thumb|240px|Hendrik van Veldeke, uit de Codex Manesse
Nederlandse literatuur of Nederlandstalige literatuur is de literatuur van het Nederlandstalige deel van de wereld vanaf ongeveer 1100 tot heden. De literaire canon uit hoofdzakelijk Nederland en Vlaanderen (zie ook Vlaamse literatuur) beslaat ruim acht eeuwen van literaire productie en gaat terug tot de tijd dat de Lage Landen nog geen politieke eenheid vormden, zodat het woord 'Nederlandse' voor de vroegste eeuwen enigszins anachronistisch is. Hetzelfde geldt voor de term literatuur: aanvankelijk omvatte die alle geschreven teksten, maar in de loop van de 19de eeuw versmalde de betekenis tot 'taalkunst'.; ; (1985), p. 8
Naast het kerngebied Nederland en Vlaanderen wordt Nederlandse literatuur ook geschreven in voormalige Nederlandse koloniën, zoals Surinaamse literatuur en de literatuur van het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden. Daarentegen valt Afrikaanse literatuur – het Afrikaans geldt als dochtertaal van het Nederlands − buiten de definitie van Nederlandse literatuur. Ook de Friese taal en letterkunde hebben sinds de 8e eeuw hun eigen canon. Nederlanders en Vlamingen die in een andere taal dan het Nederlands schrijven, onder wie Erasmus, en schrijvers in streektalen zoals het Nedersaksisch of het Limburgs worden hier ook niet behandeld.
Geschiedenis
Vanaf ongeveer 600 begon de Nederlandse taal zich binnen de West-Germaanse talen duidelijk te onderscheiden als een meer autonome taal, die gaandeweg ook werd opgeschreven.
Het eerste Nederlands: de middeleeuwen
Lange tijd werd ervan uitgegaan dat de oudste Nederlandse tekst het 11e-eeuwse hebban olla vogala nestas bigunnan was. Er zijn nu echter psalmen bekend die dateren uit de 10e eeuw. Sommige onderzoekers gaan nog verder terug en leggen het begin bij de 8e-eeuwse Utrechtse doopgelofte, hoewel niet duidelijk is of het hier om Oudnederlands gaat. De tekst, gedateerd op 776-800, begint met Forsachistu diobolae (Verzaak je de duivel? = Zweer je de duivel af?).
De Wachtendonkse psalmen stammen uit de 10e eeuw, de Leidse Willeram uit 1100. Literaire teksten van de 13e tot de 15e eeuw zijn overwegend van Vlaamse en Brabantse origine. 13e-eeuwse teksten zijn vaak Vlaams, zoals het bekende Karel ende Elegast, Beatrijs, Ferguut en Vanden Vos Reynaerde. Een van de invloedrijkste mystici, Hadewijch, schreef echter in het Brabants. Een echte verschuiving naar de dominantie van het Brabantse dialect kwam in de 14e eeuw (zie verder #Brabant).
Hebban olla vogala
Van het Oudnederlands zijn vooral losse woorden en maar enkele samenhangende teksten bewaard. Er zijn enkele fragmenten uit de Salische wet van de 6e eeuw die Oudnederlands (of Oudnederfrankisch) zijn. Het volgende wordt nu door het Oudnederlands woordenboek als oudste zin in het Oudnederlands beschouwd. De formule werd uitgesproken bij het vrij verklaren van een laat:
In een 8e-eeuwse Utrechtse doopgelofte is onder meer te lezen: Gelobistu in got alamehtigan fadaer (geloof je in god, almachtige vader). Een 10e-eeuws manuscript met voorbeelden van Oudnederlands is gekend als de Wachtendonckse Psalmen, waarvan het origineel echter verloren is gegaan.
Traditioneel werd als eerste echt literaire Nederlandse tekst de beroemde probatio pennae (een "pennenproef", een stukje tekst geschreven om een nieuw gesneden pen te testen) Hebban olla vogala beschouwd. Deze is overgeleverd uit het eind van de 11e eeuw: 400px|right
Hendrik van Veldeke
De eerste met naam bekende schrijver is vervolgens Hendrik van Veldeke, die in het Limburgse Maasland actief was en ook in de Duitse literatuurgeschiedenis een grote rol speelt: zijn moedertaal vormde een overgangsdialect en zijn werk is bovendien in verschillende varianten overgeleverd. Van Veldeke schreef een heiligenleven (het Leven van Sint-Servaas, ca. 1170), de Eneïde (ca. 1175) die uiteindelijk teruggaat op de klassieke Aeneis en hoofse minnepoëzie in de stijl van de Provençaalse troubadours. De biografie van Sint-Servaas is ook het enige in het Middelnederlands geschreven werk dat Van Veldeke is overgeleverd. Zijn andere werken, de Eneasroman en zijn liefdesgedichten, zijn alleen bewaard gebleven als handschriften in het Middelhoogduits.
