Gekko's of gekko-achtigen (Gekkota) zijn een groep van reptielen die behoren tot de hagedissen. De naam gekko is afgeleid van de klikkende tot gillende geluiden die veel soorten vooral in de paartijd maken.

Gekko's vormen een van de grootste groepen van gewervelde dieren en worden vertegenwoordigd door ongeveer 2100 soorten in meer dan 120 geslachten. & , The Reptile Database - Sauria Gekko's komen in alle warme streken van de wereld voor in uiteenlopende habitats; van dichtbegroeide bossen (bladstaartgekko's) tot in woestijnachtige gebieden (dikvingergekko's). Gekko's kunnen niet overleven in gematigde streken zoals België en Nederland, maar in zuidelijk Europa zijn enkele soorten zeer algemeen.

Gekko's vertonen een enorme variatie aan vormen, kleuren en afmetingen. De meeste gekko's hebben onopvallende kleuren en zijn goed gecamoufleerd. Bij enkele soorten draagt ook de vorm van het lichaam bij aan de camouflage. Voorbeelden zijn de bladstaartgekko's uit Madagaskar. De lichaamslengte, inclusief staart, varieert van iets meer dan een centimeter tot 40 centimeter. De voor zover bekend langste gekko's waren ruim 60 cm, maar deze soorten zijn waarschijnlijk uitgestorven.

Vrijwel alle soorten zijn eierleggend, slechts enkele soorten zijn eierlevendbarend. De eierleggende soorten produceren in de regel slechts één of twee eieren per legsel, waar andere hagedissen vaak meer eieren leggen. Gekko's leven van insecten en worden in de landen waar ze van nature voorkomen daarom beschouwd als nuttig. Gekko's worden soms ook gebruikt in voedsel of medicijnen.

De indeling van de verschillende groepen van gekko's is van het begin af aan sterk aan verandering onderhevig geweest, voornamelijk doordat het zo'n grote groep is. Aanvankelijk werden alle soorten tot een enkele familie gerekend. Later werden er meer aparte onderfamilies benoemd en is de indeling nog eens ingrijpend aangepast op basis van nieuwe inzichten, waarbij de verschillende soorten in aparte families zijn geplaatst.

Verspreiding en habitat thumb|Een aantal soorten komt ook voor in huizen en andere gebouwen, hier een jonge tjitjak (Hemidactylus frenatus). Gekko's komen voor op alle continenten, met uitzondering van Antarctica. De verschillende groepen zijn vaak specifiek voor het werelddeel waarin ze voorkomen. Sommige soorten zijn door toedoen van mensen terechtgekomen in gebieden buiten hun natuurlijke verspreidingsgebied.

Australië en Nieuw-Zeeland In Australië zijn de platstaartgekko's uit het geslacht Phyllurus en de soorten uit het geslacht Gehyra endemisch. In Nieuw-Zeeland komen de boomgekko's uit het geslacht Naultinus voor. Die zijn dagactief en hebben heldere kleuren, wat ze geliefd maakt in de handel in exotische dieren.

Azië en Europa In Azië hebben de hagedissen zich over grote gebieden verspreid. In Europa komen slechts enkele soorten gekko's voor en dan alleen in warmere gebieden. Rond het Middellandse Zeegebied komen de halfvingergekko's (Hemidactylus) voor. In België en Nederland is het te koud en hier komen geen gekko's voor. Ook in de rest van Westelijk Europa zoals Groot-Brittannië komen geen gekko's voor. Van de Europese soorten komen de meeste ook voor in Noord-Afrika.

Afrika In Afrika komen veel woestijnbewonende gekko's voor, zoals de pantergekko. De rotsgekko's (Afroedura) leven in berggebieden in Zuid-Afrika. Op Madagaskar komen de bladstaartgekko's (Uroplatus) en de madagaskardaggekko's (Phelsuma) voor.

Amerika In Noord-Amerika komen alleen soorten voor in Mexico en het zuiden van Californië. Veel soorten die op de Caraïben leven zijn door de mens naar Florida gevoerd. Spectrum Dieren Encyclopedie Deel 2 (1971) In Zuid-Amerika komen gekko's voor op het grootste deel van het continent. Ook hier hebben veel soorten zich verspreid door toedoen van de mens. In Zuid-Amerika komen de halfvingergekko's voor en soorten uit de geslachten Lygodactylus en Lepidodactylus.

