hogere rede van de demon. Socrates' daemon is dus niet slecht, maar wordt de moreel controlerende rol toebedeeld van de innerlijke stem van zijn geweten. Een ander voorbeeld van de klassieke opvatting over de positieve eigenschappen van de demon vindt men in het Symposium, waarin Diotima over Eros zegt: "Hij is een grote geest of Daimon." Liefde wordt dus gezien als een intermediaire kracht tussen God en de mens.

Lagere geestelijke wezens werden niet altijd gedefinieerd als demon, maar kunnen tot die groep worden gerekend. Voorbeelden zijn: de keres; de zielen van overleden helden; Lamia, Empousa, Gello, Mormo (alle verantwoordelijk voor kindersterfte); de erinyen en alastor (beide wrekers van de doden). Daarnaast waren enkele wezens uit de mythologie oorspronkelijk wellicht demonen, namelijk de harpijen (winddemonen) en de gorgonen (zee- of onderwerelddemonen).

De Romeinen kenden ook geestelijke wezens: lares, manes, penates en genii. Hun precieze positie ten opzichte van ‘gewone’ goden is vaak onduidelijk. De lamia was dezelfde als de Griekse, en de stryx was een nachtdemon die baby’s belaagde. De Etruskische doodsdemon Charun werd door de Romeinen overgenomen als veerman voor de doden.

Ten tijde van het Romeinse keizerrijk werd door onder anderen christenen en neoplatonisten veel gespeculeerd over het wezen van de demonen. Philo van Alexandrië onderscheidde demonen als slechte wezens duidelijk van engelen, en ook Plutarchus beschouwde ze als kwaadaardig.

Jodendom Hebreeuwse Bijbel In de joodse geschriften van voor de Babylonische Ballingschap is weinig sprake van demonen, maar de Hebreeuwse Bijbel bevat wel sporen van het geloof in geesten, zoals in het verhaal over de geestenbezweerster van Endor (1 Samuel 28:13) en Jesaja 8:19. Geesten worden genoemd om de verwoesting van Babylon en Edom te verbeelden (Jesaja 34:14; 13:21) Op verschillende plaatsen worden de heidense goden gelijkgesteld aan demonen (Deuteronomium 32:17; Psalm 106:37; vergelijk Jeremia 50:38) en in verband gebracht met afgodendienst (2 Kronieken 11:15). In de Septuagint wordt slechts een keer melding gemaakt van bescherming tegen demonen (Psalm 91:3-6 LXX).

Een speciaal woord angelos vervangt daímōn als het gaat om boodschappers van God en God zelf is de bron van alles dat gebeurt, inclusief straffend of onderwijzend kwaad.Kittel: Theological dictionary of the New Testament, pag. 137-140 Een voorbeeld hiervan is de serafijn. De term duidde oorspronkelijk giftige slangen aan die als richtwerktuigen van JHWH worden gebruikt (Numeri 21:6). In de context van concepten in omringende culturen, zoals het oude Egypte, Babylonië en het Assyrische Rijk, kan dit zijn ontstaan vanuit de idee van slangachtige demonen, vergelijkbaar met Azhi Dahaka uit de Perzische mythologie.Seraphim op deliriumsrealm.com. Gearchiveerd op 13 mei 2023. Pas veel later werd de serafijn afgebeeld als een wezen in de hemel (Jesaja 6:1-4) en nog later als een soort engel (1 Henoch 61:10; 71:6).

Latere tradities In het jodendom van de Tenach is het geloof in geesten wijdverbreid. Vele worden met name genoemd, zoals Lilith, Bath, Chorin en groepsnamen. Alle woorden voor dergelijke wezens werden in de Griekse vertalingen vervangen door daímōn. Ze hebben vleugels en speciale kennis, maar ook sensuele behoeften. Magiërs hebben contact met ze. Ze zijn alomtegenwoordig en schadelijk; er moeten voorzorgsmaatregelen worden genomen om ze te vermijden (bijvoorbeeld 's nachts of in ruïnes). Ze kunnen ook ziekte veroorzaken en mensen verleiden. Ze worden niet in verband gebracht met Satan. God en Zijn engelen kunnen tegen demonen beschermen, net als het bestuderen van de wet van Mozes, maar er kunnen ook externe maatregelen worden getroffen. In tegenstelling tot engelen zijn ze niet Gods tussenpersonen, maar engelen kunnen wel vijandige demonische krachten worden, waardoor de krachten van engelen en demonen diffuus worden.

