Ludwig Andreas Feuerbach (Landshut, 28 juli 1804 – Rechenberg-Neurenberg, 13 september 1872) was een Duits filosoof en antropoloog. Hij wordt beschouwd als een van de meest invloedrijke religiekritische denkers.

Levensloop Geboorte en familieachtergrond Ludwig Andreas Feuerbach werd geboren op 28 juli 1804 in Landshut, Beieren (Duitsland). Hij groeide op in een burgerlijk-intellectueel gezin. Zijn vader, Paul Johann Anselm von Feuerbach (1775–1833), was een bekende jurist en verlicht denker, vooral bekend om zijn hervormingen in het strafrecht en zijn rationeel-humanistische benadering van de wet. Hij hechtte grote waarde aan verstand, rechtvaardigheid en onderwijs. Zijn moeder, Wilhelmine Sophie Feuerbach, kwam uit een cultureel ontwikkelde familie. Het gezin telde meerdere kinderen, van wie sommigen (zoals zijn broer Friedrich Feuerbach) ook intellectuele carrières zouden volgen.

Deze omgeving bood Ludwig een rijke voedingsbodem voor zijn kritisch en filosofisch denken. Al van jongs af aan werd hij gestimuleerd na te denken, te lezen en vragen te stellen — ook over religie. Ludwig groeide op in een omgeving die waarde hechtte aan onderwijs en intellectuele vorming. Hij toonde al op jonge leeftijd een grote interesse in filosofie en het denken van grote denkers uit de Duitse traditie, zoals Immanuel Kant en Johann Gottlieb Fichte.

De levensloop van Feuerbach weerspiegelt zijn intellectuele zoektocht naar de essentie van het menselijk bestaan, en hoe hij zich ontwikkelde van een Hegeliaanse idealist tot een materialistische criticus van religie.

Zijn meest uitgebreide biograaf is Adolph Kohut, die in 1909 Ludwig Feuerbach - Sein Leben und seine Werke publiceerde. Adolph Kohut (1848–1917) heeft Ludwig Feuerbach (1804–1872) niet persoonlijk gekend. Kohut werd geboren vier jaar nadat Feuerbach overleed, dus een ontmoeting is uitgesloten.

Zijn biografie is derhalve gebaseerd op secundaire bronnen zoals de publicaties van Feuerbach zelf, brieven van en naar Feuerbach, familiearchieven en getuigenissen van tijdgenoten.

De belangrijkste getuigenissen en bronnen die Kohut voor zijn biografie gebruikte zijn:

Wilhelm Bolin – Ausgewählte Briefe von und an Ludwig Feuerbach (Leipzig, 1904) Bolin, die ook weleens als een biograaf van Feuerbach wordt genoemd, was een vertrouweling van Feuerbach, en bleef ook na diens overlijden nauw in contact met zijn vrouw en dochter. Daardoor kon hij persoonlijke herinneringen delen die direct uit huiselijke kring kwamen.

Karl Grün – Ludwig Feuerbach, in seinem Briefwechsel und Nachlaß sowie in seiner philosophischen Charakterentwicklung dargestellt(Leipzig, 1874) Deze twee‑delige levensschets bevatte biografische details afkomstig uit de briefwisselingen en het nalatenschap van Feuerbach, met nadruk op zijn filosofische ontwikkeling.

Kohut was een literatuurhistoricus en journalist, geen filosoof of tijdgenoot van Feuerbach. Zijn biografie is waardevol als vroege poging tot documentatie van Feuerbachs leven, maar bevat ook een enigszins anekdotische stijl en is minder kritisch dan moderne wetenschappelijke werken. Een moderne monografie over de ontwikkeling en betekenis van Feuerbachs oeuvre is die van Francesco Tomasoni – Ludwig Feuerbach. Entstehung, Entwicklung und Bedeutung seines Werkes (2015).

Een toegankelijke kennismaking met Feuerbach, geschreven door een expert betrokken bij de historisch-kritische editie van zijn werk betreft Christine Weckwerth – Feuerbach zur Einführung 2002)

Opvoeding en scholing Feuerbach volgde het gymnasium in Ansbach, waar hij uitblonk in klassieke talen, logica en filosofie. Hij kreeg een rationeel-religieuze opvoeding: hoewel religieus gevormd, was zijn denken al vroeg doordrenkt met kritiek en scepsis.

