thumb|Het bestand wordt afgekondigd in Antwerpen vanaf het stadhuis (Simon Frisius).
Het Twaalfjarig Bestand of Treves (van het Franse woord voor 'bestand', trêve) was een periode van twaalf jaar van wapenstilstand gedurende de Tachtigjarige Oorlog waarin niet of nauwelijks tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en de Habsburgse Nederlanden (juridisch afhankelijk van het Spaanse Rijk) werd gevochten. Het bestand duurde van 1609 tot 1621. Spanje erkende in 1607 (voorlopig bestand) de facto en 1609 de jure de soevereiniteit van de republiek op aandringen van Johan van Oldenbarnevelt. Engeland en Frankrijk volgden in 1609.https://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/24889/de-spanjaarden-wilden-helemaal-geen-vrede.htmlhttps://research.vu.nl/ws/portalfiles/portal/2338737/209296.pdfhttps://www.trouw.nl/cultuur-media/expositie-twaalfjarig-bestand~b60dd63a/ Het verdrag zelf wordt, vooral in het buitenland, ook wel het Verdrag van Antwerpen genoemd. thumb|Twaalfjarig bestand
In 1621 werden de vijandelijkheden hervat. De oprichting van de West-Indische Compagnie dateert ook uit dat jaar.
Aanloop Staatse successen Sinds de jaren 1560 waren de Staatsen verwikkeld in een strijd met het Spaanse Rijk, de Tachtigjarige Oorlog. Het conflict was een godsdienstoorlog vermengd met worstelingen over de Nederlandse adellijke, stedelijke en gewestelijke autonomie of privileges op politiek en financieel terrein ten opzichte van de centralistische absolute Spaanse monarchie. Nadat verzoening onmogelijk bleek, verklaarde het door opstandige Staten-Generaal beheerste gebied zich in 1581 middels het Plakkaat van Verlatinghe onafhankelijk en tot slot in 1588 een republiek. In deze periode, gekend als Parma's negen jaren (1579–1588), leden de rebellen gevoelige nederlagen door het verlies van bijna alle Zuidelijke Nederlanden waaronder de belangrijke steden Antwerpen en Brussel (1585), veel noordoostelijke gebieden na het Verraad van Rennenberg (1580) en het vermoorden van de invloedrijkste rebellenleider Willem van Oranje (1584). De verwoesting van de Spaanse Armada in 1588 deed echter de kansen keren. In de zogenaamde Tien jaren (1588–1598) werden er grote successen behaald door de Republiek. Dit was onder andere te danken aan het politieke leiderschap van de landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt en de stadhouders en legeraanvoerders Maurits van Nassau (de latere prins van Oranje) en zijn neef Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg. Het was voor de Nederlandse Republiek een zware en trage uitputtingsslag maar tegelijkertijd profiteerde de overzeese handel en industrie flink van de situatie. Tot dan toe zag de politiek daarom absoluut geen reden om te onderhandelen over een vrede. De Spaanse troepen werden geheel uit het noorden en oosten verdreven, waardoor een aaneengesloten gebied ontstond dat tamelijk veilig was. Dit Nederlandse succes was mede mogelijk door een Spaans bankroet en de tweefrontenstrijd die Spanje door de oorlog met Frankrijk moest leveren. In 1596 sloot de Republiek bovendien de Triple Alliantie, een bondgenootschap met Frankrijk en Engeland tegen Spanje; daarmee verwierf de Republiek de facto al de eerste diplomatieke erkenningen. Frankrijk verbrak dit verbond echter door op 2 mei 1598 met Spanje apart de Vrede van Vervins te sluiten.
