De Staten-Generaal van de Nederlanden was tussen 1464 en 1796 een college waarin afgevaardigden van de Provinciale Staten van de gewesten van de Nederlanden samenkwamen. Oorspronkelijk bestond de vergadering uit vertegenwoordigers van de Staten of standen van de zeventien provincies, die door de Bourgondische hertogen en later de Habsburgse landsheer werden samengeroepen, bijvoorbeeld wanneer deze landheren in geldnood zaten en een belasting (bede) moest worden toegekend. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog splitste de Staten-Generaal in een opstandige noordelijke vergadering en een zuidelijke pro-Spaanse koningsgezinde vergadering. Na de onafhankelijkheid van de Republiek der Verenigde Provinciën groeide de rol van de Staten-Generaal in de Noordelijke Nederlanden, en werd ze het hoogste orgaan van de Unie; in de Zuidelijke Nederlanden werd het college echter zelden nog bijeengeroepen.
Bourgondische en Habsburgse Nederlanden De Staten-Generaal werd opgericht in 1464 door Filips de Goede, hertog van Bourgondië, en vergaderde tot 1576 gemiddeld eens per jaar.
Ontstaan In 1386 richtte Filips de Stoute (r. 1384-1404) in Rijsel een Raadkamer voor financiële en juridische aangelegenheden voor Vlaanderen, Artesië, Antwerpen en Mechelen in. Dit bovenregionale orgaan was een kiem waaruit later de Staten-Generaal van de Nederlanden zou groeien.
Binnen de verschillende gebieden die onder het bewind van Filips de Goede vielen, was al enige tijd sprake van een vorm van vertegenwoordiging van het 'land' via de standen (Staten).S.J.Fockema Andreae, H.Hardenberg e.a.: 500 jaren Staten-Generaal in de Nederlanden Welke standen in deze vertegenwoordiging precies plaatsnamen en welke invloed zij hadden, verschilde van gewest tot gewest maar vloeide voort uit het feit dat de landheer geld nodig had, en hiervoor afhankelijk was van de onderdanen. Deze onderhandelden in zulke vergaderingen over de hoogte, de wijze van heffing en eventuele andere zaken.
In de 15e eeuw begonnen de leden van de Bourgondische personele unie spontaan bijeen te komen over kwesties die hen aangingen.Robert Stein, De hertog en zijn staten. De eenwording van de Bourgondische Nederlanden, ca. 1380-ca. 1480, 2015, p. 155 In 1427 belegden de Vier Leden van Vlaanderen en de Staten van Henegouwen, Artesië en Picardië een vergadering om te bespreken of ze Filips de Goede zouden erkennen als voogd van Jacoba van Beieren. Vier jaar later kwamen afgevaardigden van Vlaanderen, Brabant, Holland en Zeeland te Brussel bijeen om over de lakenhandel te overleggen.
Eerste bijeenkomst van 1464
thumb|Het Stadhuis van Brugge, waar in 1464 de eerste staten-generaal bijeenkwamen.
Doordat meerdere gewesten onder een personele unie vielen, waren er ook gezamenlijke belangen en werden vertegenwoordigers van diverse Staten af en toe bijeengeroepen - gewoonlijk in een van de Vlaamse steden. De allereerste Staten-Generaal binnen het gebied van de Nederlanden (en iets daarbuiten), waarbij dus alle gebieden vertegenwoordigd waren, werden op 9 januari 1464 in het graafschap Vlaanderen in Brugge samengeroepen.Er is ook een bron die vermeldt dat er al op 15 december 1463 een bijeenkomst plaatsvond hierover in Brugge, maar dit is niet voldoende bevestigd. Hoewel dit de eerste keer was dat de vertegenwoordigers van de Staten van alle gewesten bijeen werden geroepen, werd dit door de tijdgenoten niet als een nieuw concept ervaren. Er was immers al een voorgeschiedenis met intergewestelijk overleg.
