Johan van Oldenbarnevelt (Amersfoort, 14 september 1547 – Den Haag, 13 mei 1619) was van 1586 tot 1619 raadpensionaris van Holland. Hij was daarmee de belangrijkste bestuurder in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Eerder was hij van 1576 tot 1586 pensionaris van Rotterdam. Lange tijd werkte hij nauw samen met prins Maurits van Oranje, die hem uiteindelijk beschuldigde van landverraad. Oldenbarnevelt werd tot de doodstraf veroordeeld en de volgende dag op het Binnenhof in het openbaar onthoofd. Na enkele eeuwen kreeg hij eerherstel. In de twintigste eeuw kreeg hij een standbeeld bij het stadhuis van Rotterdam en koningin Juliana onthulde er een in Den Haag. De hoogste onderscheiding van de gemeente Rotterdam is naar hem vernoemd; de Van Oldenbarneveltpenning. Verscheidene Nederlandse plaatsen hebben een plein, laan of straat naar hem vernoemd.
Biografie Jeugd en studie thumb|Bollenburg, het huis waar Johan van Oldenbarnevelt opgroeide
Johan van Oldenbarnevelt werd geboren op 14 september 1547 in of nabij Amersfoort en groeide op in een katholiek gezin. Zijn vader, Gerrit van Oldenbarnevelt, was veehandelaar en sekwester. Hij kreeg vanwege zijn slechte reputatie de bijnaam "Gerretgen Sleght", wat zoiets betekende als eenvoudig of simpel. Hij stond niet goed bekend; hij dronk en werd verschillende keren voor het gerecht gedaagd. Zijn moeder Deliana van Weede (ca. 1524-1587) kwam uit de goede en rijke familie Van Weede. Uit deze familie kreeg Johan op zesjarige leeftijd een erfenis waardoor hij later kon gaan studeren. Van zijn jeugd is weinig bekend. Een deel van de informatie is afkomstig van zijn korte autobiografie, de Remonstrantie, die Van Oldenbarnevelt een jaar voor zijn dood schreef als verdediging op de vele aantijgingen naar hem.
Van Oldenbarnevelt had twee broers en vier zussen. Broer Reinier was hopman in het Staatse leger en werd vaak in ongunstige zin genoemd. Hij werd dankzij Van Oldenbarnevelt in 1599 tot baljuw en ruwaard van Putten benoemd. Zijn jongere broer Elias maakte zich verdienstelijk als pensionaris van Rotterdam, Van Oldenbarnevelt opvolgend. Een zus Odilia huwde in 1591 met de Utrechtse glasschilder Gerrit Gerritszn. van Raetsvelt.
Hij groeide op in het huis Bollenburg in de Muurhuizen. Waarschijnlijk ging Van Oldenbarnevelt van zijn zevende tot zestiende levensjaar naar de Latijnse school aan de Appelmarkt in Amersfoort.
Op zijn zestiende vertrok hij naar Den Haag om bij een advocaat te werken. Toen begon zijn langzame evolutie richting het protestantisme. Zo verklaarde hij dat 1564 het jaar was dat hij vijand werd van alle gewetensdwang. Gewetensdwang was in die periode een veelbesproken onderwerp in Den Haag, doordat stadhouder Willem van Oranje het om die reden opnam tegen de meest invloedrijke raadgever aan het hof in Brussel, kardinaal Granvelle.
In 1566 schreef Van Oldenbarnevelt zich in aan de Universiteit Leuven en begon daar aan zijn rechtenstudie. Wellicht vanwege de onrust in de Nederlanden, maar meer voor de hand liggend, vanwege het juridisch humanisme en de vernieuwingen in de rechtswetenschap in Bourges, besloot Van Oldenbarnevelt nog datzelfde jaar of in 1567 naar de Universiteit van Bourges te gaan. Daar was hij maar kort vanwege het uitbreken van de Tweede Hugenotenoorlog. Hierop schreef hij zich in 1567 in aan de Universiteit van Keulen. Ook hier bleef hij niet lang want in 1568 ging hij studeren aan de Universiteit van Heidelberg. Hij koos bewust voor het calvinistische Heidelberg en hier zou hij zich ook aansluiten bij het calvinisme. Het laatste jaar van zijn studietijd besteedde hij tussen 1569 en 1570 in Italië, aan de Universiteit van Padua.
