Een optie geeft een partij, de optiehouder, het recht om, doorgaans binnen een bepaalde termijn, een vooraf omschreven overeenkomst te sluiten. Dat kan bijvoorbeeld een koop-, huur- of verlengingsovereenkomst zijn. De prijs hoeft niet altijd vooraf exact vast te staan, maar de inhoud van de beoogde overeenkomst moet wel voldoende bepaalbaar zijn.

Volgens artikel 6:219 lid 3 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek geldt een optiebeding als een onherroepelijk aanbod. De aanbieder kan dit aanbod gedurende de geldende termijn niet intrekken. De andere partij, de optiehouder, is niet verplicht de beoogde overeenkomst te sluiten, maar kan wel gebonden zijn aan andere afspraken uit het optiebeding, zoals de betaling van een optievergoeding.

Door de optie tijdig en volgens de afgesproken voorwaarden uit te oefenen, aanvaardt de optiehouder het aanbod. Daarmee komt de beoogde overeenkomst tot stand volgens de hoofdregel van artikel 6:217 lid 1 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek.

Wie bijvoorbeeld een koopoptie neemt op een huis heeft dat huis nog niet gekocht, maar verzekert zich voor een korte periode van de mogelijkheid om te kopen. De verkoper mag het huis gedurende die periode niet aan een ander verkopen. Een dergelijke optie heeft een looptijd van enkele dagen en wordt vaak gratis geboden.

Wie een koopoptie neemt op een aandeel, koopt het recht om het aandeel voor een bepaalde prijs te kopen. Hij betaalt daarvoor een bedrag aan degene die het recht verleent.

Een optie is een afgeleid product, ofwel een derivaat. De waarde van de optie is gebaseerd op de waarde van het onderliggende product, de looptijd, de beweeglijkheid van de prijs van de onderliggende waarde en de rente.

Geschiedenis Al in de klassieke oudheid kunnen we opties terugvinden. Ten tijde van de Oude Grieken werden opties bijvoorbeeld verhandeld op het gebruik van olijfpersen. Als de olijfoogst bijzonder goed was, waren er veel persen nodig; viel de oogst juist tegen, dan was er weinig behoefte aan deze apparatuur. Hoewel het mechanisme van de optie dus al geruime tijd bekend is moest men eerst tot een vorm van standaardisatie komen voordat ze op een effectenbeurs verhandelbaar konden worden. Iemand die een recht heeft om ofwel driehonderd olijfpersen te gebruiken, ofwel nul, kan immers niet handelen met iemand die er maar 25 nodig heeft. Bovendien moest ervoor gezorgd worden dat de looptijden van bepaalde rechten gelijk zouden luiden. In het begin van de 20e eeuw werden er door commissionairs ook al hausse en baisse premies verhandeld. Na standaardisering werden opties geschikt voor een beursverhandeling, waarbij het gros van de opties tegenwoordig niet meer noteert op zaken als olijfpersen en huizen, maar veelal gehandeld wordt in opties met aandelen of obligaties als onderliggende waarde. Ook worden opties verhandeld in bulkgoederen als olie en graan, en waarden zoals goud of de AEX index.

De beurshandel in gestandaardiseerde opties zoals die tegenwoordig bekend zijn begon in 1973 in Chicago aan de Chicago Board of Trade. In Europa begon de optiehandel op 4 april 1978 in Amsterdam met de EOE European Options Exchange.

Callopties Wie een calloptie koopt, krijgt daarmee het recht om een bepaalde onderliggende waarde binnen een gedefinieerde periode te kopen tegen een van tevoren vastgestelde prijs. Het bedrag waartegen de optie wordt verhandeld noemt men de optiepremie en is tevens de investering en daarmee het maximale verlies van de investering.

Wie een calloptie schrijft, verplicht zich ertoe een onderliggende waarde tegen een van tevoren vastgestelde prijs te verkopen. Deze plicht is alleen actueel als de koers van het aandeel boven de uitoefenprijs van de optie ligt. De schrijver ontvangt als compensatie de premie ofwel de prijs van de optie.

