thumb|"Satan voor de HEER", schilderij door Corrado Giaquinto (Vaticaanse Musea) Satan (Hebreeuws: שָׂטָן śāṭān, "tegenstander") is binnen het christendom de naam van de duivel, omdat in het Nieuwe Testament de duivel Satan wordt genoemd. Hij wordt vaak gezien als een gevallen engel of de gevallen aartsengel Lucifer, die door God uit de hemel werd geworpen toen hij tegen God in opstand kwam. Satan is de leider van rebellerende gevallen engelen, die onder zijn aanvoering God verlaten hebben, en wordt gezien als de verpersoonlijking van het kwaad.
Satan komt ook voor in de Hebreeuwse Bijbel, maar niet als naam. Als de term op mensen betrekking heeft, betekent het tegenstander, valse raadgever of in enkele gevallen potentiële deserteur. Als gepersonifieerd hemels wezen komt de aanduiding satan in de Hebreeuwse Bijbel op vier plaatsen voor; in deze gevallen is de betekenis van de term satan niet eenduidig.
Volgens de islam is Satan (Shaitan) een djinn.
Verering van Satan wordt satanisme genoemd.
Etymologie De etymologie van de aanduiding שָׂטָן śāṭān is omstreden en zal waarschijnlijk nooit definitief kunnen worden bepaald. De meestgenoemde opties zijn: 1) In de volksetymologie wordt op basis van Job 1:7 en 2:2 gedacht dat het is afgeleid van het werkwoord שׁוּט šwṭ, "ronddolen". De wisseling van š naar ś spreekt dit tegen. 2) Als de term werd afgeleid van een werkwoord, dan komen onder andere de volgende wortels in aanmerking, die in Semitische talen echter verschillend worden gevormd: Hebreeuws: śṭh, Akkadisch: šâṭu I, Syrisch: sṭ’, Arabisch: šṭṭ, Ethiopisch: šṭy — "rondzwerven"; Hebreeuws, Aramees, Mandees: swṭ — "onrechtvaardig zijn / in verzet komen / in opstand komen"; Arabisch: šṭṭ — "onrechtvaardig zijn"; Syrisch: swṭ, Arabisch: šjṭ — "branden"; Hebreeuws: śṭh, Ethiopisch: šṭy — "vervolgen".
Tegen de aanname van een (beschrijvende) eigennaam met de wortel śjṭ of śwṭ (die dan zou leiden tot śajṭ / śawṭ + -ān) pleit het feit dat de abstrakte, bijvoeglijke of verkleinende betekenis van namen in het Hebreeuws niet met -ān eindigen maar met -ôn. Meestal wordt śāṭān daarom geassocieerd met het werkwoord śṭn / śṭm "bestrijden / verleiden / beschuldigen / verhinderen", waarbij de wortel wel in de jongere semitische talen kan worden gevonden (Targoem, Middelhebreeuws, Syrisch, Mandees, Ethiopisch, Arabisch), maar niet in het Akkadisch.
3) Görg scheidt het werkwoord שׂטם of שׂטן śṭn / śṭm etymologisch van het naamwoord שָׂטָן śāṭān en leidt het af van het Egyptische śdnj (causatief van dnj, "personen tegenhouden" of "tot stoppen brengen"; het Egyptische d werd in het Hebreeuws ṭManfres Görg (1996): Der „Satan“ – der „Vollstrecker“ Gottes?, BN 82, pag. 9-12).
Hebreeuwse Bijbel Vormen van de aanduiding De aanduiding satan komt in de Hebreeuwse Bijbel 27 keer voor (Numeri 22:22,32; 1 Samuel 29:4; 2 Samuel 19:23; 1 Koningen 5:18; 11:14,23,25; Zacharia 3:1,2; Psalm 109:6; Job 1:6,7,8,9,12; 2:1,2; 1 Kronieken 21:1 (in sommige verzen twee keer)). Als de term op mensen betrekking heeft, betekent het tegenstander of in enkele gevallen potentiële deserteurs (1 Koningen 5:18; 11:14,23,25). De zonen van Seruja waren valse raadgevers (2 Samuel 19:23).
De Septuagint vertaalt שָׂטָן śāṭān bijna altijd met (deels voorafgegaan door een lidwoord) διάβολος diabolos (Zacharia 3:1,2; Job 1-2; 1 Kronieken 21:1; Psalm 109:6), maar ook met διαβολή diabolē (Numeri 22:32) en met het werkwoord ε̉νδιαβάλλειν endiaballein (Numeri 22:22). Het woord waarop ons woord "duivel" teruggaat, is het werkwoord διαβάλλειν diaballein, "uit elkaar halen", "door elkaar gooien".
