Hoorn () is een stad en gemeente in de regio West-Friesland, in de Nederlandse provincie Noord-Holland.

De gemeente ligt via het Hoornse Hop aan het Markermeer. Op woonden er mensen (bron: CBS). De gemeente Hoorn heeft een oppervlakte van 52,49 km², waarvan 32,62 km² water.

Naam De herkomst van de plaatsnaam Hoorn – oude spellingvarianten zijn Horn(e) en Hoirne – is niet zeker. Mogelijk stamt deze van Hornicwed. Het middeleeuwse Hornic betekent Hoek, en wed of wedor is een middeleeuwse woord voor 'water'. Talloze plaatsen en buurten in Nederland heten ook nu nog Heurne, Huurne of Horn. Hornicwed zou dan slaan op de ligging in een hoek in de kustlijn. Ook wordt weleens gesteld dat het gaat om een hoek in de dijk, maar dit roept twijfels op: de kust van de Zuiderzee lag toen verder van Hoorn dan nu: de Westfriese Omringdijk liep van oorsprong van het West in een rechte lijn naar Schardam, en voor deze dijk lag nog buitendijks land, waarop ook het door Velius genoemde dorp Dampten lag. Dit gebied is pas vanaf 1391 – toen de oude dijk opgegeven werd – overstroomd, nadat een nieuwe dijk met een hoek verder landinwaarts gelegd was, en de eerste aanzet voor de baai van het Hoornse Hop ontstond. Hoorn bestond toen echter al, evenals de naam. We kunnen voor Hornicwed ook denken aan de betekenis die we ook nog in ons huidige woord uithoek zien, namelijk een zeker (bewoond?) gebied op enige afstand, en dan gelegen aan het water (wed).

De schrijver van de 'Origo Civitatis Hornensis' gaat ervan uit dat Hoorn van Damphoorn afgeleid is.zie blz. 256, 'Uit de schemer van Hoorns verleden' Damphoorn is de middeleeuwse naam voor een kruid waarvan men fluitjes kon maken; deze groeiden volop in het buitendijkse gebied van Hoorn. Kroniekschrijver Velius verwerpt deze verklaring omdat er geen oude vermeldingen zijn waarin Hoorn nog Damphoorn genoemd wordt: De name was van eersten af Hoorn: niet (behoudens beter oordeel) van het kruyt Damphoorn, als t'ghemeyne ghevoelen van noch heden hout. Velius verwerpt ook de verklaring dat de naam van oorsprong Dampter Horn was: een buurt van het dorp Dampten, waarvan het eerste deel na verdrinking van het dorp Dampten vervallen is.

Over de herkomst van de naam Hoorn doen daarnaast vele mythes de ronde. De naam Hoorn is volgens oude Friese legenden afgeleid van de stiefzoon van koning Radboud, met de naam Hornus. Andere verhalen dat de naam Hoorn afkomt van een uithangbord met een posthoorn, dat begin 14e eeuw aan een van de etablissementen aan de Roode Steen hing. Een derde variant stelt dat de naam Hoorn afgeleid is van de hoornvorm van de eerste havens.

Geschiedenis Stichting thumb|Typerend straatbeeld van Hoorn, gezicht op de Pakhuisbrug en daarachter de VOC-pakhuizen aan de Onder de Boompjes thumb|Luchtfoto van de Binnenstad en het begin van Hoorn-Noord (1920-1940). Volgens oude Friese legendes is Hoorn gesticht door Hornus, stiefzoon van koning Radboud. Hornus was getrouwd met Gunterdom, dochter van Gordianus, stadhouder van Teckenburgh. Hij stichtte volgens de legendes in 716 in het westen van Friesland aan het water een plaats en noemde die naar zichzelf. Dit was onder de Friese adel vrij gebruikelijk. Dezelfde legendes vertellen ook dat het plaatsje in 724 afbrandde, en dat het toen jaren duurde voor het herbouwd werd.

Voor zover deze legende klopt, hoeft dit Hoorn niet op de huidige plaats gelegen te hebben, maar wellicht in het gebied dat later door de Zuiderzee overspoeld is. Het verplaatsen van plaatsen die dreigden te overstromen was in de middeleeuwen in West-Friesland gangbaar. Van Enkhuizen, Scharwoude, Etersheim en Warder is bekend dat zij in westelijke richting verplaatst zijn vanwege de oprukkende Zuiderzee. Oosthuizen is daarentegen door de groter wordende Beemster in oostelijke richting verplaatst. De grens van de Zuiderzee aan de Westfriese/Waterlandse zijde lag rond 600 veel oostelijker (van Wijdenes richting Volendam en Marken), maar is na verscheidene overstromingen van veengebieden kilometers opgeschoven. Met name na 1100 vonden er steeds grotere overstromingen plaats.