In 1823 begon hij op aandringen van zijn vader met de studie theologie aan de Universiteit van Heidelberg. Hij toonde aanvankelijk oprechte interesse in religieuze vragen, maar werd al snel teleurgesteld in de dogmatische theologie, die hij als intellectueel beklemmend ervoer. Zijn verlangen naar vrije, ondogmatische reflectie bracht hem ertoe over te stappen naar filosofie.

In Berlijn vervolgde hij zijn studie onder leiding van de beroemde filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel. Feuerbach raakte diep onder de indruk van diens systeemfilosofie, maar keerde zich later ervan af. Hij vond Hegels denken te abstract en idealistisch en ontwikkelde in plaats daarvan een meer aardse, antropologische benadering van religie.

Studies Universiteit van Heidelberg (1823): Feuerbach begon met het studeren van theologie, maar stapte al snel over op filosofie. Universiteit van Berlijn (vanaf 1824): Hij studeerde daar onder invloed van Georg Wilhelm Friedrich Hegel, wiens filosofie in die tijd dominant was. Universiteit van Erlangen: Na zijn studie promoveerde Feuerbach in 1828 aan de Universiteit van Erlangen op een proefschrift over Spinoza

Poging tot academische loopbaan Ludwig Feuerbach had hierna slechts één formele aanstelling aan een universiteit: in 1830 kreeg hij een aanstelling als privaatdocent (een soort onbezoldigde docent die colleges mag geven) aan de Universiteit van Erlangen.

Hij gaf enkele jaren colleges over filosofie, met name over logica en metafysica.

Zijn colleges trokken weinig studenten, en zijn anoniem gepubliceerde eerste boek Gedanken über Tod und Unsterblichkeit (1830) – bevatte een dusdanig omstreden inhoud met een uitgesproken materialistisch en antireligieus karakter – leidde ertoe dat zijn aanstelling niet werd verlengd.

Dit betekende in feite het vroege einde van zijn officiële academische carrière.

Persoonlijkheid en verdere levensloop na 1841 Feuerbach stond bekend als verlegen, introspectief en sociaal teruggetrokken. Hij leefde een groot deel van zijn leven in betrekkelijke armoede en afzondering. Hoewel hij trouwde met Bertha Löw, een rijke fabrikantendochter, leidde hij geen actief academisch of maatschappelijk leven. Zijn kritische standpunten — vooral zijn radicale religiekritiek — maakten hem onwelkom aan de universiteiten.

Hij schreef veel, maar kreeg in zijn eigen tijd weinig officiële erkenning. Pas later werd zijn werk breder gewaardeerd, vooral binnen radicale en socialistische kringen. Vanaf 1840 correspondeerde Feuerbach met de nog jonge Karl Marx, die in 1847/1848 echter de facto afscheid zou nemen van de filosofie. Onder invloed van de sociale kwestie, met massale misstanden die het gevolg waren van de snelle industriële revolutie, werd Marx meer een omstreden ideoloog en politiek agitator, die in de rest van de 19e eeuw en ook na zijn dood in 1883 tevens in de 20e eeuw een zeer sterk stempel zou drukken op wereldwijde revolutionaire politieke ontwikkelingen. Daartoe was hij aanvankelijk weliswaar ook indirect geïnspireerd door Feuerbach, die zelf echter vanuit zijn radicale religiekritiek geen uitgesproken opvattingen over maatschappijhervorming uitdroeg. Zijn opvatting, vooral vanuit zijn religiekritiek, was dat de filosofie diende te bewerkstelligen dat de theologie zou moeten plaatsmaken voor een humanistische antropologie.

Sinds de middeleeuwse westerse scholastiek was onder invloed van het geloof alom de opvatting gehuldigd dat de filosofie moest worden gezien als een ancilla theologiae, een dienstmaagd van (dus ondergeschikt aan) de theologie. De term impliceerde dat filosofie geen autonome wetenschap zou zijn en weinig waarde zou hebben, en door de theologie wordt gedicteerd en onderworpen. Feuerbach en ook uitgesproken atheïsten bepleitten een einde van deze ondergeschikte rol.