De grootte van het verspreidingsgebied kan sterk verschillen. Sommige soorten komen slechts op kleine eilandjes voor, terwijl andere juist een zeer groot natuurlijk verspreidingsgebied hebben.

Habitat Gekko's hebben zich ontwikkeld in tropische gebieden en hebben zich verspreid naar alle tropische en subtropische delen van de wereld. Ze ontbreken in permanent koude gebieden. Een van de meest koudetolerante soorten is Cyrtodactylus tibetanus, die voorkomt in het Himalayagebergte en kan worden aangetroffen op een hoogte van meer dan 4000 meter. Ook de rotsgekko's (Afroedura) zijn tolerant ten aanzien van kou: deze soorten komen voor in Zuid-Afrika tot in hooggebergten zoals de Drakensbergen.

De meeste soorten hebben zich ontwikkeld tot echte boombewoners die snel en behendig over takken en stammen klauteren. Gekko's leven meestal in bossen. Sommige soorten hebben zich aangepast aan een leven in een meer open landschap; dit zijn vaak bodembewoners. Bodembewonende gekko's zijn te herkennen aan het ontbreken van de hechtlamellen onder de tenen, die veel andere gekko's wel bezitten en dan dienen om zich aan de ondergrond te hechten. Bij soorten die in bomen leven komt dit van pas bij het klimmen, maar bij bodembewoners zouden dergelijke structuren alleen maar tot last zijn, omdat het substraat eraan blijft plakken. Bodembewonende gekko's kunnen soms worden aangetroffen onder zeer droge omstandigheden, zoals halfwoestijnen en steppen.

Sommige soorten gekko's zijn echte cultuurvolgers, wat uitzonderlijk is voor hagedissen. De halfvingergekko's uit het geslacht Hemidactylus zijn een bekend voorbeeld. Deze soorten worden ook wel huisgekko's genoemd omdat ze vaak opduiken in huizen. Ook natuurstenen muren, plantenkwekerijen en vervallen gebouwen zijn voor dergelijke soorten heel geschikt als leefgebied. De Afrikaanse huisgekko leeft van oorsprong in delen van Afrika maar heeft zich verspreid naar Zuid-Amerika. Hier werd de gekko verder landinwaarts gebracht door vissersboten. Er zijn eieren van deze gekko aangetroffen in de kieren van het hout van dergelijke boten.

Uiterlijke kenmerken

Gekko's zijn in één oogopslag van de meeste hagedissen te onderscheiden door een aantal karakteristieke kenmerken. De ogen van alle gekko's zijn relatief groot, evenals hun poten en vooral de tenen en vingers. Gekko's hebben in de regel geen grote schubben en daardoor een flexibele huid. Alle gekko's hebben ten slotte een afgeplatte kop die, anders dan die van andere hagedissen, nooit uitsteeksels zoals kammen, hoorns of stekels draagt.

De schubben zijn meestal veel fijner waardoor de huid flexibeler is. Nadeel is dat de huid makkelijker scheurt als een exemplaar wordt opgepakt of aangevallen. Veruit de meeste gekko's zijn nachtactief en hebben camouflagekleuren als grijs en bruin. Slechts enkele soorten, zoals de groene boomgekko (Naultinus manukanus), en de Madagaskardaggekko's, uit het geslacht Phelsuma, hebben felle kleuren. Die soorten zijn dagactief en schuilen 's nachts.

Gekko's worden in vergelijking met andere hagedissen niet zo groot; de meeste soorten bereiken inclusief staart een lichaamslengte van ongeveer 10 tot 20 centimeter. De kleinste soorten, zoals de kogelvingergekko's uit het geslacht Sphaerodactylus, worden niet langer dan enkele centimeters. De kleinste soort is de Antilliaanse kogelvingergekko (Sphaerodactylus argus) uit Zuid-Amerika. Die bereikt een maximale lichaamslengte van 1,6 centimeter en is daarmee een van de kleinste gewervelde dieren. Grotere soorten zijn die uit het geslacht Gekko, die een totale lichaamslengte van 40 centimeter kunnen bereiken. De allergrootste nog voorkomende soort is de Nieuw-Caledonische reuzengekko (Rhacodactylus leachianus), die tot bijna 40 cm lang kan worden. Phelsuma edwardnewtoni hoort bij de langste moderne soorten. Deze gekko, die tot de madagaskardaggekko's behoort, kon tot 60 cm lang worden, maar wordt algemeen beschouwd als uitgestorven. De andere soort die zo lang kon worden is Hoplodactylus delcourti, die behoort tot de Nieuw-Zeelandse gekko's uit de familie Diplodactylidae. Deze soort kwam tot vrij recent in Nieuw-Zeeland voor maar is nu alleen bekend van een enkel museumexemplaar.