De oudste restanten van bewoning die tot nu toe bij archeologische opgravingen gevonden zijn, stammen uit ongeveer 1200. Hoorn was toen niet meer dan een kleine plaats, met boerderijen en wellicht enige handel. Volgens de Hoornse geschiedschrijver Velius ontstond Hoorn in de 14e eeuw bij de monding van de Gouw (eigenlijk De Tocht geheten; de Gouw was de weg en buurtschap erlangs) voorbij de dijk van het Oost en het West, een veenstroompje (natuurlijke afwatering in het originele veenlandschap) dat via een sluis en overtoom bij de huidige Roode Steen in de Zuiderzee uitmondde. Ook de landweg Noord (in feite de scheidingsdijk tussen Ooster- en Westerpolder, het verlengde van het Keern en Rijsdam) kwam hier uit. Op dit centrale punt zouden Hamburgse broers in 1316 hun pakhuizen en een herberg gebouwd hebben. Dit laatste kan waar zijn, maar volgens de opgravingen bestond Hoorn toen al, en Hoorn wordt ook al eerder in geschriften genoemd. Bovendien is de binnendijk van Rijsdam-Keern-Noord vermoedelijk in 1320 aangelegd. Tot dan lag de waterkundige bangrens tussen de ontginningsgebieden Hoorn (later deel van de Oosterpolder) en Berkhout (later deel van de Westerpolder) in de Keernsloot. De sluis van de Roode Steen bestond toen al wel enkele decennia (1288).

Opmerkelijk is dat Hoorn een ontginningsstructuur heeft die afwijkt van de aangrenzende gebieden: de kavelsloten tussen de Holenweg, Groene Wijzend en de Keernsloot lopen in oost-westelijke richting, en de centrale ontginningsas (De Gouw) noord-zuid. Deze structuur komt verder alleen in Schellinkhout en Wijdenes voor. Zwaag, Berkhout en Scharwoude kennen een kavelslotenstructuur in noord-zuidelijke richting, met centrale ontginningsassen in oost-westelijke richting (de Oude Gouw in Berkhout, de Dorpsstraat in Zwaag, en de Scharwoude in Scharwoude). Blokker is pas in een later stadium ontgonnen als reeds omsloten land; hetzelfde geldt waarschijnlijk ook voor het gebied tussen Zwaag en Hoorn. Opmerkelijk in dit kader is dat de noordelijke ontginningsgrens van Hoorn (de Groene Wijzend) niet samenvalt met de oorspronkelijke zuidelijke ontginningsgrens van Zwaag (de Kleine Wijzend en de Grote Wijzend). Dit lijkt te duiden op een verschillende ontginningsoorsprong. De ontginning van West-Friesland heeft plaatsgevonden vanuit Egmond, waarvandaan men via veenriviertjes in oostelijke richting voer, bijvoorbeeld via de Leek naar Wognum en de Kromme Leek, en via de Bemestra richting de Zuiderzee (de Bemestra mondde van oorsprong samen met de Drecht uit in de omgeving van Wijdenes).

thumb|links|De binnenstad gezien vanaf het Hoornse Hop Het lijkt er sterk op dat Zwaag door kolonisten vanuit Wognum ontgonnen is, terwijl Hoorn, Schellinkhout en Wijdenes via de Bemestra en de Zuiderzee ontgonnen zijn. Wijdenes, Schellinkhout en Hoorn zouden dan van oorsprong een doorlopende noordelijke begrenzing (een dijkje of kade om het onontgonnen noordelijke veengebied af te schermen) gehad hebben langs de Blokdijk-Lageweg-Oost. Pas rond 1200 zou Hoorn dan na overstromingen – waarbij de eerste delen van het Hoornse Hop gevormd zijn – in noordelijke richting opgeschoven zijn waarbij het gebied van de Oost tot de Groene Wijzend ontgonnen is (conform het archeologisch onderzoek). Dit komt dan overeen met de latere overleveringen dat er ten zuiden van Hoorn een oudere plaats overstroomd zou zijn – toen Dampten genoemd, maar dat stamt wellicht af van d'ampte, ofwel het (oorspronkelijke) Hoornse ambtsgebied. Uit de tijden van voor 1200 zijn geen schriftelijke bronnen bekend.