Brabant De oudst bekende Brabantse literatuur dateert vanaf 1260 en omvat onder meer enkele fragmenten uit een bewerking van het Nibelungenlied en de Brugse minneliederen. Een echte verschuiving naar literaire dominantie van het Brabants volgde in de 14e eeuw, met Jan van Boendale en de mysticus Jan van Ruusbroec. Ook de vier abele spelen, ernstige seculiere toneelstukken, werden in het Brabants geschreven. In de 15e eeuw bleef Brabant de literaire scène beheersen. In deze periode ontwikkelden zich ook de rederijkerskamers in Vlaanderen.
Terwijl de literaire activiteit zich in de middeleeuwen dus grotendeels afspeelde in het zuiden van het Nederlands taalgebied, bleef het noorden cultureel en economisch achter. Pas vanaf het einde van de 16e eeuw en vooral in de 17e eeuw kwam daar verandering in (zie #Renaissance en barok).
Ridderromans
thumb|Karel ende Elegast Ridderromans (ook romances) zijn middeleeuwse verhalen op rijm die vertellen over de avonturen van ridders. Het waren romans voor en over ridders, de onderste laag van de adel, vaak in de volkstaal geschreven, omdat veel ridders geen Latijn kenden.
Oorspronkelijk was romanceliteratuur geschreven in het Oudfrans, Anglo-Normandisch en Provençaals (Occitaans). Later kregen ze navolging van Engelse en Duitse schrijvers. In daaropvolgende romans, met name die van Franse oorsprong, is er een duidelijke tendens om het thema van de hoofse liefde te benadrukken. Ook de meeste van onze ridderromans zijn middeleeuwse verhalen op rijm over avonturen van ridders. De vroegste romances uit het Nederlandse taalgebied waren navolgers van Franse hoofse romans uit die tijd. Deze vertelden verhalen die lange tijd mondeling door rondreizende troubadours overgeleverd waren. Zoals bij Hendrik van Veldeke te zien was, was de ridderroman of romance een literair genre dat in aristocratische kringen heel populair was. Het Maasland bleek in de middeleeuwen een vruchtbare bodem voor schrijvers te zijn, want ook de eerste ridderromans in het Nederlands ontstonden hier: de Trierse Floyris ende Blantseflur, de Limburgse Aiol en de Nederfrankische Tristant. Hoewel het graafschap Vlaanderen op alle vlakken ver vooruit was op de andere streken van de latere Nederlanden, ontstond hier toch pas in de 13e eeuw een ridderroman in de volkstaal. De enige fragmentarisch overgeleverde ridderroman uit Holland van voor 1300 is een bewerking van Parzival.
Ridderromans zijn naar hun thematiek in vier groepen te verdelen: de voorhoofse, Frankische of Karolingische romans, waarin Karel de Grote een centrale rol speelt (Karel ende Elegast, Roelantslied, Renout van Montalbaen); de iets jongere Brits-Keltische romans of Arthurromans (Ferguut, Walewein); de klassieke romans, zoals die door Jacob van Maerlant werden vertaald; de oosterse romans (Floris ende Blancefloer, Parthenopeus van Bloys, fragmenten).
Middelnederlandse mystiek
De Middelnederlandse geestelijke epiek was meestal in dichtvorm opgesteld en kan verder worden onderverdeeld in de uitweidingen over het Nieuwe Testament met als bekendste voorbeeld Vanden Levene ons Heren van Martijn van Torhout en heiligenlevens zoals die van Hendrick van Veldeke, Jacob van Maerlant en Willem van Afflighem.
De belangrijkste vertegenwoordigers waren: Beatrijs van Nazareth: Van seven manieren van heiliger minne (ca. 1240); Hadewijch: Brieven, Strophische gedichten (ca. 1250); Jan van Ruusbroec: Die Chierheit der gheesteliker brulocht (1350).