Akte van Afstand (1598) thumb|De situatie vanaf de patstelling in 1606 tot het einde van de wapenstilstand. Groenlo en Oldenzaal in het oosten van de Republiek zijn in Spaanse handen
In 1598 werden de Nederlanden, inclusief de delen waar Filips II geen macht over had, middels de Akte van Afstand door Filips II geschonken als bruidsschat bij het huwelijk van de aartshertogen Isabella en Albrecht van Oostenrijk. De koning hoopte dat zijn dochter Isabella en haar man beter in staat zouden zijn de Nederlanden volledig onder Habsburgs gezag te plaatsen. Het paar zou een nieuwe dynastie stichten en officieel als soeverein over de Zuidelijke Nederlanden regeren, maar was nog wel militair, financieel en diplomatiek afhankelijk van Spanje. Dit kwam door geheime clausules in de Akte van Afstand, die bepaalden dat de Spaanse koning het hoogste militaire gezag behield en het recht had om er de opperbevelhebber en de gouverneurs van de belangrijkste vestingen te benoemen en verantwoordelijk bleef voor de soldij van de troepen in de Nederlanden. Bovendien moesten Albrecht en Isabella zich nog steeds politiek schikken naar de wensen van de koning van Spanje. Op 13 september 1598 overleed Filips II. Zijn zoon, de minder capabele Filips III, volgde hem op in Spanje, Portugal en de Spaanse en Portugese koloniën. Als het huwelijk van Albrecht en Isabella kinderloos zou blijven, zouden Filips III en zijn afstammelingen de Nederlanden erven. Toen Albrecht, die toen al landvoogd over de Nederlanden was en in Brussel resideerde, op 21 augustus aan de Zuidelijke Staten-Generaal het koninklijk besluit bekendmaakte dat hij met Isabella zou gaan trouwen en daarmee soeverein over de Nederlanden zou worden, reageerden de Staten met verbazing, omdat Filips II hen niet had gewaarschuwd voor deze gewijzigde erfregeling, laat staan met hen had overlegd. Zij vroegen Albrecht nog om de voorwaarden van de machtsoverdracht te bespreken, maar kregen daartoe de gelegenheid niet. De geheime clausules waarmee het Oostenrijkse aartshertogelijke paar nog steeds ondergeschikt bleef aan Filips III werden ook niet aan de Staten-Generaal medegedeeld.
Stokkende strijd In de jaren voor de wapenstilstand stokte de reeks van successen voor de Nederlanders. Om de Nederlandse handel beter te beschermen hadden Oldenbarnevelt en de Staten Maurits in 1600 de opdracht gegeven Duinkerke te veroveren. Deze plaats was samen met Nieuwpoort een kapersnest en bracht grote schade toe aan Nederlandse schepen. Maurits had bezwaren tegen de tocht maar legde zich neer bij de opdracht. Tijdens de tocht naar Duinkerke werd Maurits verrast door de komst van een Zuidelijk leger. Onverwachts moest er bij Nieuwpoort een veldslag gevoerd worden die gewonnen werd door de stadhouder. De veldtocht naar Duinkerke werd afgebroken. Op dat moment was het verschil in inzicht duidelijk en was de relatie tussen Maurits en Oldenbarnevelt bekoeld geraakt.
In 1601 begon de belegering van Oostende door aartshertog Albrecht die 3 jaar zou duren. Later zou de Genuees Spinola de leiding over het Spaanse leger krijgen. Oostende was een stad in handen van het noorden midden in Spaans gebied. Gedurende het beleg probeerde het noorden het Spaanse belegeringsleger weg te lokken van Oostende met aanvallen op andere steden, echter zonder succes. In 1604 viel de stad in Spaanse handen. Datzelfde jaar sloot ook Engeland een aparte vrede met Spanje en zo stond de Republiek er weer alleen voor. De jaren na het beleg van Oostende werden door Spinola gebruikt om een gat in de Nederlandse verdedigingslinie te slaan door razendsnel meerdere steden in het oosten van de Republiek te veroveren: Spinola's veldtocht van 1605-1606. Dit leidde tot grote paniek onder de bevolking. Maurits kon nog een aantal steden heroveren, maar ook voor de Republiek gold dat het geld opraakte. Hoewel Engeland en Frankrijk al vrede hadden gesloten met Spanje, wilden ze de Staatsen wel indirect financieel blijven steunen, maar onder ongunstige voorwaarden; zo wilde Hendrik IV van Frankrijk graag koning worden van de Zeven Verenigde Nederlanden, wat de rebellen echter niet zagen zitten. Er werd in 1605 in Den Haag nog wel een subsidieverdrag gesloten met de protestantse Duitse keurvorsten van Brandenburg en de Palts, maar de Republiek kon de oorlogskosten nauwelijks meer dragen. Dit zorgde in 1606 voor een patstelling. Was er op het land een patstelling ontstaan, op het water waren de Nederlanders nog oppermachtig. De Nederlanders begonnen vanaf 1594 naar Oost-Indië te varen met de zogeheten voorcompagnieën, die op 20 maart 1602 op last van de Noordelijke Staten-Generaal werden gefuseerd tot de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), met het exclusieve recht op alle Nederlandse scheepvaart en handel in Azië en Oost-Indië, waaronder het recht om verdragen te sluiten, oorlog te verklaren en voeren, forten en handelsposten te bouwen.Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993–2002) s.v. "Verenigde Oost-Indische Compagnie. §1. Ontstaansgeschiedenis". Microsoft Corporation/Het Spectrum. Op 25 april 1607 werd onder leiding van Jacob van Heemskerck een Spaans eskader bij Gibraltar verslagen.
