Oostende (Frans: , Engels: ) is een centrumstad in de Belgische provincie West-Vlaanderen, die ongeveer centraal langs de Belgische kust ligt. De stad is een belangrijk toeristisch en economisch centrum, telt 73.000 inwoners (2026), beschikt over een zee- en luchthaven en is het centrum van het gelijknamige arrondissement.
Geschiedenis Beginperiode De eerste sporen van Oostende zijn te vinden in de 9e en 10e eeuw. Schaapherders en vissers leidden een eenvoudig leven in een kleine nederzetting op de toenmalige locatie, het oostelijke uiteinde van het schorreneiland Testerep. In 814 schonk sire Gobrecht van Steeland het toenmalig nietig dorpje aan de abdij van Sint-Bertinus in Sint-Omaars. Omstreeks het jaar 1000 begon de Noordzee gedurende ongeveer 70 jaar op de kust de zogenaamde Duinkerke III A-transgressie. Het langwerpig eiland Testerep werd daarbij regelmatig overspoeld. In de 11e eeuw werd de Testerepgeul tussen het eiland en het vasteland ingepolderd, waardoor het dorp niet meer op een eiland lag en zich kon ontwikkelen. Rond 1115 hoorde het dorp Oostende (Oostende-ter-Streep) bij de parochie van het oude Mariakerke.
In 1267 kende gravin Margaretha II van Vlaanderen stadsrechten toe aan Oostende, maar de stad had geen muren, vestingen of bolwerken. Op dat moment werd aan Oostende het voorrecht verleend een halle te exploiteren. Geleidelijk aan maakten de bewoners gebruik van hun bestuurlijke bevoegdheden om zich los te maken van de dominerende kasteelheren. Een schepencollege van rijke kooplieden, later ambachtslieden, met aan het hoofd de baljuw, stippelde het beleid uit. In 1284 sloot Oostende een verdrag met de vrijheer van Brugge om de getijdengeul te verbreden en bevaarbaar te maken.
Noodzakelijke verplaatsing Stormen en overstromingen dwongen Oostende landinwaarts te verhuizen. In 1372 werd de stad versterkt met palissades, maar een reeks hevige stormvloeden, zoals de Sint-Clemensvloed van 23 november 1334 en de noodlottige Sint-Vincentiusvloed van 22 januari 1394, verzwolgen uiteindelijk het grootste gedeelte van de stad. Restanten van deze oude locatie van de stad werden in 2016 herontdekt door onderzoekers van de Universiteit Gent op 200 meter voor de kust.Restanten in zee ontdekt van middeleeuwse stad, Het Nieuwsblad, 23 november 2016 Er werd een nieuw Oostende opgetrokken, iets zuidoostelijker gelegen, niet meer op het vroegere eiland Testerep maar op het grondgebied van de parochie Bredene. In 1445 gaf graaf Filips de Goede Oostende toestemming om een haven aan te leggen. In 1447 werd de stad opnieuw overstroomd, met als gevolg dat de stad opnieuw landinwaarts verplaatst werd.
Spaanse periode In juli 1489 werd Oostende geplunderd en in brand gestoken door aanhangers van de Duitse keizer Maximiliaan I van Oostenrijk, aangevoerd door Daniël van Praet, kapitein van Nieuwpoort. Dat leidde de reeks oorlogen in de Nederlanden in. Zo werd Oostende in 1548 veroverd door de Engelsen en de Hollanders. In 1572 werd uiteindelijk een verdediging rond de stad opgeworpen met de toestemming en medewerking van de hertog van Alva.
Na de Slag bij Nieuwpoort trok het leger van de prins van Oranje zich terug op Oostende. De Oostendenaren gaven vrije toegang tot hun haven aan protestanten uit Engeland en Noord-Ierland. Zo werd Oostende het laatste protestantse bolwerk in de zuidelijke, katholieke Spaanse Nederlanden. Als reactie daarop volgde het drie jaar durende Beleg van Oostende. De Staatse verdedigers trokken zich ten slotte terug. Door het beleg was Oostende totaal verwoest. De Noorderdijk was doorgestoken waardoor de polders onder water liepen en een grote getijdengeul ten oosten van de stad ontstond, de huidige havengeul van Oostende.