Satan in de hemel In de Hebreeuwse Bijbel komt (de) Satan als gepersonifieerd hemels wezen op vier plaatsen voor (Job 1:6-12; 2:1-17; Zacharia 3:1-7; 1 Kronieken 21:1; Numeri 22:22,32). Als deze passages nader worden onderzocht, komen daaruit verschillende functies naar voren die dit personage hierin heeft: belichaming van "zekere zielstoestanden, gemoedstoestanden en geestesneigingen",Gustav Roskoff (1869): Geschichte des Teufels. Eine kulturhistorische Satanologie von den Anfängen bis ins 18. Jahrhundert, Nördlingen, pag. 189 demon,Anton Jirku (1912): Die Dämonen und ihre Abwehr im Alten Testament, Leipzig, pag. 49Hans Duhm (1904): Die bösen Geister im Alten Testament, Tübingen / Leipzig, pag. 16-20 vijand van God en / of de mensheid, als legitiem onderdeel van de religie van Israël. Godsdiensthistorisch ontstond zijn functie tegen de achtergrond van het hof van de sjah in het antieke Oosten en de angst van vazalkoningen voor laster tegen zeAlbert Brock-Utne (1935): „Der Feind“. Die alttestamentliche Satansgestalt im Lichte der sozialen Verhältnisse des nahen Orients, Klio 28, pag. 219-227 en zo als (officiële) aanklager opgevat.Carol L. Meyers / Eric M. Meyers (1987): Haggai / Zechariah 1-8 (AncB 25b), Garden City / New York, pag. 184Holger Delkurt (2000): Sacharjas Nachtgesichte. Zur Aufnahme und Abwandlung prophetischer Traditionen (BZAW 302), Berlin / New York, pag. 148Cilliers Breytenbach / Peggy L. Day (1999): artikel Satan, in: DDD (2e druk), pag. 728Melanie Köhlmoos (1999): Das Auge Gottes. Textstrategie im Hiobbuch (FAT 25), Tübingen, pag. 91 Volgens Görg betreft Satan de kunst van de "vertegenwoordiger in de voorkamer", die de toegang tot het heiligdom bewaakt (vergelijk Zacharia 3). Voor Nielsen is Satan in het boek Job een zoon van JHWH en jaloerse broer van Job.Kirsten Nielsen (1998): Satan – the prodigal son? A family problem in the Bible (BiSe 50), Sheffield, pag. 129-143
In Job 1 en 2 en Zacharia 3 wordt הַשָּׂטָן haśśāṭān als numineus wezen in de omgeving van God genoemd. Op grond van de samenvoeging van rollen die de שָׂטָן śāṭān in Zacharia 3:1,2 en Job 1 en verder inneemt, wordt hij meestal beschouwd als lid van het hemelse hof, zoals dat in 1 Koningen 22:19-22 werd geschilderd (vergelijk Psalm 82:1,6; 89:6-8; 29:1; Genesis 6:2,4; Job 5:1; 15:8,15; 38:7).
Zacharia 3:1-7 Zacharia 3 schildert in ambivalente beelden de reiniging en installatie van de hogepriester Jesua. De fictieve scène in een hemels gerechtshof diende de bevestiging van de goddelijke legitimatie van Jesua's heilige ambt. De Satan belichaamde in het visioen een tegenstander van JHWH, hij personifieerde een chaotische tegenmacht tegen Gods plan: de Satan is in het conventionele denkschema van de onlosmakelijkheid van daad en gevolg ingebed (vergelijk Amos 4:6-13) en daarmee gebonden aan de regels van schuld en straf. Daarmee staat de Satan ook voor het denken uit oude tijden, waartegen JHWHs wil tot vergeving en uitverkiezing positief afsteekt. Als een zo denkende aanklager kon de Satan alleen zwijgend ageren: hij mocht niet spreken en niet handelen – JHWH zelf verbood (גער g‘r) hem te spreken – en werd later in de tekst niet meer genoemd. In contrast hiermee werd JHWH als een God beschreven die het conventionele denkkader van de onlosmakelijkheid van daad en gevolg ten gunste van de schuldige verbrak: Jesua als schuldige hogepriester (Zacharia 3:4f; vergelijk Amos 4:11) werd gereinigd en onschuldig verklaard op basis van JHWHs handelen in het kader van zijn heilsplan. Zo werd JHWH in tegenstelling tot de zwijgende aanklager Satan geladen met positieve aspecten.
