thumb|Schets van Max Stirner door Friedrich Engels Max Stirner, pseudoniem van Johann Caspar Schmidt (Bayreuth, 25 oktober 1806 – Berlijn, 26 juni 1856) was een Duitse filosoof.

Levensloop Stirner werd geboren in 1806 en studeerde aan de universiteiten van Berlijn, Erlangen, en Koningsbergen. In Berlijn volgde hij onder andere de hoorcolleges van G.W.F. Hegel (1770-1831). Tussen 1839 en 1844 was hij leraar geschiedenis en literatuur, maar maakte hij ook deel uit van "die Freien", een groep van leraren, studenten en journalisten onder de hoede van de links-hegeliaan Bruno Bauer (1809-1882).

Zijn voornaamste werk, met als titel Der Einzige und sein Eigentum, werd in 1844 gepubliceerd. Het had destijds een grote weerklank onder 'die Freien' en werd druk becommentarieerd. Een echt commercieel succes werd het echter nooit, en vanaf 1847 zou Stirner een uiterst armoedig bestaan geleid hebben. Hij sloot zich haast volledig af van de gebeurtenissen en ontwikkelingen van zijn tijd -zo ging het revolutiejaar 1848 aan hem voorbij- en schreef nog enkele minder belangrijke werken. Hij vertaalde wel nog een aantal economische werken naar het Duits, zoals de geschriften van Jean-Baptiste Say en Adam Smith. Op 25 juni 1856 overleed hij in bijna volslagen anonimiteit.

De Enige en zijn Eigendom

Bekendheid Max Stirner dankt zijn naamsbekendheid voornamelijk aan dit ene boek uit 1844. Tussen 1900 en 1929 verschenen 14 Duitse, 10 Russische, 7 Japanse en 6 Engelse edities, alsook een Franse, Spaanse, Italiaanse, Poolse en Nederlandse uitgave. Deze laatste dateert van 1907, maar er is een nieuwe in de maak. Het is een moeilijk te doorgronden filosofisch werk en het latere onbegrip is deels te wijten aan een gebrek aan transparantie, deels aan de genadeloze kritiek van Marx en Engels in hun polemisch geschrift De Duitse ideologie (Deel III: Sankt Max). Een en ander is ook de reden waarom Stirner in de academische filosofie niet bepaald hoog staat aangeschreven. Veelal wordt hij gereduceerd tot een zonderlinge voorloper van het anarchisme en het nihilisme, in het beste geval als de eeuwige dissident.

Opgemerkt is ook wel dat zijn opvattingen bewondering zouden genieten van uiteenlopende zijde: zowel van latere anarchisten als van fascisten. Hierop werd gewezen door Helms in Die Ideologie der anonymen Gesellschaft (1966; zie onder Literatuur), terwijl Hogrede in Stirner: das größenwahnsinnige Ich (1987; idem) ook zelfs nog een lijn trekt naar het radicale "eigen gelijk" en het daarop gegronde geweld van de RAF.

Egoïsme Als sleutelbegrip in het gedachtegoed van Stirner fungeert het begrip egoïsme, dat echter waardevrij dient te worden gelezen, ontdaan van de in het dagelijks leven gebruikelijke negatieve connotatie. Stirner introduceerde een onderscheid tussen vrijwillige en onvrijwillige egoïsten. Volgens Stirner is ieder mens egoïst. Onvrijwillige egoïsten zijn in zijn visie diegenen die zich daarvan nog niet bewust zijn en hun egoïsme projecteren op iets heiligs buiten zichzelf: een nobel geacht doel of streven waaraan anderen dan geacht worden zich te onderwerpen, bijdragen te leveren of offers te brengen, en als zelfzuchtig worden verguisd indien zij in gebreke blijven die verwachting te vervullen.

De stijl en structuur van het boek De stijl van Stirner is doorspekt met aforismen, haakjes en aanhalingstekens. Heel anders dan in de conventionele betoogtrant opteerde Stirner soms voor woorden met een gelijkaardige etymologie of aan elkaar verwante formele kenmerken. Deze verwerping van de conventionele betoogtrant heeft te maken met de visie van Stirner op taal en rationaliteit, die door de mens gecreëerd zouden zijn, met uiteindelijk slechts een beklemmende en onderdrukkende werking. Stirner was dan ook van mening dat algemeen geaccepteerde betekenissen van woorden en de traditionele betoogtrant onderschreven en gebezigd worden door mensen die "de waarheid" zien als iets dat afgeschermd is en niet door de mens beheerst kan worden. Het gevolg is dat de creatieve zelfexpressie overboord gegooid wordt en dat men zich schikt in een rol van "dienaar van de waarheid". In schril contrast daarmee poneert Stirner de stelling dat de enige legitieme beperking op het gebruik van de vormelijke aspecten van onze taal, of de vorm van onze betoogtrant, is dat ze onze individuele doelen moet kunnen dienen. Daardoor schermde Stirner zijn werk meteen af van de klassieke epistemologische schema's. thumb|left|Het enig bekend portret van Max Stirner, een schets door Friedrich Engels, echter vermoedelijk niet gelijkend Max Stirner: sein Leben und sein Werk (p.278) Stirner deelde het werk op in twee delen: een eerste deel met als titel De Mens en een tweede deel met als titel Ik. Deze tweedeling was een knipoog naar het destijds actuele werk 'Das Wesen des Christentums' (1841) van Ludwig Feuerbach, waarin de indeling 'God' en 'De Mens' wordt gebruikt. Dit is een van de elementen die wijzen op het sterk ironiserende karakter van 'Der Einzige und sein Eigentum'. Zoals Feuerbach tegenover God de mens plaatst, zo plaatst Stirner tegenover de mens zichzelf, als 'Einzige'.