In 1698 werd een eerste scheepvaartmaatschappij opgericht, die tot doel had handel te drijven met Indië. De Spaanse Successieoorlog had ook zijn gevolgen voor Oostende. Toen de Franse en Spaanse troepen, na hun verlies in de Slag bij Ramillies op 23 mei 1706 zich terugtrokken in Oostende, werd de stad belegerd door de Engelse vloot, en opnieuw grotendeels verwoest. Op 6 juli 1706 gaf de belegerde stad zich over aan de Oostenrijkse keizer en zijn bondgenoten.
Oostenrijkse periode thumb|left|Oostende op de Ferrariskaart De scheepvaartmaatschappij die met Indië handel voerde, werd hierdoor pas in 1715 een succes. Op 11 augustus 1723 werd de Generale Keizerlijke en Koninklijke Indische Compagnie, beter bekend als de Oostendse Compagnie, gesticht. In maart 1724 vertrok de eerste koopvaardijvloot, die bestond uit drie schepen, de Arend, de Sint-Elisabeth en de Sint-Karel, onder koninklijke en keizerlijke vlag. Op korte tijd werd Oostende een belangrijke haven met invoer van Chinese en Indische koopwaar. Onder internationale druk werd de Oostendse Compagnie in 1727 geschorst en in 1731 opgeheven. Oostende werd opnieuw een gewone vestingstad. In de late 17e eeuw en eerste helft van de 18e eeuw was Oostende een van de vestingsteden die deel uitmaakten van de Nederlandse vestingsbarrière in de Zuidelijke Nederlanden.
Op 24 november 1776 werd het eerste handelsdok plechtig geopend. In 1781 vaardigde keizer Jozef II een decreet uit waardoor Oostende officieel een vrijhaven werd. Opnieuw kende de haven een zekere opbloei, onder andere door de neutraliteit van Oostenrijk in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Na het Verdrag van Versailles op 20 januari 1783 begon de grote havenbedrijvigheid weer stilaan af te nemen.
Franse periode Tussen 1792 en 1815 stond de verdere uitbouw van de Oostendse haven op een laag pitje, onder meer vanwege het beleid van Napoleon Bonaparte. De keizer blokkeerde met het Continentaal stelsel de handel met overzee en concentreerde de vestingbouw en de activiteiten van zijn marine in de Noordelijke wateren in Den Helder dat hij als "het Gibraltar van het Noorden" beschouwde. Wel werden er onder het bestuur van Napoleon twee forten gebouwd ter verdediging van de haven: Fort Napoleon en het Fort Royal moesten Britse aanvallen en landingen afweren.
De haven in het Koninkrijk der Nederlanden Ook tijdens het bewind (1815-1830) van koning Willem I der Nederlanden was vergroting van de haven niet mogelijk. De prioriteiten van de regering lagen elders en het koninkrijk bezat met Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen al voldoende grote havens. Op 6 oktober 1818 sloten het Koninkrijk der Nederlanden en Engeland een overeenkomst voor het inleggen van twee wekelijkse verbindingen tussen beide landen, namelijk tussen Harwich en Hellevoetsluis enerzijds en Dover en Oostende anderzijds. Hiermee ontstond de Oostende-Doverlijn.
Belgische periode Pas in 1830, onder impuls van de Belgische koning Leopold I, kon de Oostendse zeehaven verder uitgroeien. In 1838 had de inhuldiging van de spoorlijn Oostende-Brussel plaats. In 1877 werd de eerste Oostendse vismijn gebouwd. Op 2 april 1884 kwam het eerste stoomvisserijschip — de Prima — Oostende binnenvaren. In 1914 waren er al 29 stoomvisserijschepen in Oostende.
In 1865 werd Oostende ontheven van zijn functie als vesting door de toenmalige minister van oorlog baron Félix Chazal. Spoedig werden de vestingmuren rond de stad gesloopt. Hierdoor zou Oostende op korte tijd sterk uitbreiden. Dankzij de inspanningen van koning Leopold II bloeide Oostende in het begin van de twintigste eeuw als geen ander. De stad kreeg de bijnaam "Koningin der Badsteden". De mondaine koning bouwde een belle-époque-badplaats met wereldfaam. Het Kursaal Oostende uit 1852, het nieuwe theater uit 1905, het Koninklijk Paleis, de Koninklijke Gaanderijen, de Promenade, de Kiosk, het Stadstheater, het Leopoldpark, de Wellingtonrenbaan en de Stadsbibliotheek straalden haar bourgeois karakter uit.
In 1885 ging de eerste NMVB-stoomtramlijn in België rijden, tussen Oostende en Middelkerke-dorp. Het was ook het begin van de Oostendse stadstram.