Marx en zijn medestander Engels gingen na te hebben kennisgenomen van de opvattingen van Feuerbach echter verder met de door hem getrokken conclusies. Zij zagen de bestaande religie die Feuerbach bekritiseerde niet uitsluitend als een door de mens aangehangen illusie". In de door hen ontwikkelde theorie over de klassenstrijd zagen zij de religie tevens als een historisch medeplichtig mechanisme aan de uitbuiting van onderliggende klassen door de "heersende" klassen.Godsdienst is opium van het volk is een gevleugeld geworden uitspraak van Marx in een artikel dat de inleiding vormde van zijn werk Zur Kritik der Hegelschen Rechtsphilosophie. Dat publiceerde hij in 1844 na zijn correspondentie met Feuerbach: met hoop op de beloning in het hiernamaals zouden onderdrukten zich schikken in hun lot.

Marx en de gelijkgezinde Friedrich Engels stelden daarom zelfs dat met Feuerbachs blootleggen van die illusie een eindpunt van de filosofie zou zijn bereikt, in elk geval in Duitsland, dat toen de industriële revolutie doormaakte, en dat de passieve rol ervan diende te worden overgenomen door een actieve rol van de daarbij opgekomen arbeidersbeweging. Die beweging begon zich in het revolutiejaar 1848 sterk te manifesteren. Volgens Marx en Engels, die in dat jaar Das kommunistisch Manifest publiceerden, diende de passieve filosofie plaats te maken voor de ingrijpende maatschappijhervorming waarvoor deze beweging streed, na een eeuwenlang historisch mechanisme van onderdrukking van de onderliggende door de "heersende" klassen, waaraan het opdringen van de religieuze berustende opvatting over een "heil in het hiernamaals" als handlanger zou hebben opgetreden. Feuerbach und der junge Marx : zur Entstehungsgeschichte der marxistischen Weltanschauung, uitg. VEB Deutscher Verlag der Wissenschaften, Berlijn, DDR, 1965 o.a. & , Der junge Marx - Philosophische Schriften, uitg. Promedia 2007.

Feuerbachs opvattingen over God en religie Voor Feuerbach was religie geen openbaring van God, maar een projectie van de menselijke geest: mensen scheppen God naar hun eigen beeld, niet andersom. Deze ideeën werkte hij uit in zijn beroemdste werk "Das Wesen des Christenthums" (1841).

In het eerste hoofdstuk van het eerste deel van dit werk, getiteld, “Gott als Wesen des Verstandes”, stelt Feuerbach dat God in wezen een projectie is van het menselijk verstand. Volgens hem beschouwen mensen hun rationele vermogens – zoals logica, abstractie en inzicht – als iets verhevens en objectiveren deze vermogens buiten zichzelf in de figuur van God. Waar de mens denkt over orde, waarheid en noodzakelijkheid, plaatst hij deze kenmerken in een bovennatuurlijke entiteit. Zo wordt God een symbool van het absolute verstand: alwetend, onfeilbaar en universeel.

Feuerbach betoogt dat deze projectie onbewust gebeurt: de mens realiseert zich niet dat hij zijn eigen vermogens vergoddelijkt. In plaats van te erkennen dat kennis en redelijkheid menselijke eigenschappen zijn, ontkent hij zijn eigen grootsheid en vereert hij deze in een ‘ander’, een transcendente God. Hierdoor raakt de mens vervreemd van zichzelf.

Volgens Feuerbach moet men deze omkering terugdraaien: het is niet God die het verstand bezit, maar de mens. Religieuze concepten moeten worden herleid tot hun menselijke oorsprong. Door God te begrijpen als het veruitwendigde zelfbeeld van het menselijke denken, bevrijdt de mens zichzelf van zelfvervreemding en herwint hij zijn autonomie als denkend wezen.

In het daarop volgende hoofdstuk hoofdstuk “Gott als moralisches Wesen oder Gesetz” uit Das Wesen des Christentums stelde Feuerbach dat het morele karakter van God voortkomt uit de menselijke ervaring van het geweten, de wet en het zedelijk besef. God wordt in religie vaak voorgesteld als de bron van de moraal — als rechtvaardig, goed en heilig — maar volgens Feuerbach is deze voorstelling een projectie van de menselijke moraal zelf. De mens maakt onderscheid tussen goed en kwaad, voelt innerlijk de plicht om rechtvaardig te handelen, en verabsoluteert dat gevoel buiten zichzelf in de vorm van een goddelijke wetgever.