miniatuur|Allegorie op de Franse Revolutie door Jeanne-Louise (Nanine) Vallain (1767-1815), Museum van de Franse Revolutie De Franse Revolutie (1789–1799)"Het is gebruikelijk de omwenteling te laten beginnen met de bijeenkomst van de Staten-Generaal op 5 mei 1789 en te laten eindigen óf met de val van Robespierre (27 juli 1794), óf met de staatsgreep van Bonaparte (24 dec. 1799)." Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993–2002) s.v. "Franse Revolutie. §1. Chronologisch verloop van de gebeurtenissen". Microsoft Corporation/Het Spectrum., A History of Western Society (9e editie 2008) 699. was een internationaal invloedrijke politieke omwenteling, waarbij de absolute monarchie die Frankrijk ongeveer twee eeuwen had geregeerd werd afgeschaft, en de Eerste Franse Republiek werd gesticht. Tijdens dit nieuwe bewind werden de afgezette koning Lodewijk de Zestiende en zijn gemalin Marie Antoinette door een tribunaal berecht, ter dood veroordeeld en publiekelijk geëxecuteerd. De macht en de privileges van adel en geestelijkheid werden teruggedrongen onder druk van radicale politieke groeperingen, de mensenmassa in de steden en boeren op het platteland. Het oude maatschappelijke stelsel van absolutisme, aristocratie en de macht van de Kerk, werd vervangen door de principes van Liberté, égalité, fraternité, oftewel "vrijheid, gelijkheid en broederschap" . De Franse Revolutie heeft verstrekkende en blijvende veranderingen teweeggebracht in Frankrijk, die zich vervolgens verspreidden over heel de wereld.Jeremy Popkin (20 januari 2020), Vive la révolution! Must radical political change generate uncontainable violence? The French Revolution is both a cautionary and inspiring tale. Aeon. Gearchiveerd op 1 juni 2023.
De Franse Revolutie werd gekenmerkt door de paradox van een strijd tegen de toenmalige monarchie om de vrijheid, maar die uitliep in een dictatuur van de Jacobijnen, en uiteindelijk die van Napoleon Bonaparte. Dit historische gegeven werd door Karl Marx als bonapartisme benoemd: een revolutie die omslaat in haar tegendeel.
De Franse Revolutie was een van de eerste opstanden in de geschiedenis met een politieke leiding. Eerdere boerenopstanden hadden een spontaan en vaag anarchistisch karakter: de opstandelingen hadden geen duidelijk politiek programma, als alternatief voor het bestreden ancien regime. Een nieuwe, gunstige factor voor het slagen van de Franse revolutie was de massacommunicatie, middels de verspreiding van pamfletten. Deze verspreiding had in de 18e eeuw een hoge vlucht genomen, dankzij de drukpers en het verzet tegen de censuur. Een belangrijke verworvenheid van deze revolutie werd dan ook de vestiging van de vrijheid van drukpers. In de achttiende eeuw werden in de Republiek der Nederlanden talrijke, vooral Franstalige boeken gepubliceerd die, om hun als subversief ervaren inhoud, in Frankrijk en elders door de overheid of de Katholieke Kerk verboden waren.
De door de revolutionairen verkondigde constitutionele en ideologische hervormingen stuitten op verzet en bleken niet te kunnen worden doorgevoerd zonder burgeroorlog, meedogenloze terreur en in de buitenlandse politiek een oorlog met onder meer Groot-Brittannië. Doordat er ook binnen de eigen gelederen van de revolutionairen onderling wantrouwen heerste en er uiterst rigoureus (meestal met de doodstraf) werd opgetreden tegen vermeende tegenstanders, heerste al spoedig een angstcultuur. Daarin vreesde menigeen lichtvaardig te worden bestempeld tot handlanger van het ancien régime (zie hieronder) of tot een heimelijke Britse spion. Om de politieke problemen te boven te komen en de onbestuurbaarheid van het steeds chaotischer wordend revolutionair Frankrijk te verdoezelen, stuurde de girondijnse politieke factie aan op oorlog, met als hoofdargument de Verklaring van Pillnitz (augustus 1791). Daarin hadden Oostenrijk en Pruisen de Europese monarchieën opgeroepen het Franse koningshuis te redden; zij vreesden dat de revolutionaire ideeën zouden overslaan naar hun eigen land. Hierop volgden de Coalitieoorlogen. Tijdens deze oorlogen beëindigde uiteindelijk generaal Napoleon Bonaparte die de macht greep (1799) de Franse Revolutie. (Latere politieke agitatoren, zoals Karl Marx in de 19e, en Leon Trotski in de 20e eeuw, bedienden zich van de term bonapartisme, als verwijzing naar het uiteindelijk falen van een revolutie en de verwording tot een dictatuur.) Napoleon bleef weliswaar een deel van het revolutionaire gedachtegoed verspreiden in zijn veroveringstocht door Europa, maar maakte tegelijk andere veranderingen ongedaan. Zo bewerkstelligde hij een gedeeltelijk herstel van de Katholieke Kerk in Frankrijk met het Concordaat van 15 juli 1801 en de herinvoering van de slavernij (Code Noir) in de Franse koloniën in mei 1802. In 1804 kroonde hij zichzelf tot keizer. Daarmee werd aan de oorspronkelijke verheven idealen Liberté, égalité, fraternité alle inhoudelijke betekenis ontnomen. Na Napoleons definitieve nederlaag in de Slag bij Waterloo (1815) werd de Bourbon-monarchie door de Europese mogendheden hersteld.