Kop thumb|Oog van Uroplatus sikorae, een nachtactieve soort (hier ssp. sameiti) De kop is in de regel afgeplat. In vergelijking met andere hagedissen hebben gekko's een relatief 'kale' kop. Die draagt nooit kammen, hoorns of ander uitsteeksels zoals die bij veel andere groepen van hagedissen voorkomen. De ooropeningen zijn meestal duidelijk zichtbaar. De tong wordt bij veel soorten gebruikt om de kop schoon te likken.

De kop wordt bij alle soorten gekenmerkt door de opvallend grote ogen. Aan de vorm van de pupil is te zien of een gekko 's nachts of overdag actief is. Soorten die overdag actief zijn hebben een ronde pupil en soorten die voornamelijk 's nachts leven hebben overdag een spleetvormige, verticale pupil. Veel soorten hebben vier boven elkaar gelegen, ruitvormige verbredingen van de pupil. Die vergrotingen zijn bij een aantal soorten onregelmatig van vorm, zodat de pupil door het grillige uiterlijk minder opvalt. De pupil van de nachtactieve soorten is zeer beweeglijk. Deze dieren jagen met de pupil wijd opengesperd. De pupil is dan, net als bij de dagactieve soorten, ovaal tot rond van vorm.

thumb|Detail van de kop van de zuidelijk Afrikaanse soort Chondrodactylus bibronii. Gekko's hebben meestal geen beweeglijke oogleden. Die zijn in de loop der evolutie aan elkaar gegroeid en vormen een transparante laag over het oog. Bij de gekko's heeft het onderste ooglid een doorzichtig deel of venster gekregen, en later in de ontwikkeling is het onderste ooglid vergroeid geraakt over het oog en is het venster groter geworden totdat het gehele ooglid doorzichtig werd. Hetzelfde is overigens gebeurd bij alle slangen, die eveneens doorzichtige en vergroeide oogleden hebben. Ook bij de slangen is altijd het onderste ooglid transparant geworden. Bij de vervelling wordt ook het ooglid vervangen, zodat de gekko steeds een nieuwe 'bril' krijgt. Het ooglid wordt bij de meeste soorten na het opeten van een prooi gereinigd door er met de tong over te likken. Alleen soorten uit de familie Eublepharidae, zoals Aeluroscalabotes felinus, bezitten niet een dergelijke brilachtige structuur. Deze familie wordt beschouwd als een van de basale groepen van de infraorde.Onder andere (2012), PLOS ONE De bodembewonende soorten in deze familie hebben ondoorzichtige, beweegbare oogleden omdat ze vaak graven. Een 'bril' zou dan makkelijk beschadigd raken door substraatdeeltjes.

De tong van gekko's wordt niet alleen gebruikt om de bek en de ogen schoon te likken maar dient ook als zintuiglijk orgaan. Door de tong uit te steken worden geurdeeltjes verzameld. Als vervolgens de tong in de bek wordt teruggebracht, en langs het orgaan van Jacobson in het verhemelte wordt bewogen, worden de deeltjes geanalyseerd zodat de gekko kan "ruiken" met de tong. Deze vorm van waarneming komt ook voor bij slangen, maar deze laatsten zijn hier veel beter in gespecialiseerd.

Tanden Gekko's zijn polyphyodont en in staat om elk van hun honderd tanden, elke drie tot vier maanden te vervangen.Mechanism of tooth replacement in Leopard geckos Naast de uitgegroeide tanden die gebruikt worden om te eten zijn er steeds kleine vervangende tanden aanwezig die ontstaan uit stamcellen in de lamina dentalis. Het gebitstype wordt pleurodont genoemd, de tanden staan niet op de kaakrand maar zijn aan de binnenzijde van het kaakbot verankerd. Deze configuratie is gebruikelijk bij veel soorten hagedissen en slangen.

Lichaam