Door de toegenomen scheepvaart op Oostende was een tekort aan kaaimuren ontstaan. Daarom werd in de periode 1894-1914 de haven op ingrijpende wijze vernieuwd door aanpassing van de voorhaven en uitbouw van een nieuwe achterhaven, verbonden met de De Smet de Naeyerbruggen.
In 1897 ging de eerste elektrische tramlijn langs de kust rijden, vanuit Oostende richting Middelkerke-Bad. Dit is nu de moderne Kusttram langs alle badplaatsen. Vanaf 1909 ontstond een elektrisch tramnet, waarvan de laatste lijn tot in 1958 reed.R. van Craeynest, De tram maakte de kust, 1985.
Duits intermezzo De twee wereldoorlogen luidden het einde in van Oostende als belle-époquestad. De Duitsers plaatsten afweergeschutbatterijen langs het Fort Napoleon en in de duinen langs het duinenkerkje Onze-Lieve-Vrouw ter Duinenkerk, waarvan de toren half verwoest werd. In de Eerste Wereldoorlog was Oostende een basis voor Duitse duikboten vanuit Brugge. De Britten probeerden Oostende tweemaal te blokkeren met een blokkade, de eerste op 23 april 1918 en de tweede op 9 mei 1918. De promenade werd zo goed als volledig verwoest in 1940-45 door de bommenregen van de Geallieerden op de Atlantikwall, de haven en de spoorwegen.
Naoorlogse periode De opkomst van het massatoerisme en de immobiliënsector waren nog dramatischer dan de Tweede Wereldoorlog voor de afbraak van de belle-époque-architectuur. Oostende groeide dankzij het eendagstoerisme en de toename van de mobiliteit wel uit tot een bloeiende moderne badstad met meer dan 70.000 inwoners, in het hoogseizoen kan dit aantal tot een veelvoud hiervan oplopen. Veel van deze toeristen wensen een flat met zicht op zee. Het opdoeken van de Regie voor Maritiem Transport (RMT) heeft bovendien voor heel wat armoede gezorgd. Oostende wordt erkend als een kansarme gemeente (SIF+).
Tegen de millenniumwende besloot het stadsbestuur van Oostende om van de elitaire bijnaam "Koningin der badsteden" af te stappen en zich te profileren als "Stad aan zee". Men wilde daarmee vooral aangeven dat Oostende aan de Belgische kust een van de enige "echte" steden zou zijn. Toeristisch en marketinggewijs was deze titel ook moderner dan de oubollig geworden koninginnennaam, hoewel deze naam een begrip is geworden en nog altijd vaak wordt gebruikt.
De lucht- en spoorhaven hebben de plaats van de zeehaven ingenomen op vlak van internationale verbindingen. In 2004 is de renovatie begonnen van het Kursaal Oostende. Het complex is afgewerkt in 2005. Het kursaal is nu een van de grootste evenementzalen in Oostende. Het biedt plaats aan meer dan 2000 mensen en achter het podium bevindt zich een glazen muur met zicht op zee. Ook op cultureel vlak heeft de stad een aantal troeven. De Paulusfeesten zijn bekende zomerfeesten geworden. Het kleinschalig vriendenfeestje groeide uit tot een volwaardig festival. Ook Theater Aan Zee en Oostende voor Anker zijn trekpleisters geworden.
Galerij
Stadsprofiel Deelgemeenten # Naam Opp.(km²)https://statbel.fgov.be/fr/open-data/population-par-secteur-statistique-10 Inwoners(2025) Inwonersper km² NIS-code 1 Oostende 22,85 53.477 2.341 35006A-B-F 2 Zandvoorde 11,10 3.477 313 35013C 3 Stene 7,01 15.863 2.264 35013D-E
Ligging en kernen De stad ligt centraal langs de Belgische kust, op ongeveer 35 km van de Nederlandse grens en 30 km van de Franse grens. Oostende ligt in de duinen- en kuststreek. Ten westen van de havengeul is de kust bijna volledig volgebouwd. Het oostelijk deel paalt aan de zeereepduinen van Bredene tussen Oostende en De Haan die, op het voormalig militair gebied na, onbebouwd zijn. De eerste locatie van Oostende lag op een eiland (Testerep) voor de Vlaamse kust, en het was het meest oostelijke dorp van dit eiland (vandaar de naam). Aan de andere kant lag Westende en in het midden lag Middelkerke.