Varanen zijn een groep van hagedissen die behoren tot de familie Varanidae. De verschillende soorten kunnen sterk in grootte verschillen, maar lijken uiterlijk gezien allemaal op elkaar. Er zijn ongeveer tachtig soorten varanen, die allemaal tot het geslacht Varanus worden gerekend. Het soortenaantal wordt regelmatig verhoogd door nieuwe ontdekkingen.

Varanen komen voor in delen van Azië, Afrika en Australië. Er zijn enkele uitgestorven soorten varanen bekend die leefden in Europa en Noord-Amerika, maar het betreft dan geen recentelijk uitgestorven varanen, maar alleen soorten die al lange tijd zijn uitgestorven en alleen als fossiel bekend zijn.

Varanen zijn meestal carnivoor. Veel soorten leven van insecten en kleine gewervelden. Van enkele soorten is bekend dat ze ook wel plantendelen en bessen eten. Belangrijke vijanden van varanen zijn grotere rovende zoogdieren en roofvogels. De mens speelt door zijn invloed op de natuurlijke habitat een negatieve rol. Door het geschikt maken van de leefomgeving voor landbouwactiviteiten wordt het verspreidingsgebied steeds kleiner.

Varanen zijn de grootste vertegenwoordigers van de hagedissen. De bekendste soort is de komodovaraan, die ongeveer drie meter lang kan worden. Omdat ze in de regel erg groot worden, staan de varanen bij het publiek ook wel bekend als 'primitief', omdat ze doen denken aan de oerreptielen. Dit is echter een misvatting. De varanen zijn een sterk ontwikkelde groep van reptielen die zich hebben aangepast aan uiteenlopende omstandigheden.

Naamgeving De naam 'varaan' komt van het Arabische woord El Ouaran, dat "hagedis" betekent. In de Nederlandse taal worden alle soorten met 'varaan' aangeduid. Deze naam en tevens de wetenschappelijke geslachtsnaam Varanus zijn afgeleid van de oorspronkelijke Arabische benamingen voor de nijlvaraan (Varanus niloticus), ouran en waral.

In de Engelse taal wordt de naam 'monitor lizards' gebruikt, wat slaat op de gewoonte van de varanen om zich op te richten en om zich heen te kijken (monitoren). In het Engels wordt ook de naam 'varanids' gebruikt. Er wordt echter een onderscheid gemaakt tussen de soorten die rond Australië leven en alle andere varanen. De Australische soorten worden 'goannas' genoemd. Deze naam werd gebruikt om ze te onderscheiden van de leguanen.

In Zuid-Afrika wordt de naam 'leguaan' gebruikt voor de varanen. Dit woord is afkomstig uit het Nederlands. Leguanen verschillen echter van varanen doordat ze een zijwaarts afgeplat lichaam hebben in tegenstelling tot de dorsale afplatting van de varanen. Leguanen komen daarnaast uitsluitend voor in Noord- en Zuid-Amerika, de enige continenten waar de varanen juist ontbreken.

Verspreiding en habitat thumb|310px|right|Wereldwijde verspreiding in het rood. Varanen leven in Afrika, Australië en Azië. Ze komen niet voor in Noord- en Zuid-Amerika en Europa. Zelfs in de warmere delen van het verspreidingsgebied, zoals rond de Middellandse Zee, komen geen varanen voor. Ook in grote delen van westelijk en noordelijk Azië komen geen soorten voor. In zuidoostelijk Azië daarentegen zijn juist veel soorten bekend.

Veel soorten leven in drogere, woestijnachtige gebieden, maar er zijn ook soorten die in waterige gebieden zoals moerassen leven.

Varanen hebben zich gespecialiseerd in een breed scala aan omgevingen. De lichaamsvorm is hieraan enigszins aangepast, zodat aan het uiterlijk van een varaan soms is af te lezen hoe het dier leeft. Sommige soorten leven in droge woestijnen en andere zijn aangepast aan meer begroeide gebieden. Enkele soorten zijn uitsluitend in tropisch regenwoud te vinden. De specialisten zijn boombewonend en komen zelden op de grond, dit in tegenstelling tot de meeste varanen die strikt terrestrisch zijn. Van sommige varanen is bekend dat ze sterk zijn aangepast aan waterrijke milieus.

