Pompeï (ook wel: Pompeii of Pompeji) was een Antiek-Romeinse provinciestad met ongeveer 20.000 inwoners die bestond van de 7e eeuw voor Christus tot in de eerste eeuw na Christus. Osken, Samnieten, Grieken, Etrusken en Romeinen lieten er allemaal hun sporen achter. Pompeï, dat in 62 n.Chr. al door een aardbeving was getroffen, werd in 79 bedekt door as door de uitbarsting van de Vesuvius. Het is daardoor een van de best bewaarde Romeinse steden geworden, hoewel de opgravingen gepaard gaan met erosie en vervuiling.
Nadat de eerste overblijfselen al aan het eind van de 16e eeuw werden ontdekt, worden sinds de 18e eeuw archeologische opgravingen verricht. Sindsdien zijn grote delen van de stad blootgelegd en geeft de plaats een goed geconserveerd beeld van het Romeinse dagelijks leven. Pompeï staat op de Werelderfgoedlijst van UNESCO en is een belangrijke toeristische attractie die jaarlijks zo'n 2,5 miljoen bezoekers trekt. Wegens de grote toeristenstroom worden vanaf november 2024 maatregelen genomen om het aantal bezoekers te beperken tot 20.000 per dag.
Geschiedenis thumb|Kaart van Pompeï en omgeving, verspreiding van as na de uitbarsting van de vulkaan Vesuvius thumb|Opgravingen in 1961. Op de grond liggen gipsafgietsels van overledenen. Pompeï is waarschijnlijk rond de 7e eeuw v.Chr. ontstaan toen Osken zich vestigden op een verhoging in het landschap langs de rivier de Sarno, dichtbij zee. In de 6e eeuw v.Chr. stond het stadje onder Etruskische en Griekse invloed. De Feniciërs gebruikten de stad als handelshaven. Na de zeeslag bij Cumae (474 v.Chr.), toen de Etrusken werden verslagen, kwam de stad in de invloedssfeer van de Samnieten. In de 3e eeuw v.Chr. kreeg Pompeï de status van bondgenoot van de Romeinen, maar was nog niet Romeins. In de jaren 91-89 v.Chr. deed het mee aan de Bondgenotenoorlog tegen Rome, waarbij het samen met Stabiae en Herculaneum werd verslagen door de Romeinse dictator Sulla, die de stad in 80 v.Chr. tot een Romeinse colonia maakte met de officiële naam Colonia Veneria Cornelia Pompeianorum. De naam Veneria verwees naar Venus, de beschermgodin van de stad, en Cornelia was ontleend aan de familienaam van Sulla. In de Romeinse tijd was het een bloeiende stad met ca. 12.000 inwoners (schattingen lopen uiteen van 6400 tot 30.000).
In 59 n.Chr. vonden er hevige rellen plaats in het amfitheater tussen inwoners van Pompeï en het naburige Nuceria, waarbij vele doden vielen. Het was voor keizer Nero aanleiding de gladiatorenspelen voor tien jaar te verbieden. Het voorval is beschreven door Tacitus (Annalen, XIV, 17). In 62 (volgens Tacitus) of 63 n.Chr. (volgens Seneca) werd Pompeï door een aardbeving grotendeels verwoest. Dit gebeurde op een dag dat er net grote festiviteiten aan de gang waren. De stad werd hierna weer opgebouwd en waarschijnlijk heeft men ook besloten om haar te verfraaien. Zo werd het grote badhuis pas na de beving gebouwd op de plek van een verwoest huizenblok. Rond het jaar 64 bezochten keizer Nero en zijn vrouw Poppaea Sabina de stad. Waarschijnlijk trad Nero toen op in het theater in Napels.
Op 24 oktober 79, ten tijde van keizer Titus, volgde de fatale uitbarsting van de Vesuvius, die Pompeï bedekte met een vier meter dikke laag vulkanische as en brokstukken (lapilli). De uitbarsting werd door Plinius de Jongere beschreven in een brief, waarin hij Pompeï overigens niet vermeldde. Plinius noemt de datum 24 augustus, maar de vondst van bessen die alleen in de herfst gegeten konden worden, vuurresten in een kachel en de datum 17 oktober 79 door een bouwvakker met houtskool op een muur geschreven, doet vermoeden dat dit een vergissing was en dat de stad op 24 oktober werd verwoest. Waarschijnlijk hebben de meeste inwoners zich eerst verscholen in hun huizen om de asregen uit te zitten, waardoor een groot aantal mensen ingesloten raakte.