De Zuidelijke Nederlanden waren zodanig uitgeput van het al veertig jaar durende continue oorlogsgeweld sinds 1576 dat zij de soldaten niet zelf meer konden betalen. Ondertussen klaagde Spinola, die sinds 1604 de verantwoordelijkheid kreeg over de Zuid-Nederlandse oorlogsfinanciën en in 1605 opperbevelhebber werd, elk jaar fel bij Madrid dat er meer Spaans geld nodig was om de Republiek te verslaan, terwijl Madrid juist steeds minder geld te besteden had en hem in 1606 zelfs verbood om aan het Madrileense hof te verschijnen; daarom drong Spinola daarna middels vertegenwoordigers aan op meer geld. In 1607 ging Filips III failliet en kon daardoor de soldij van de Habsburgse troepen in de Nederlanden ook niet meer betalen. Albrecht was wegens dit geldgebrek daarom eerder al de drijvende kracht aan Habsburgse zijde geweest achter de vredesverdragen met Frankrijk en Engeland in 1598 respectievelijk 1604; in 1607 was hij ook de grootste pleitbezorger van een vrede of wapenstilstand met de Republiek.
Houding tegenover een vrede In de Republiek Rond de eeuwwisseling werd het enthousiasme in de Republiek voor de oorlog minder. De militaire kosten die enorm toenamen, de Republiek die militair in de verdediging werd gedwongen en de economie die haperde zorgden voor een sombere stemming. De economische neergang ontstond onder meer doordat het Spaanse handelsembargo voor Engelse schepen werd opgeheven in 1604, waar die met de Nederlanders behouden bleef. Doordat een vrede naderend was kwamen in de Republiek de tegenstellingen tussen voor- en tegenstanders nadrukkelijker naar voren. In provincies waar de voorgaande jaren het meeste was gevochten, zoals Groningen, Overijssel en Gelre was de roep om vrede het grootst. In Holland en Friesland werd die roep gedeeld door handelaren die schade ondervonden van de oorlog. Daarnaast waren er voorstanders van een vrede te vinden onder de gematigden in vooral Holland en Utrecht. In Zeeland was de meerderheid tegen een vrede. Tegenstanders aldaar waren bang voor de nabijheid van Vlaanderen en veel Zeeuwen verdienden aan de blokkade van Antwerpen en kaapvaart. In het land waren ook veel tegenstanders te vinden onder orthodoxe calvinisten. Die wilden de katholieken helemaal niet met rust laten. Vanuit deze groep waren veel initiatiefnemers voor de oprichting van een West-Indische Compagnie om ook in de Nieuwe Wereld de Spanjaarden dwars te zitten.
Voorstanders van vrede stonden veelal aan de zijde van Van Oldenbarnevelt, alhoewel hij niet tegen iedere prijs vrede wenste. Tegenstanders vonden steun bij Maurits. Die was faliekant tegen een vrede, omdat hij verwachtte dat Spanje zich er nooit lang aan zou houden. Ook zag Maurits in dat hij vanuit zijn functie meer macht in oorlogstijd zou hebben dan daarbuiten.
Onder de Habsburgers