Een voorbeeld van een soort die voornamelijk in woestijnen leeft is de woestijnvaraan (Varanus griseus). Deze soort komt voor van de Saharawoestijn tot in Pakistan. De reuzenvaraan (Varanus giganteus) is ook een woestijnbewoner, maar komt voor tussen rotspartijen in woestijnen in Australië. Een bewoner van bossen is de papoeavaraan, die in dichtbegroeide omgevingen leeft. Veel varanen kunnen klimmen maar er zijn slechts weinig echte boombewoners die zelden op de grond komen. Een uitzondering is de smaragdvaraan (Varanus prasinus), een boombewoner die tussen de takken leeft. Deze soort is een van de weinige strikt boombewonende soorten. Sommige varanen zijn meer aan het water aangepast, zoals de nijlvaraan, die een zijwaarts afgeplatte staart heeft om beter te kunnen zwemmen. De nijlvaraan schuilt vaak in de buurt van het water, om er bij gevaar in te springen en weg te zwemmen. Mertens watervaraan (Varanus mertensi) is nog sterker aan water gebonden en jaagt zelfs in het water op prooien. Deze varaan is een typische oeverbewoner en eet vooral vissen, wat binnen de varanen uitzonderlijk is.

Uiterlijke kenmerken thumb|270px|right|Profiel van Goulds varaan (Varanus gouldii). Varanen hebben een zeer karakteristiek uiterlijk door het lange lichaam, de eveneens lange staart en de in vergelijking met andere hagedissen lange nek en duidelijke kop met spitse snuit. Varanen zijn alleen te verwarren met grotere soorten tejuhagedissen (Teiidae), die echter leven in Noord- en Zuid-Amerika, waar varanen niet voorkomen. Varanen zijn met name te onderscheiden van andere hagedissen door de lange, opgerichte nek en door de opgerichte houding, waarbij de poten het lichaam verheffen en de buik niet over de grond sleept, zoals bij andere hagedissen. Varanen werden door de Australische zoöloog Franz Werner eens beschreven als de best geproportioneerde en indrukwekkendste van alle hagedissen.

Kop De kop van een varaan is altijd driehoekig van vorm en heeft een relatief spitse snuit. Bij enkele soorten, zoals de komodovaraan, is de snuit wat afgeplat en doet denken aan een eendensnavel. De woestijnvaraan heeft juist een meer stompe, afgeplatte piramidevormige kop om beter te kunnen graven. Varanen beschikken over een relatief goed ontwikkeld gehoor. De ooropeningen zijn vaak duidelijk zichtbaar en worden niet aan het oog onttrokken door schubben. De ogen hebben meestal een rode tot bruine iris. Varanen kunnen voornamelijk overdag goed zien. Bij reptielen die 's nachts actief zijn is de pupil spleetvormig, maar de dagactieve varanen hebben altijd een ronde pupil. In tegenstelling tot andere hagedissen en slangen, hebben varanen oogleden die gesloten kunnen worden.

Varanen hebben twee neusgaten, die aan de voorzijde van de kop zijn gelegen. De vorm en de positie van de neusgaten vormen een belangrijk kenmerk en zijn aangepast aan de levenswijze. Waterminnende soorten hebben vaak ronde neusgaten die aan de voorzijde van de snuit gelegen zijn. Zo hoeft de varaan slechts zijn snuitpunt boven water te steken om adem te halen. Soorten die het water mijden hebben ovale neusgaten die meer aan de achterzijde, bij de ogen, gelegen zijn. Dit is een aanpassing aan het leven in zanderige omgevingen. Als de neusgaten aan de voorzijde van de snuit geplaatst zouden zijn, zouden ze makkelijk verstopt raken met deeltjes uit het substraat.

De kaken zijn lang en dragen stevig verankerde tanden, die enigszins naar achteren gericht zijn. Hierdoor heeft de varaan een betere grip op de prooi, zodat die niet uit de bek kan ontsnappen. Aan de onderzijde van de kop is een voedselzak aanwezig, welke sterk uit kan zetten. Hierdoor kan een varaan een grote brok voedsel in één keer naar binnen werken. Een dergelijke structuur is ook bekend van krokodilachtigen en slangen, maar komt niet voor bij alle andere groepen van hagedissen.