Resten van Pompeï werden voor het eerst teruggevonden bij de aanleg van het Sarnokanaal van 1594 tot 1600. In 1748 werden opgravingen gedaan onder supervisie van Karel van Bourbon, de koning van Napels. De eerste serieuze opgravingen begonnen in 1860 onder leiding van de archeoloog Giuseppe Fiorelli. Hij was ook degene die het procedé bedacht om gipsafgietsels van de slachtoffers te maken. De lichamen van de slachtoffers die onder de lava bedolven lagen waren in de loop der eeuwen vergaan op hun botten na. De lava was echter gestold waardoor een holte overbleef die de vorm van het lichaam had aangenomen. Door de holte te vullen met gips kon men een beeld maken in de vorm van het gestorven slachtoffer. In Pompeï liggen veel van deze gipsafgietsels tentoongesteld.
Inmiddels is ongeveer 60% van Pompeï opgegraven. Vanaf 1999 wordt er meer geconcentreerd op conservering en worden er geen nieuwe opgravingen meer gestart. In augustus 2021 zijn wel nog de skeletale resten van theaterproducent Marcus Venerius Secundio gevonden in een ruime graftombe. El País - Marcus Venerius, el nuevo mecenas que emerge de entre las ruinas de Pompeya elpais.com door: Miguel Ezquiaga Fernández 17-08-2021; geraadpleegd: 18-08-2021
De geschiedenis van de opgravingen en wat daardoor bekend werd over Pompeï en Herculaneum is beschreven door de Oostenrijks-Italiaanse schrijver Corti Egon Caesar Conte.[The Destruction and Resurrection of Pompeii and Herculaneum]Pompeii en Herculaneum. Hun ondergang en herrijzenis (1944)
In juli 2024 werd - na acht jaar onderzoek - bewijs gevonden dat er na de vulkaanuitbarsting overlevenden waren en waar zij naartoe waren verhuisd.
Ligging en topografie thumb|De geschiedenis van de stad aan de hand van de plattegrond. Het amfitheater ligt in het zuidoosten in het nieuwste deel van de stad. thumb|Pompeï met de Vesuvius op de achtergrond Pompeï ligt ten zuidoosten van de Vesuvius, ongeveer 10 km van de krater. Het ontstond aan het riviertje de Sarno (Latijn: Sarnus), waarvan de benedenloop in de oudheid bevaarbaar was. Het lag ongeveer 500 m van zee en had een haven (die nog niet precies gelokaliseerd is); na de uitbarsting van de Vesuvius is het 2 km van zee komen te liggen.
Het zuidwestelijke deel rondom het Forum en het Foro Triangolare vormt het oudste deel van de stad. In de Samnitische tijd is de stad uitgebreid volgens een rechthoekig stratenpatroon, al werd de 3 km lange stadsmuur al gebouwd in de 6e eeuw v.Chr. De muur had acht poorten. Van twee ervan is de antieke naam bekend: de Porta Salina (nu Porta di Ercolano) en de Porta Urbulana (nu Porta di Sarno). De hoofdstraat (decumanus maximus), die van oost naar west loopt, wordt met de Italiaanse naam Via dell’Abbondanza (Straat van de overvloed) aangeduid, naar de afbeelding van de godin Fortuna met een hoorn des overvloeds op een fontein. De archeologen hebben Pompeï ingedeeld in negen regio’s (aangeduid met de Romeinse cijfers I-IX), die weer zijn opgedeeld in insulae (genummerd in Arabische cijfers), dat wil zeggen door straten omgeven huizenblokken. Het woord insula wordt in Pompeï dus niet – zoals gewoonlijk – gebruikt voor een flatgebouw met huurkamers.
In de Romeinse tijd kwamen er ook villa’s buiten de stadsmuren, zoals de Villa dei Misteri. Er is ook een naam bekend van een wijk buiten de muren, de Pagus Augustus Felix Suburbanus. Mogelijk was ook Oplontis een buiten de muren gelegen villagebied van Pompeï. Van Cicero weten we dat hij een stuk grond bezat bij Pompeï (Plutarchus, Leven van Cicero 8).