Jacob van Maerlant thumb|Afbeelding van Jacob van Maerlant in een initiaal uit een van zijn manuscripten
Ook een aantal werken van Jacob van Maerlant behoren tot de geestelijke literatuur, samen met die van onder meer Beatrijs en Hadewijch. Terwijl deze laatsten schreven voor ingewijden, stelde van Maerlant zich echter blijkbaar tot doel zijn religieuze thema's op een boeiende manier voor (adellijke) leken toegankelijk te maken. Hij was niet alleen een dichter, maar evenzeer een leraar. Van hem zijn vooral volgende werken bekend: de Rijmbijbel, een bewerking van de Historia scolastica van Petrus Comestor de Spieghel historiael, waarin hij geschiedenis voorstelde als een spiegel van goed en slecht gedrag
Dierdichten
Een ander belangrijk genre in de middeleeuwen was het dierdicht. Enerzijds valt hierin de fabel als subgenre te onderscheiden. De bekendste fabels in het Middelnederlands zijn samengebracht in de bundel Esopet (13e eeuw).
Van den vos Reynaerde (van Willem die Madocke maecte) is een episch gedicht en vormt een hoogtepunt in de Middelnederlandse literatuur. Dit omstreeks 1260 geschreven lange gedicht zet het genre van de Karel- en Arthurepiek op zijn kop door dieren als personages ten tonele te voeren in een door de sluwe vos Reinaert gemanipuleerde feodale wereld. Het is een van de weinige Middelnederlandse werken die in het Latijn zijn vertaald; gewoonlijk was het andersom.
Beatrijslegende thumb|Verluchte initiaal aan het begin van de Beatrijslegende. De beginregels luiden: Van dichten comt mi cleine bate. Die liede raden mi dat ict late Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 76 E 5 Beatrijs is een bekend 14e-eeuws berijmd Mariamirakel over een non die het klooster verlaat uit aardse liefde voor een man, zeven jaar met hem samenleeft, twee kinderen krijgt en uiteindelijk berouwvol terugkeert naar het klooster nadat hij haar heeft verlaten. Daar ontdekt ze dat de Heilige Maagd gedurende haar afwezigheid haar plaats heeft ingenomen. Deze legende in de traditie van de exempelen inspireerde heel wat kunstenaars. De auteur was mogelijk Diederic van Assenede, die het verhaal tijdens een van zijn reizen in Nederland zou hebben opgevangen. Er bestaan ook Franse, Duitse, Spaanse, zelfs Oudnoorse en Arabische versies van het verhaal, dat voor het eerst wordt aangetroffen in een Latijnse prozaverzameling van mirakelen, de Dialogus Miraculorum (Dialoog over mirakelen) (1219-1223) van Caesarius van Heisterbach.
Religieus en wereldlijk toneel Toneelactiviteiten speelden zich voornamelijk af in een stedelijke omgeving voor een burgerlijk publiek. Enerzijds waren er religieuze spelsoorten als mysteriespel, mirakelspel en moraliteit en anderzijds wereldlijk toneel onder de vorm van abele spelen, kluchten (sotternieën) en esbattementen. Zowel in de ernstige als komische stukken schemert de burgerlijke moraal door in opvattingen over onder meer standenverschillen, huwelijk en seksualiteit. Enkele wereldlijke stukken bekend uit het handschrift Van Hulthem (1410) zijn: Abele spelen: Esmoreit, Gloriant, Lanseloet van Denemerken, Vanden Winter ende vanden Somer Kluchten: Lippijn, De Buskenblaser, Die Hexe, Rubben, Drie daghe here (slechts gedeeltelijk bewaard gebleven).
Late middeleeuwen: de rederijkers
In de late middeleeuwen gingen amateur-dichters en voordrachtskunstenaars zich, eerst in de Zuidelijke Nederlanden, organiseren in verenigingen ter bevordering van hun kunst. Ze noemden zich naar Frans voorbeeld rhétoriqueurs. De gezelschappen vander Rethorique werden tegen het einde van de 15e eeuw een belangrijke culturele en maatschappelijke macht. Tot de activiteiten van de rederijkerskamers behoorde onder meer het inrichten van dichterswedstrijden, met streng gereglementeerde dichtvormen. Deze kamers domineerden vooral de 15e-eeuwse Nederlandstalige literatuur, maar sommige zoals De Eglantier wisten zich tot ver in de 16e eeuw te handhaven.
Een belangrijk literair genre dat door de rederijkerskamers vanuit Frankrijk werd geïmporteerd, was de rederijkersballade, een variant op de gewone ballade. De gebruikelijkste dichtvormen bij de rederijkers waren verder het refrein, het acrostichon, het rondo of rondeel en de retrograde of kreeftdicht.