Job 1:6-12 en 2:1-7 In Job 1:6-12 en 2:1-7 werd de Satan duidelijker dan in Zacharia 3 beschreven: met de andere zonen van God (בְּנֵי הָאֱלֹהִים bənêj hā’älohîm) behoorde hij tot het goddelijke hof, dat als vergadering voor JHWH werd beschreven. JHWH vroeg hem voor de andere godenzonen of hij de vroomheid van zijn "dienaar Job" had gezien, wat Satan bevestigend beantwoordde. Maar tegelijk stelde hij de vraag wat de reden was van die vroomheid van Job, met als gevolg dat God Satan toestond Job in alle aspecten van zijn leven te raken – behalve hem doden – om te bewijzen dat Job ook in moeilijke omstandigheden vroom bleef.
De bijna aan de eerste scène in de hemel identieke tweede scène in Job 2:1-7 bevat een belangrijke verandering, namelijk in vers 3, waarin JHWH Satan verweet dat hij Hem ertoe had aangezet Job "te gronde te richten". Dit vers moest JHWH duidelijk ontlasten (vergelijk Genesis 3:9-13): als Satan niets had gezegd, had God Job niet beproefd. Dit ontlastingsverzoek slaagde slechts ten dele, want ten eerste lag de beslissing om Satan toe te staan Job verder te beproeven uitsluitend bij JHWH en ten tweede werd in vers 3 zelfs gezegd dat God zelf Job te gronde had gericht. De verantwoordelijkheid van JHWH werd in de epiloog nogmaals vermeld (Job 42:11; vergelijk 1:21) en het verteltechnische onderscheid tussen Satan en JHWH opgeheven.Hermann Spieckermann (1982): Juda unter Assur in der Sargonidenzeit (FRLANT 129), Göttingen, pag. 435
Conclusies De Satan staat in Job 1 en 2 dus enerzijds voor het gepersonifieerde weten van JHWH over Job en anderzijds net als in Zacharia 3 voor de overtuiging van de samenhang tussen daad en gevolg, dat het wel en wee van de mens bepaalt. Daarbij ging de Satan nog een stap verder: omgekeerd had ook het wel en wee van de mens gevolgen voor zijn daden, voor zijn houding jegens God. Alleen omdat God Job beschermde voor het kwaad, kon Job verre van kwaaddoen blijven. JHWH zelf was dus de voorwaarde voor de mogelijkheid van Jobs godsvrucht. Daartegenover representeerde JHWH een denken dat daad en gevolg radicaal van elkaar zou scheiden. Hij hief de samenhang tussen daad en gevolg ten nadele van Job op, omdat Hij overtuigd was van zijn onbaatzuchtige vroomheid. Daarbij stond Zijn handelen jegens Job diametraal tegenover dat jegens Jesua: terwijl voor de schuldige Jesua de samenhang tussen daad en gevolg positief werd opgeheven, werd die samenhang bij de onschuldige Job in negatieve zin ontkracht en werd daarmee het handelen van JHWH ambivalent. De poging JHWH door het verzoek van Satan van negatieve aspecten te ontlasten, slaagde in samenhang met Job 1 en 2 dus nauwelijks: verteltechnisch gezien staat de Satan enerzijds weliswaar op de voorgrond in de scène in de hemel, maar anderzijds werd zijn rol in theologisch perspectief gemarginaliseerd en werd JHWH alleen als oerbron van Jobs onfortuinlijkheden bestempeld.
Satan op aarde In Numeri 22 plaatste Gods engel zich als satan van Bileam op de weg. De aanduiding duidt hier de functie aan die de engel voor Bileam innam. In 1 Kronieken 21:1 vervangt de aanduiding Satan de naam JHWH die in het parallelle 2 Samuel 24:1 staat. In beide gevallen ging het om de functie als 'satan' (tegenstander, hinderaar) en niet om 'de' Satan.
Numeri 22:22,32 Op weg naar koning Balak van Moab, die Bileam had ontboden om de Israëlieten te vervloeken, versperde JHWHs engel de weg van Bileam, om hem ertoe aan te zetten JHWH te gehoorzamen en niet Balak. De aanduiding שָׂטָן śāṭān duidt hier de goddelijke opdracht van de engel aan om Bileam in de weg te gaan staan en om "hem tot satan" te worden (לְשָׂטָן לוֹ ləśāṭān lô). Het gaat hier dus om de engel, die gepersonifieerd werd gedacht, niet om 'de' Satan. De engel werd door de uitvoering van zijn opdracht om Bileam tegen te houden (indirect door zijn ezelin) als tegenstrever ervaren. Maar juist door het uitvoeren van zijn opdracht stond de engel in dienst van JHWH en is op geen enkele manier Zijn tegenstander.
2 Samuel 24:1 en 1 Kronieken 21:1