Aansluiting bij Willem van Oranje thumb|right|Maria van Utrecht, de vrouw van Johan van Oldenbarnevelt, door Paulus Moreelse, 1615
Nadat Van Oldenbarnevelt in 1570 terugkeerde uit Padua schreef hij zich in als advocaat bij het Hof van Holland in Den Haag. Het Hof was in die tijd een bestuursorgaan en het hoogste gerechtshof van het graafschap Holland. Als advocaat was hij gespecialiseerd in onderwerpen die grensden aan het burgerlijk recht en staatsrecht. De Nederlandse Opstand woedde in de Lage Landen en toen het strijdtoneel in 1572 Holland bereikte, vluchtte het merendeel van het koningsgezinde personeel van de overheidsinstanties naar Utrecht. Van Oldenbarnevelt was met nog een advocaat de enige van het hof die in Den Haag bleven waarmee hij duidelijk voor de Opstand koos.
Het nieuwe hof van de opstandelingen vertrok naar Delft dat vanwege de ommuring veiliger was. Van Oldenbarnevelt verhuisde mee naar Delft en had in Delft geregeld contact met Willem van Oranje en zijn adviseurs. Via zijn connectie met een van die adviseurs, kreeg hij diverse lastige klussen. Zo werd hij tijdens het Beleg van Leiden benoemd tot commissaris voor het doorsteken van de dijken in Zuid-Holland. Echt gevochten in de opstand heeft Johan niet. Alleen bij het ontzet van Haarlem (1573) zou hij als vrijwilliger hebben deelgenomen aan een burgermilitie. Na het beleg van Leiden ging hij namens de Staten van Holland met meer regelmaat zaken voeren voor het Hof van Holland. Wat voor zaken dit waren is niet bekend maar waarschijnlijk betrof dit civiele processen, over waterschade, goederen van vluchtelingen en bezittingen van religieuze instellingen. Daarnaast was hij advocaat in twee strafrechtelijke procedures.
Hij trouwde in 1575 met de rijke Delftse buitenechtelijke regentendochter Maria van Utrecht, enig erfgename van vijf heerlijkheden. Voor zij trouwden, zorgde Johan als advocaat eerst dat Maria erkend werd als dochter van haar vader bij het Hof van Holland, zodat zij in aanmerking kwam voor de erfenis van haar oom. Uit hun huwelijk zouden minstens vijf kinderen voortkomen van wie er vier de volwassen leeftijd bereikten.
Een jaar na het huwelijk werd hij pensionaris van Rotterdam, in die tijd een snel groeiende, maar nog kleine stad. Daar viel hij op vanwege zijn werklust en intelligentie. Een belangrijke taak van de pensionaris, dat hem zeker de helft van zijn tijd kostte, was het vertegenwoordigen van de stad in de Staten van Holland. Daarnaast voerde hij onderhandelingen over allerlei onderwerpen in naam van de stad met andere steden, Willem van Oranje of met legerofficieren. Vanwege zijn bekwaamheid als onderhandelaar had hij een rol in het tot stand komen van de Unie van Utrecht, werd hij in de Statencommissies financiën en marine benoemd en vanaf 1580 nam hij namens de Staten ook regelmatig zitting in de Staten-Generaal. In de resterende tijd maakte hij ook werk van hervormingen in Rotterdam. Zo verbeterde hij de inning van belastingen en de controle daarop, verbeterde hij de stadsboekhouding en was hij betrokken bij de plannen voor de uitbreiding van de haven. Als stadspensionaris moest hij constant schipperen tussen belangen en bestuurlijke inzichten en in deze positie heeft hij dan ook veel ervaring kunnen opdoen. Nadat Van Oldenbarnevelt in 1582 de vertrouwenspersoon van Willem van Oranje was geworden, en de Staten-Generaal met de prins naar Delft waren verhuisd, groeide de macht van Van Oldenbarnevelt.
Landsadvocaat thumb|right|Robert Dudley, graaf van Leicester was tussen 1585 en 1587 gouverneur-generaal van de Nederlanden en Van Oldenbarnevelts grootste tegenstander.
Nadat de Spaanse koning als landsheer was afgezworen, zochten de Staten van Holland naar een nieuwe soeverein. Van Oldenbarnevelt ijverde om de titel van graaf aan Willem van Oranje te geven, maar voordat dit werkelijkheid kon worden, werd Oranje op 10 juli 1584 vermoord. Na de moord kon dat plan niet meer doorgaan en het was geen optie om de titel aan Willems oudste zoon Filips Willem van Oranje te geven want die zat gevangen in Spanje, en zijn tweede zoon Maurits van Nassau werd te onervaren geacht. In het zuiden was het Spaanse leger onder leiding van de hertog van Parma met een snelle opmars begonnen en vanwege die dreiging werd haastig naar buitenlandse hulp gezocht. De Franse koning hield de boot af en de enige hoop was te verwachten uit Engeland. Van Oldenbarnevelt was een van de afgevaardigden die naar Engeland afreisde om de soevereiniteit aan koningin Elizabeth I van Engeland aan te bieden. De soevereiniteit weigerde Elizabeth, maar wel zond zij de graaf van Leicester met een troepenmacht van 6000 man als steun tegen de Spanjaarden.