Lichaam thumb|270px|right|De huid van varanen bestaat uit verstevigde schubben die elkaar niet overlappen. De meeste varanen worden minstens een meter lang. Enkele soorten blijven echter kleiner. De kleinste soort is de kortstaartvaraan (Varanus brevicauda), die inclusief staart ongeveer 25 centimeter lang wordt. Bij de varanen verschillen de verhoudingen enigszins per soort: de relatieve staartlengte ten opzichte van het lichaam, de vorm van de kop en de lichaamslengte kunnen uiteenlopen.

De vertegenwoordigers van veel andere groepen van hagedissen hebben wat betreft de lichaamsvorm een basisplan en betreffende de lichaamsbouw een verscheidenheid aan uitzonderingen die afwijken van die basisvorm. Bij de varanen is dit echter niet het geval. De lichaamsbouw van alle varanen is karakteristiek en alle soorten lijken sprekend op elkaar. Varanen hebben een kleine, platte kop met lange nek, een groot en massief lichaam met vrij kleine ledematen en een zeer lange en krachtige staart.

De lichaamskleur is zeer variabel. De meeste soorten zijn grijs tot bruin van kleur en hebben een tekening bestaande uit strepen of vlekken. Sommige soorten, zoals de nijlvaraan, hebben een karakteristieke luipaardtekening. Veel soorten hebben een gebandeerde staart, waarbij de banden bestaan uit lichtere en donkere schakeringen. Slechts enkele soorten hebben een uitgesproken groene kleur, zoals de smaragdvaraan. Een groene lichaamskleur komt bij veel hagedissen voor, maar is juist een uitzondering bij de varanen.

De huid van varanen is bedekt met schubben, die het lichaam een stevige bepantsering geven. In tegenstelling tot andere groepen van hagedissen, zijn de schubben klein. De schubben overlappen elkaar niet, maar liggen naast elkaar. Ze zijn verstevigd met kleine, benige insluitingen, die osteodermen worden genoemd. De huid draagt nooit kammen of stekels zoals deze bij leguanen of kameleons voorkomen. Een uitzondering is de stekelstaartvaraan, die kegelvormige structuren op de schubben van de staart bezit.

Poten en staart thumb|270px|right|De staart van Mertens watervaraan heeft een opstaande kiel die het zwemmen vergemakkelijkt. Varanen hebben vier poten, die erg gespierd en krachtig zijn. De poten zijn bij alle soorten duidelijk zichtbaar en nooit gedegenereerd. De poten van varanen zijn voorzien van nagels zodat zij stevige klauwen dragen. Deze klauwen worden gebruikt om kuilen te graven om in te schuilen of voor de afzet van de eieren. Ze worden niet gebruikt bij het zwemmen: de poten worden dan juist tegen het lichaam gehouden en de staart stuwt de hagedis voort.

De staart is bij veel hagedissen even lang als het lijf tot anderhalf keer de kopromplengte. Bij varanen is de staart echter meestal twee keer zo lang als het lichaam. Er zijn maar een paar uitzonderingen, zoals de kortstaartvaraan (Varanus brevicaudatus). De staart is zeer krachtig en wordt gebruikt om belagers te slaan. De staart wordt hierbij gebruikt als een zweep en de varaan kan de staart zeer precies richten en mikt hierbij op het gelaat van de vijand.

Bij het zwemmen wordt de staart als voortstuwingsapparaat gebruikt. Tijdens het zwemmen wordt de staart kronkelend heen en weer bewogen, terwijl de poten tegen het lichaam worden gedrukt. Een zwemmende varaan doet enigszins denken aan een slang. De staart is bij de meer waterminnende soorten zijwaarts afgeplat, in tegenstelling tot de strikt landbewonende soorten, die een rondere staart hebben.

Veel hagedissen kennen het vermogen tot het afwerpen van de staart als deze wordt beetgepakt. Dit wordt caudale autotomie genoemd en komt bij de meeste hagedissen voor. Bij de varanen ontbreekt deze vorm van regeneratie echter. Als een deel van de staart verloren gaat, groeit de stomp dicht, maar wordt er geen nieuw staartdeel gevormd.

Levenswijze thumb|270px|right|Varanen zijn waterminnend. Hier een nijlvaraan in een meer in Tanzania. Varanen zijn warmteminnend, ze leven alleen in streken waar het permanent warm is. Er zijn geen soorten die een winterslaap houden zoals voorkomt in gematigde streken.