Belangrijkste reden voor de bijeenkomst was dat Filips op kruistocht zou gaan, en maatregelen wilde treffen met betrekking tot zijn vervanging. Dit was van belang, omdat hij op slechte voet stond met zijn zoon Karel de Stoute. Het initiatief kwam aanvankelijk van onderuit. Op vraag van de Hollandse en Zeeuwse steden riep Brugge stedelijke afgevaardigden samen uit alle landen van herwaarts over. De hertog beantwoordde dit voldongen feit door op dezelfde plaats en datum de drie standen uit alle Bourgondische Nederlanden te ontbieden. Kwaad wees hij er in de uitnodiging op dat het initiatiefrecht alleen aan hem toekwam "als uw vorst en heer". De achterliggende bedoeling van Filips de Goede was om de belastingheffing te vereenvoudigen en de samenhang van de Nederlanden te bevorderen, niet in de laatste plaats door de provinciale munteenheden te stabiliseren en te coördineren. (1996), De Republiek (1477-1806), , Vol. I, p. 43
De uitkomst van de vergadering was een verzoening tussen Filips en zijn zoon. De hertog toonde zich dankbaar voor de succesvolle bemiddeling maar benadrukte nogmaals dat híj het alleenrecht had de Staten-Generaal bijeen te roepen. De naam 'Staten-Generaal' werd overigens nog niet gebruikt. In de Brugse stadsrekeningen werd de eerste bijeenkomst aangeduid als een vergadering van de Vier Leden van Vlaanderen metten Staten vander lande van onsen gheduchten heere van harwaerts over. Na afloop van de eerste vergadering midden februari zorgde Filips direct voor een tweede bijeenkomst de volgende maand te Rijsel. De nieuwe instelling was misschien overhaast geboren, maar de nood aan interregionaal overleg had reeds lang in de lucht gehangen en onmiddellijk zijn nut bewezen. Voor het eerst kreeg het idee van de Lage Landen officieel vorm.
Verdere ontwikkeling500 jaren Staten-Generaal in de Nederlanden, p. 17-63 thumb|De door het Huis Bourgondië feodaal geregeerde gebieden, van 1465 tot 1477 Filips werd in 1467 al opgevolgd door zoon Karel de Stoute, wiens bewind mede werd gevormd door een poging tot centralisatie van bestuur en dure oorlogen tegen Lotharingen en Frankrijk. Dit leidde in 1473 tot een grote bijeenkomst van de Staten-vertegenwoordigers in Brussel, waarbij hij om de grote som van 600.000 kronen per jaar vroeg. Dit leidde tot een onderhandeling, en het voeren van ruggespraak met de Staten van de gewesten. Uiteindelijk kreeg Karel grotendeels zijn zin, maar de (financiële) onderhandelingskracht van de Staten-Generaal tekende zich al af, en zou verder toenemen - zoals in 1476 duidelijk zou worden, toen een nieuwe bede praktisch geheel werd afgewezen. In 1477 stuurden, na de dood van Karel op het slagveld en de opvolging door zijn ongehuwde dochter Maria, de Staten-Generaal zelfs hun eigen afgezanten naast die van de hertog naar de koning van Frankrijk om te onderhandelen over vrede.
In 1477 stonden de Staten-Generaal sowieso in een sterke onderhandelingspositie, en dwongen zij ook het zogenaamde Groot Privilege af, waarbij de centralisatie van Karel weer grotendeels ongedaan werd gemaakt, en de Staten weer veel zelfstandigheid verworven. Ook verkregen zij het recht om jaarlijks op eigen initiatief samen te komen in een stad in Vlaanderen, Brabant of Henegouwen.
Maria trouwde met de Habsburgse Maximiliaan van Oostenrijk, zoon van de Duitse keizer, die het bestuur weer enigszins centraliseerde, en de Staten-Generaal verviel weer tot een wat passieve instelling. Bij het overlijden van Maria in 1482 was haar zoon Filips nog zeer jong, en wilde Maximiliaan dan ook als (langdurig) regent optreden. Ter bevestiging werden de Staten-Generaal bijeengeroepen, en in deze wat instabiele periode wisten zij wederom vredesonderhandelingen met Frankrijk af te dwingen (uiteindelijk resulterend in de Vrede van Atrecht).
Tegelijk wordt uit de rapportages van deze vergaderingen duidelijk dat de werkelijke macht eigenlijk helemaal niet in de Staten-Generaal lag, maar bij de Provinciale Staten van de diverse Gewestelijke Staten. De afgevaardigden hadden namelijk zeer beperkte bevoegdheden (last), ze ontvingen de bede van de vorst en moesten ruggespraak houden met de hun respectievelijke Provinciale Staten van ieder gewest voor de meeste beslissingen. Tussen 1488 en 1559 kwamen de Staten-Generaal gemiddeld twee keer per jaar bijeen, zij het onregelmatig en vaak met de voornaamste bedoeling om snel naar de Provinciale Staten te communiceren. Na de afschaffing van het Groot Privilege in 1493 kwamen de Staten-Generaal enkel nog bijeen op initiatief van de vorst.