Wanneer aan het eind van de looptijd (bij expiratie) van de optie de prijs van de onderliggende waarde onder de afgesproken uitoefenprijs ligt, zal de optie geen waarde meer hebben. Men kan immers deze onderliggende waarde goedkoper kopen dan voor de afgesproken prijs. Ligt de prijs echter hoger dan de uitoefenprijs, dan heeft de optie intrinsieke waarde en zal de koper zijn recht uitoefenen door de aandelen voor de afgesproken prijs te kopen. Of in plaats daarvan de optie te verkopen.

Putopties Een putoptie is een afspraak tussen koper en verkoper om een bepaalde onderliggende waarde tegen een bepaalde prijs binnen een bepaalde periode te verkopen tegen een afgesproken prijs. De koper van een putoptie heeft een recht gekocht om een onderliggende waarde tegen een van tevoren afgesproken koers te verkopen. Voor deze optie betaalt de koper aan de verkoper een bedrag, de premie.

De schrijver (verkoper) van een putoptie verplicht zich ertoe een onderliggende waarde te kopen tegen de afgesproken prijs. Als vergoeding ontvangt de schrijver van de koper het premiebedrag.

Wanneer aan het eind van de looptijd (bij expiratie) van de optie de handelsprijs van de onderliggende waarde boven de afgesproken prijs ligt zal de optie geen waarde meer hebben. Men kan immers zonder de optie de onderliggende waarde duurder verkopen. Ligt de prijs echter lager dan de op de optie vastgelegde prijs, dan zal de optiehouder zijn recht uitoefenen en moet de schrijver zijn plicht nakomen door de onderliggende waarde te kopen tegen de afgesproken prijs.

Looptijd en expiratie Voor normale opties zijn gestandaardiseerde looptijden afgesproken. Deze looptijden eindigen doorgaans op de derde vrijdag van de desbetreffende maand (Officieel: de zaterdag na de derde vrijdag van de desbetreffende maand). De 'december 2007-opties' liepen bijvoorbeeld af op 21 december 2007. Het aflopen van contracten noemt men expiratie. Op een expiratiedag kan er veel handel plaatsvinden, omdat partijen dan hun posities afwikkelen en eventueel weer andere posities aangaan met een andere looptijd (Dit wordt doorrollen genoemd).

Voor de Nederlandse indexopties verloopt de expiratie tussen 15:30 en 16:00. Elke minuut wordt de stand van de AEX bepaald, zodat het expiratieniveau van deze index ongeveer het gemiddelde is van de stand gedurende dit half uur. Door deze constructie met gemiddeldes wordt voorkomen dat het expiratieniveau gemanipuleerd wordt. De aandelenopties kunnen in Amsterdam tot acht uur 's avonds op de expiratievrijdag worden uitgeoefend.

Weekopties en dagopties Op 26 mei 2006 heeft Euronext voor het eerst in Europa opties geïntroduceerd met een looptijd van een week. Deze weekopties op de AEX Index beginnen elke vrijdag met handelen en lopen zeven dagen later af. Alleen tijdens de expiratieweek van de normale opties worden er geen nieuwe weekopties geïntroduceerd. Euronext is op 31 maart 2008 van start gegaan met opties met een looptijd van slechts één dag. Deze opties zullen de dag nadat ze geïntroduceerd zijn aflopen, en hebben behalve de dagoptie die het weekend overspant dus een looptijd van 31 uur (van negen uur 's ochtends tot vier uur in de middag de dag daarna). De handel in deze kortlopende opties is een groot succes gebleken.

Amerikaanse versus Europese stijl Er wordt bij opties onderscheid gemaakt tussen Amerikaanse en Europese stijl. Bij Amerikaanse stijl kan de optie gedurende de hele looptijd uitgeoefend worden. Bij Europese stijl kan de optie alleen op de afloopdatum uitgeoefend worden. Bovendien vindt bij de opties Amerikaanse stijl de afwikkeling fysiek plaats terwijl bij de opties Europese stijl dit cash gebeurt.voor meer details over de verschillen Exotische opties zoals de Bermudan en Canarian opties zijn een soort mengvorm, deze kunnen alleen tussen vooraf gestelde intervallen uitgeoefend worden. De benaming Amerikaans of Europees heeft verder geen enkele betrekking op de opties in de Verenigde Staten of in Europa; op beide markten zijn aandelenopties over het algemeen "Amerikaans" en indexopties "Europees".