Pseudepigrafisch judaïsme De duivel als vorst van al het kwaad ontstond als concept pas tijdens de ballingschap, wellicht onder invloed van het zoroastrische dualisme. Vanaf die tijd worden demonen uitgesproken kwaadaardig, met name in de Apocriefen van het Oude Testament. Gedurende de late periode van de Tweede tempel werden demonen beschouwd als de monsterlijke nakomelingen van gevallen engelen. Volgens deze interpretatie hadden gevallen engelen gemeenschap met menselijke vrouwen, waardoor de reuzen uit de Hebreeuwse Bijbel geboren werden: de nephilim. Om de wereld te zuiveren van deze wezens zond God de zondvloed, waarin hun lichamen werden vernietigd. Hun onstoffelijke delen bleven echter bestaan, die vervolgens als demonen op de aarde rondwaarden.

In deze periode ontstonden ook de werken waarin kwaadaardige of onreine geesten voorkomen of geesten van Belial en onreine demonen in Jubileeën 10:1 (hoewel daímones zelden wordt gebruikt). Slechts zelden zijn demonen hier grillig en schadelijk. Hun belangrijkste taak is om te verleiden tot tovenarij, afgoderij, oorlog, bloedvergieten en zich verliezen in mysteries. Heidenen bidden tot hen als zij worden verleid tot afgoderij. Zij strijden tegen God en hebben hun positie te danken aan hun val tot zonde en schuld. Zij worden soms afgebeeld in relatie tot en in onderworpenheid van Satan, maar niet consistent. In het algemeen wordt de relatie tot dode zielen verbroken en er is geen brug tussen boze en goede geesten.

Christendom Nieuwe Testament In het Nieuwe Testament is het gebruik van de term vergelijkbaar met dat in het late judaïsme. Daímōn komt slechts één keer voor, in Matteüs 8:31. In alle andere gevallen wordt daimónion gebruikt of varianten van pneúma (geest). Marcus is de trouwste volger van het joodse gebruik, gevolgd door Lucas. De Atheners gebruikten daimónion in Handelingen 17:18 en Paulus gebruikte de term vier keer; vergelijk hiermee Efeziërs 2:2 en 1 Timoteüs 4:1. Er zijn verwijzingen naar Satans engelen en slechte engelen (Matteüs 25:41-46; 1 Korintiërs 6:3; 2 Petrus 2:4; Judas 6 en Openbaring 9:11).

Kort gezegd volgt het Nieuwe Testament de Hebreeuwse Bijbel. Er is geen verwijzing naar de geesten van de doden. Gebruik van de term daímōn (dat een goddelijke tussenpersoon veronderstelt) wordt vermeden. Engelen en demonen zijn fundamentele antitheses. Er zijn slechts enkele verwijzingen naar demonen en vrijwel altijd in het kader van bezetenheid. Als Paulus zijn beproevingen opsomt, noemt hij geen demonen (2 Korintiërs 11:23-27) en als hij zijn 'doorn in het vlees' wijt aan een engel van Satan, weerlegt God hem en zegt dat de beproeving goed voor hem is (2 Korintiërs 12:7-10). Geloof in God overwint angst voor demonen. Toch beschouwde Paulus tovenarij als inmenging met demonen (Galaten 5:20) en offers aan heidense goden zijn offers aan demonen (1 Korintiërs 10:20-21). Hier en daar suggereerde Paulus demonische activiteit (bijvoorbeeld in 1 Korintiërs 12:2), net als Openbaring 9:20. In de eindtijd wordt een enorme toename van demonische activiteit verwacht (1 Timoteüs 4:1; Openbaring 16:13-14). De demonische activiteit die wordt aangeduid met een zwerm sprinkhanen in Openbaring 9 kan eschatologisch zijn, maar zou ook in de toekomst of zelfs in het heden kunnen plaatsvinden.

Christenen worden gemaand zich te wapenen tegen kwade geesten (Efeziërs 6:12), demonische wijsheid (Jakobus 3:15) en misleidende kwade krachten (1 Johannes 4:1). Deze demonische krachten wacht het oordeel (Matteüs 25:41-46; 1 Korintiërs 6:3; 2 Petrus 2:4; Judas 6 en Openbaring 9:11). Demonen zijn onderworpen aan Satan (Efeziërs 2:2), in een koninkrijk dat Gods koninkrijk tegenstreeft. Daarom zijn zij instrumenten van Satan (zie het antwoord van Jezus in Marcus 3:20-30). Het gevecht met demonen is daarom een gevecht op leven en dood, maar de grootste aandacht gaat niet zozeer naar de demonen zelf uit, maar naar het hoofd. Schadelijke gedachten komen niet zozeer door verleidende geesten maar komen uit het hart (Matteüs 15:19). Omdat mensen God niet eren, geeft Hij hen over aan hun lage gedachten (Romeinen 1:28). Zonde en het vlees zijn kwade krachten, maar zij zijn niet uitwendig; ze onthullen het zondige zelf.

In Openbaring 18:2 staat dat Babylon een woonplaats was geworden van demonen.

Synoptische evangeliën en Handelingen thumb|120px|Beëlzebub