Vanaf 1200 is dat anders. De oudste vermelding van Hoorn komt voor in het Stadsboek van Wismar (uit 1250-1272), waarin een Nicolaus de Horne genoemd wordt als borg voor enkele kooplieden uit Muiden. Bekend is dat er vanuit West-Friesland toen al intensief handel gedreven werd richting de Oostzee (en richting Vlaanderen), en blijkbaar hadden de Hoornse kooplieden al voldoende reputatie om borg te staan. In 1303 wordt Martin Hontin uit Brugge bi Hornicwed an West-Friesland bin des graven lande van Hollant gevangengenomen, en van zijn handelswaar beroofd. En in 1309 gaat Juvenum de Meo de Horne naar de Gwijde van Avesnes, bisschop van Utrecht, om clemente vredesvoorwaarden voor de verslagen West-Friezen te vragen. In 1311 betaalt Drebaan Haghen uit Horne een boete aan de grafelijke rentmeester, in een rekening uit hetzelfde jaar wordt Lubbrecht de schoenmaker genoemd, en in 1316 sluiten de 'judices et universi' (rechters en gemeente) in Horne een overeenkomst met de inwoners van Harderwijk.

Uit deze tijd is ook bekend dat er in Hoorn land prijsgegeven moest worden. In de kroniek van Feyken Rijp vermeldt deze bij 1260 de sluys van Horn. In een proces uit 1320 tegen Maertijn van der Nieuwerwike wordt ook nadrukkelijk over de nieuwe sluys gesproken, wat betekent dat er ook een oudere sluis was. De nieuwe sluis ter hoogte van de Roode Steen (in de oude binnendijk Oost) is rond 1288 aangelegd, toen de zuidelijker gelegen dijk door stormen opgegeven moest worden; de dijk van Oost en West werd toen de nieuwe zeedijk (inlaagdijk). Het land tussen de oude en nieuwe zeedijk verwerd tot rietland, dat deels wegspoelde, maar deels ook gebruikt werd om later de oudste buitendijkse havens van Hoorn te graven (Nieuwendam 1341 en Appelhaven 1421).

De nieuwe dijk van het West liep van oorsprong van de Roode Steen – waar de nieuwe sluis gemaakt was – recht naar de door overstromingen in Waterland inmiddels veel westelijker gelegen monding van de Bemestra (later na het aanleggen van de dam werd deze monding Schardam genoemd; de Bemestra werd toen Korsloot genoemd). Deze dijk hield het tot 1391 vol als zeedijk. Na overstromingen moest in 1391 een nieuwe inlaagdijk gemaakt worden. Ook deze zou – net als eerder het Oost – de oude noordelijke ontginningsgrens van Hoorn volgen, en liep recht in het verlengde van het Oost (via de Proostensteeg) en recht in het verlengde van de Naamsloot, de ontginningsgrens tussen Scharwoude en Berkhout. De oude dijk werd wel zo veel mogelijk in stand gehouden om het nog wel deels bestaande buitendijkse land te beschermen, maar dit moest meer en meer prijsgegeven worden. Uiteindelijk moest het dorp Scharwoude verplaatst worden. Maar ook ten westen van Hoorn vonden nog diverse doorbraken plaats, vooral bij de monding van de Keernsloot in de Zuiderzee, waarna eerste helft 15e eeuw de halvemaansvorm van de Westerdijk als nieuwe inlaagdijk aangelegd werd. Bij de overstroming van de omgeving van de Barchouter Sluze (Berkhouter Sluis, monding van de Slimtocht) ontstond de Grote Waal.

Bloeiperiode thumb|Gezicht op Hoorn in de VOC-tijd (1622). Hendrick Cornelisz Vroom Op 26 maart 1356/1357 verleende Willem V stadsrechten aan Hoorn, tegen betaling van 1550 schilden (gouden écu's). Door deze maatregel kon de stad zelf rechtsregels opstellen en handhaven, en belastingen innen. Een neveneffect was dat de ontwikkeling van de stad als handelsnederzetting sterk bevorderd werd. De akte bevindt zich in het Westfries Archief.Oud archief stad Hoorn, 1356-1815 Westfries Archief, archieftoegang 0348, inventarisnummer 2652

Hoorn overvleugelde al snel de andere Zuiderzeehavens. Alleen Amsterdam kende in de 15e eeuw een soortgelijke snelle groei. Belangrijke impulsen voor de stad was de keuze voor Filips van Bourgondië. Het Bourgondische rijk vormde een stimulans voor de handel. In de 15e eeuw ontwikkelde zich een levendige lakenindustrie, waarvan het product zich qua prijs en kwaliteit kon meten met het laken uit Leiden, Den Haag en Haarlem. Tegenspoed, voortkomende uit onder andere de Hoekse en Kabeljauwse twisten, alsmede de Gelderse Oorlogen rond 1500 brachten deze lakenhandel in de problemen. Bovendien kozen steeds meer Hoornse handelaren er voor te participeren in de Oostzeehandel (graan uit Polen en Litouwen naar Italië brengen).