Tijdens de korte periode van Leicesters aanwezigheid raakte de Nederlandse politiek in een diepe crisis. (2008): De Republiek 1477-1806, blz. 247 Leicester had de opdracht om samen met een nieuwe Raad van State het hoogste gezag in de Nederlanden uit te oefenen. De Staten van Holland, die tot dan toe een leidende rol hadden in de Unie van Utrecht, vreesde dat Leicesters streven naar een machtig centraal landsbestuur in Utrecht, ten koste zou gaan van de autonomie van Holland. Om die reden werd Maurits van Nassau, nog voor de komst van Leicester, benoemd tot stadhouder, kapitein-generaal en admiraal van Holland en Zeeland, zodat die functie niet door Leicester uitgedeeld kon worden. Vooral Van Oldenbarnevelt had zich hier sterk voor gemaakt.
Begin maart 1586 werd Van Oldenbarnevelt tot landsadvocaat van Holland benoemd. Hij was, vanwege zijn getoonde daadkracht en ruime ervaring, de persoon die kon zorgen dat aan de Hollandse privileges niet werd getornd. De landsadvocaat was formeel gezien slechts een rechtsgeleerd raadsman, maar Van Oldenbarnevelt slaagde erin de functie meer gewicht te geven. Hij leidde vergaderingen en alle besluiten en uitgaande stukken gingen via zijn hand. In die periode zou Van Oldenbarnevelt Leicesters grootste tegenstander worden. Meerdere malen kwamen zij met elkaar in botsing omdat Leicesters werkwijze inging tegen de rechten van Holland. Uiteindelijk leverde Van Oldenbarnevelt de knappe prestaties door Leicester in 1587 weg te werken, Hollands hegemonie te herstellen en de Engelse steun veilig te stellen. Hij legde hiermee de grondslag van de Nederlandse onafhankelijkheid. (2019): De man en zijn staat, Johan van Oldenbarnevelt 1547-1619, blz. 77
Het vertrek van Leicester was een overwinning voor Van Oldenbarnevelt, maar om de invloed van Holland verder uit te breiden, was het nodig om de invloed van de Staten-Generaal, waarin Van Oldenbarnevelt als woordvoerder van Holland een grote stem had, uit te breiden ten kostte van de Raad van State. Deze politiek leverde in het land veel anti-Hollandse sentimenten op, en zelfs in Holland waren er steden die een centraal geleid bestuur verkozen boven geleid te worden door de Staten. Van Oldenbarnevelt liet een document opstellen, de Corte Vertoninghe, en in naam van de Staten-Generaal verspreiden waarin geargumenteerd werd waarom dit keer geen buitenlandse soeverein gezocht moest worden en de macht bij de Staten moest liggen. Het risico bestond dat door Van Oldenbarnevelts werkwijze, koningin Elizabeth haar handen van de Nederlanden zou aftrekken, wat een slechte zaak zou zijn aangezien grote delen van de opstandige Nederlanden door Spaanse troepen bezet en bedreigd werden. De komst van de Spaanse Armada en de dreigende invasie van Engeland kwam als geroepen want het verzekerde de noodzakelijke steun van Elizabeth. Hierdoor kreeg Van Oldenbarnevelt vrij spel en breidde de macht van de Staten-Generaal zich uit ten kostte van de Raad van State. De Raad van State werd een nuttige administratieve instantie voor financiën en oorlogsvoering.
Samenwerking met Maurits thumb|left|Maurits van Nassau, sinds 1585 stadhouder van Holland en Zeeland, kreeg de stadhouderschappen van Utrecht, Gelderland en Overijssel in 1591 en 1592 door inspanningen van Oldenbarnevelt. Door Michiel van Mierevelt, circa 1607 - 1610.
Vanaf 1588 zou de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een tienjarige periode van voorspoed tegemoet gaan. Dit was mede mogelijk door de interne stabiliteit die Van Oldenbarnevelt schiep en zijn diplomatieke vaardigheden.