Waardering van een optie Het is niet mogelijk om de exacte prijs van een optie te bepalen omdat er geen zekerheid bestaat over het verloop van de onderliggende waarde in de toekomst. Om met deze onzekerheid om te gaan maakt men een inschatting van de verwachte volatiliteit van de onderliggende waarde, ongeacht de richting van de beweging. Dit zegt iets over kans dat een bepaald koersniveau gehaald kan worden of juist niet. Overige variabelen die van belang zijn voor de prijsbepaling van opties zijn concreter en vaak bekend. Met behulp van het Black en Scholes model of een binomiaal model kan men de prijs van een optie bepalen. De berekende prijs blijft echter het resultaat van de variabelen die men gebruikt in het model. Beleggers kunnen ook verschillende variabelen gebruiken, waardoor andere berekende prijzen worden gegeven. De koers die voor een optie tot stand komt, komt dan ook tot stand op basis van bied- en laatkoersen die door verschillende partijen kunnen worden verstrekt.

thumb|Ontwikkeling van de intrinsieke waarde van een calloptie afgezet tegen de koers van de onderliggende waarde Een optie heeft een intrinsieke waarde wanneer de beurskoers boven de uitoefenprijs ligt bij een calloptie of wanneer de beurskoers onder de uitoefenprijs ligt bij een putoptie: de intrinsieke waarde is het verschil. In de grafiek hiernaast: bij een uitoefenprijs van 20 euro heeft de optie een intrinsieke waarde boven die 20 euro. Hierbij moet wel worden bedacht, dat een koers boven de 20 euro ook direct winst betekent voor de koper. Hij had namelijk premie voor de optie betaald. Stel dat deze premie 3 euro is, dan is op de einddatum van de optie pas sprake van winst als de koers boven de (20+3) 23 euro staat.

Factoren die de optiepremie bepalen: looptijd - Hoe langer de looptijd, hoe groter de kans dat een bepaalde onderliggende waarde een grote beweging laat zien en de optie veel geld waard wordt. Daarom zijn opties met een langere looptijd altijd meer waard dan kortlopende opties, behoudens bijzondere situaties bij European Style opties. uitoefenprijs (Eng: Strike). Dit is de prijs waarop de ondeliggende waarde verhandeld kan worden en vormt de belangrijkste component van de totale optieprijs ofwel de optiepremie. De beurs zorgt ervoor, dat er altijd meerdere opties in omloop zijn met uitoefenprijzen, onder, ongeveer gelijk aan en boven de koers van de onderliggende waarde. rentestand - voor de cashflows die samenhangen met de optie positie en het afdekken van de risico's, is de rentestand van groot belang. Zeker voor opties met langere looptijden. verwachte volatiliteit - De volatiliteit is de beweeglijkheid (omhoog en omlaag) van het aandeel. Hoe volatieler de waarde van de onderliggende effecten, hoe groter de kans dat de optie veel geld waard zal worden. De hoogte van de verwachte toekomstige volatiliteit is een van de belangrijkste variabelen die van invloed is voor professionele optiehandelaren. De verwachte volatiliteit kan sterk fluctueren en verschilt per aandeel (of andere waarde). tussentijdse cashflows uit de onderliggende waarde (dividend) - het uitkeren van dividend heeft betrekking op de prijs van de onderliggende waarde in de toekomst, en heeft een grote impact op de waardering van de opties. Met name bij opties met langere looptijden en meerdere dividenduitkeringen is dit aspect van groot belang. Professionele optiehandelaren maken inschattingen van toekomstige dividendstromen.

Voor de verhouding tussen de intrinsieke waarde en de koers van de onderliggende waarde worden de volgende termen gebruikt: in-the-moneyDe optie heeft intrinsieke waarde, de koers ligt boven de uitoefenprijs (bij een calloptie), of eronder (bij een putoptie); is het verschil groot, dan is de optie deep-in-the-money at-the-moneyde beurskoers is ongeveer gelijk aan de uitoefenprijs. out-of-the-moneyde optie heeft geen intrinsieke waarde, de koers ligt onder de uitoefenprijs (bij een calloptie), of erboven (bij een putoptie); als dit bij expiratie het geval is, heeft de optie geen waarde meer

Verwachte volatiliteit