Stirner als 'laatste hegeliaan' Stirners vertrekpunt is het laatste hoofdstuk van Hegels 'Phänomenologie des Geistes'. In dat hoofdstuk heeft Hegel het over het 'absolute begrip', de 'eindbestemming' van de geschiedenis. De "Phänomenologie des Geistes" beschrijft immers de hele tocht die het bewustzijn aflegde om te komen tot het "absolute begrip". Dit "absolute begrip" is dus ook een staat van het individuele bewustzijn. Op deze laatste passage van de "Phänomenologie des Geistes" gaat Stirner dieper in. Wanneer het bewustzijn tot het "absolute begrip" komt, wordt het ook gelijkgesteld aan het individuele ego en dus eigenlijk met Stirners concept van de "Einzige". Uiteindelijk kunnen we Stirners werk het best opvatten als een antwoord op de vraag:

Welke rol speelt het bewustzijn wanneer het alle vormen van "onware kennis" heeft doorlopen en is opgeklommen tot het absolute?

Volgens de links-hegelianen wordt de complete zelfreflectie van de geest bereikt in de filosofie van Hegel, waardoor de weg wordt opengelegd voor de praxis. Max Stirner was echter een andere mening toegedaan en bespotte hen openlijk door zijn eigen denken ook voor te stellen als opgeklommen tot het "absolute".

Er zijn meer bepaald drie aan elkaar verwante hegeliaanse principes die in het denken van Stirner geradicaliseerd of liever geïroniseerd werden.

De weg naar kennis is de weg naar het pure zelfbewustzijn en de mens die tot het "absolute begrip" is gekomen, is dus volledig en volmaakt zelfbewust. Deze volmaakte toestand van bewustzijn wordt door Stirner geïnterpreteerd als een overstijgen van de onderwerping van het bewustzijn aan abstracte ideeën als "de staat" en "de mensheid". Hegel had de filosofie de opdracht gegeven om abstracte begrippen concreet te maken en ze dus "op te heffen" of op een hoger plan te brengen (Aufhebung), door middel van de dialectiek. Aangezien Stirner zogezegd opgeklommen was tot het absolute bewustzijn, was het eveneens logisch dat hij zich niet langer onderwierp aan de uitingen van wat Hegel de "objectieve Geest" had genoemd, met name "de staat", enz... Stirner heft die begrippen eveneens op, maar hij doet dit niet via de dialectiek. De dialectiek is immers niet langer nodig wanneer de menselijke "ervaring" (is subjectief en niet volledig waar of concreet) niet langer bestaat (ze is immers vervangen door het "absolute begrip" of het "absolute begrijpen") en er derhalve ook geen noodzaak meer is tot zelfkritiek binnen het menselijke denken. Vóór het bereiken van het "absolute begrip" is de mens er zich van bewust geworden dat alles "waar" is, maar dat deze "ervaring" slechts een gedeeltelijke waarheid is, want elke gebeurtenis, elk moment in het denken is slechts een schakel in een dialectisch proces. Aangezien volgens Hegel de mens die tot het "absolute begrip" komt volmaakt zelfbewust is, kan Stirner alle abstracte concepten en ideeën die bestonden, afbreken en verwerpen op basis van dit "absolute begrip" en hoeft en kan hij de dialectiek niet meer gebruiken, zoals Hegel wel had vooropgesteld. Stirner grijpt dus de laatste passage van de "Phänomenologie des Geistes" aan, waarin beschreven stond wat de laatste fase van de menselijke ontwikkeling en het "absolute begrip" zou inhouden, om alle "abstracte ideeën" ondergeschikt te maken aan het concept van de "Einzige". Hij keert de wapens van de links-hegelianen dus tegen henzelf. Hij gebruikt de stelling van Hegel dat de mens die tot het "absolute begrip" is gekomen, volkomen zelfbewust is (en dus geen abstracte maar een concrete "ik" is) om alles wat dit concrete "ik" (de "enige" of "Einziger") nog kan onderwerpen, overboord te gooien, namelijk onder andere "de mensheid" en "de staat". Aangezien het concrete "ik" zelfbewust is, aangezien het tot het "absolute begrip" gekomen is, kan er niets meer tegenover dit "ik" geplaatst worden binnen een eventueel dialectisch model.