Deze gelegenheden werden door de afgevaardigden van de zeventien gewesten vaak benut om nieuwe privileges te bepleiten; een reden waarom de heersers van de Lage Landen niet happig waren de Staten-Generaal bijeen te roepen en zich eerder rechtstreeks richtten tot de Staten van iedere provincie. Onder Filips II was het de Staten-Generaal verboden te vergaderen zonder toestemming van de vorst. De nood van de Spaanse Furie brak die wet en op 8 november 1576 kwamen de Staten-Generaal op eigen initiatief bijeen en sloten de Pacificatie van Gent. Daarmee schaarden zij zich gezamenlijk achter de Opstand. Artikel 3 van de Pacificatie bepaalde dat het bijeenroepen van de Staten-Generaal voortaan zonder tussenkomst van de koning zou gebeuren, zodat er feitelijk een permanent parlement kwam.Pieter Serrien, In opstand! Geuzen in de Lage Landen, 1565-1578, 2022, p. 474.
Plakkaat van Verlatinghe Op 26 juli 1581 werd het zogenaamde Plakkaat van Verlatinghe, opgesteld door de griffier Jan van Asseliers, ondertekend door de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden.Originele tekst: Staté Generael van de gheunieerde Nederlanden. naar bron: Met het document, ook wel de akte van Afzwering genoemd, namen de noordelijke gewesten afstand van de Spaanse koning Filips II, ze verklaarden de koning vervallen (verlaten) van zijn macht. Als reden werd gegeven dat de vorst zijn plichten tegenover zijn onderdanen niet nakwam om met recht en rede te regeren en hen te beschermen, maar hen oude rechten afnam en hen als slaven probeerde te onderdrukken. Men vond dat hij dan geen vorst meer was, maar een tiran, wat onderdanen het recht gaf hem af te zweren.
Toen Brussel in 1578 weer in handen van de koning dreigde te vallen, hadden de Staten-Generaal zich naar Antwerpen verplaatst. Ook die stad bleek niet veilig meer en de Staten verhuisden in 1583 naar Middelburg. Vanaf 1585 werd Den Haag de vergaderplaats; in dat jaar vielen de belangrijke Brabantse steden Brussel en Antwerpen aan de Spaanse Nederlanden. Vooral de Val van Antwerpen was een grote klap voor de rebellen, die vreesden dat zonder die stad de Opstand verloren was; er zijn dan ook verscheidene pogingen gedaan om de stad te ontzetten en later te heroveren, geen van alle echter succesvol.
Republiek der Verenigde Nederlanden miniatuur|De zeven provinciën met de generaliteitslanden in lichtblauw Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568 - 1648) ontwikkelden de Staten-Generaal zich van het oorspronkelijke adviescollege tot een meer bestuurlijk lichaam. De eerste twintig jaar namen zij nog het voortouw om een nieuwe vorst te vinden voor de Nederlanden. Johan van Oldenbarnevelt en graaf Maurits van Nassau besloten in 1587 geen pogingen meer te ondernemen om een soevereine vorst voor de Nederlanden te vinden en in de Justificatie of Deductie werd bepaald dat de politieke macht bij de Staten-Generaal zou komen te liggen. Waar aan het begin van de oorlog nog de Raad van State (als vervanger van de landvorst) fungeerde als een soort van staatshoofd, verschoof deze functie naar de Staten-Generaal - voor zover hier natuurlijk al sprake van was in het samenspel van de soevereine provinciën. Hiermee was de Republiek werkelijk geboren, zonder erfelijk staatshoofd maar met de Staten-Generaal als hoogste college. De Raad van State ontwikkelde zich hierop tot een administratief, dienend college.500 jaren Staten-Generaal in de Nederlanden, p. 64-66
Goed om te benadrukken is wellicht dat de veranderingen binnen de staatsinrichting van de Republiek zelden snel gingen - iedere keer als iets werd geïntroduceerd gebeurde dat langzaam en gewoonlijk eerst bij experiment of door erin te sluipen. Dit was zeker het geval waar het delegatie van macht betrof.
Vestiging in Den Haag thumb|Vergadering van de Staten-Generaal in Den Haag, 4 febr. 1608