Huizen thumb|Tablinum met daarachter de peristiliumtuin van het Casa del Menandro miniatuur|Romeins fresco in Villa dei Misteri De huizen in Pompeï waren voor het grootste deel typisch Italiaanse atriumhuizen (zie ook: Domus). Het atrium vormde het centrale gedeelte in dit huis. In het verlengde van het atrium lag meestal een binnentuin in de vorm van een peristylium, een onderdeel dat uit de Hellenistische bouwkunst was overgenomen. Rond atrium en peristylium lagen de verschillende woon- en werkvertrekken. De huizen hadden doorgaans ook een bovenverdieping, maar daar is zelden nog iets van bewaard. Veel huizen waren verbonden met een werkplaats. Vaak ook was er een winkel of een bar op de begane grond aan de straatkant. De huizen waren rijk versierd met mozaïeken op de vloeren en fresco’s op de muren. De Romeinse muurschilderkunst wordt op grond van de vondsten in Pompeï ingedeeld in vier groepen, de zogenoemde vier Pompeiaanse stijlen (zie: Romeinse schilderkunst). De oudste fresco’s, de eerste Pompeiaanse stijl, dateren van het einde van de Samnitische periode, terwijl de nieuwste, de vierde stijl, kort voor de uitbarsting van de Vesuvius in 79 zijn ontstaan. Van het meubilair in de huizen is zeer weinig bewaard, omdat hout het meest gebruikte materiaal was. Wel zijn bronzen ornamenten van bijvoorbeeld aanligbedden teruggevonden.
Van de vele opgegraven huizen in Pompeï worden er hier enkele besproken. Tot de beroemdste behoort het Huis van de Faun, zo genoemd naar een bronzen beeldje van een dansende faun in het impluvium. Het is het meest luxueuze huis in de stad. Nadat het huis met een tweede peristylium was uitgebreid, vulde het een heel insula en had het een oppervlakte van 3000 vierkante meter. In een vertrek aan het eerste peristylium lag het beroemde Alexandermozaïek (origineel in het Nationaal Archeologisch Museum te Napels, ter plekke ligt sinds 2006 een replica).
Het Huis van de Vettii behoorde aan de rijke handelaren Aulus Vettius Conviva en Aulus Vettius Restitutus. De schildering van Priapus in de vestibule lijkt te verwijzen naar het feit dat ze hun rijkdom te danken hadden aan de opbrengst van het land. Het huis heeft een mooi gerestaureerde peristyliumtuin, die voorzien was van allerlei fonteinen. Veel vertrekken zijn voorzien van beroemde fresco’s met mythologische onderwerpen. Het Huis van Loreius Tiburtinus is een villa binnen de stadsmuren met een opvallend grote tuin. De naam van het huis is afgeleid van de graffiti ten gunste van de politici Loreius en Tiburtinus die op de buitenmuur zijn gevonden. De eigenaar was priester van Isis. Hij had een tuin op twee niveaus met een mooie loggia en een waterkanaal. Daarmee kon op feestdagen ter ere van Isis de overstroming van de Nijl worden nagebootst. Het Casa del Centenario was een luxueus huis met eigen thermen en een nymphaeum. Het had twee atria. Een groot aantal fresco’s was slechts enkele jaren voor de uitbarsting aangebracht.
Net buiten de stadsmuren zijn enkele villa’s teruggevonden, landbouwbedrijven met een luxueus woongedeelte. De beroemdste is de Villa dei Misteri, waarvan de eigenaar van de wijnbouw leefde. Het had onder andere ruimtes met wijnpersen. De villa is genoemd naar het triclinium met beroemde fresco’s waarop te zien is hoe een meisje wordt ingewijd in de mysteriën van Dionysus.
Openbare gebouwen thumb|Deel van het complex van de Tempel van Apollo met het bronzen beeld van de god
Forum Het forum is een groot, uitzonderlijk lang plein (32 × 142 m) voor handel, bestuur en goden- en keizercultus. Het met grote platen travertijn bedekte plein was omgeven door een wandelgalerij met een colonnade van twee verdiepingen zuilen, de onderste Dorisch en de bovenste Ionisch. Deze is aangelegd in de 2e eeuw v.Chr. uit tufsteen en later voor een deel vervangen door travertijn. De galerij onttrok de gebouwen rondom het plein aan het zicht en daardoor viel het Capitolium, de tempel voor Jupiter, Juno en Minerva, op het middendeel des te meer op. Het hoge podium is bewaard met de onderkanten van de twaalf Korinthische zuilen van de pronaos (het voorportaal), die voor de drievoudige cella stond. De tempel, geflankeerd door twee erebogen, sloot de noordkant van het forum af. Verder bevinden zich op het middengedeelte aan de westkant de resten van de suggestus (het spreekgestoelte) en aan de zuidkant enkele sokkels waarop beelden van vooraanstaande burgers stonden.