Oorzaken van de Franse Revolutie Het Franse ancien regime had zichzelf gedurende de 18e eeuw steeds verder uitgehold, en implodeerde uiteindelijk, doordat hervormingspogingen telkens op hevige tegenstand van de geprivilegieerden stuitten.
Niet onbelangrijk was de Amerikaanse Revolutie van 1776, waarin Britse kolonisten het gezag van het Britse koninkrijk niet langer erkenden en (met steun van Frankrijk) een eigen republiek hadden gevestigd. Deze alternatieve staatsvorm has reeds in de klassieke oudheid bestaan (zoals de Romeinse Republiek), maar was in de Europese middeleeuwen een zeldzaam fenomeen.
Vrijwel alle Europese staten waren destijds koninkrijken of vorstendommen. De heersende, door de kerken gesteunde leer was dat de maatschappelijke orde, en dus ook het vorstelijk gezag, door God waren opgelegd. De sporadische uitzonderingen daarop vormden de Republiek Venetië, de daarvan afgescheiden Dalmatische Republiek Ragusa (het Kroatische Dubrovnik), de Zwitserse Federatie en de Republiek der Nederlanden.
De periode voorafgaand aan de Franse Revolutie was de Verlichting. Daarin speelden meerdere Franse filosofen een prominente rol, onder wie de Zwitsers-Franse Jean-Jacques Rousseau (1712-1778). Door de Franse revolutionairen zou hij postuum de status van idool en voorbode van de revolutie toebedeeld krijgen.
Rousseau had in zijn geschriften een oproep gedaan voor een meer gewenste staats- en maatschappijvorm. In zijn bekendste werk Du contrat social (Het maatschappelijk verdrag) pleitte hij voor een republikeinse staatsvorm, waarin de macht bij het volk zou liggen (volkssoevereiniteit). Hij stelde voor alle individuele belangen op te offeren voor het algemeen belang, en het gezag van de heersers te vervangen door een collectieve wil.
Weliswaar had Rousseau in zijn geschriften gesuggereerd dat een gewelddadige omverwerping van het gezag onder bepaalde omstandigheden wenselijk en mogelijk zou zijn. In zijn roman Emile schreef hij zelfs over een fictieve opstand, waarin de onderdrukte en arme bevolking in opstand kwam tegen hun onderdrukkers. Zijn postume idolisering was afkomstig van zijn volgelingen, tijdens de Franse revolutie, met name de Jakobijnen (zie ook hieronder). Nergens uit Rousseaus geschriften blijkt echter dat hij, bij leven, een machtsuitoefening zoals door de Jakobijnen, en ook zijn idolisering, zou hebben geaccepteerd. Hoewel Rousseau kritisch was over de samenleving en het gezag, stond hij ook wantrouwend tegenover de massa en de gevaren van een democratie: hij zou bezorgd zijn geweest over het gebruik van zijn opvattingen door de Jakobijnen.
De Duitse filosoof Leo Maduschka benadrukte in 1932, dat de Franse Revolutie weliswaar ondenkbaar zou zijn geweest zonder de voorafgaande Verlichting, maar dat de revolutionaire gezindheid die zou leiden tot de ingrijpende machtswisseling, de aanwakkering betrof van een geheel nieuwe, voorheen onbekende 'geest'. Das Problem der Einsamkeit im 18. Jahrhundert, im besonderen bei J.G.Zimmermann, Verlag von Alexander Duncker, dissertatie 1932; na zijn dood door een bergsportongeval uitgebracht in een handelseditie in 1933, Verlag von Alexander Duncker, Weimar, pag. 95
De voornaamste grieven van de verschillende standen waren: Op sociaal gebied hadden de klassentegenstellingen zich verscherpt. De burgerij verwierp de vele privileges van de adel en de hogere geestelijkheid; de boeren verzetten zichMen bedenke dat toen ongeveer 90% van de bevolking op het platteland woonde. Zie: Dr. E. Rijpma - De ontwikkelingsgang der historie - geïllustreerde algemeene en vaderlandse geschiedenis - III nieuwste geschiedenis, J.B. Wolters uitgeversmaatschappij N.V -Groningen/Den Haag, 1930 - derde druk, blz 13 tegen de feodale rechten, tegen de tienden en andere heffingen ten voordele van de grootgrondbezitters. De eisen van de burgerij kwamen tot uiting in de Cahiers de doléances die de steden in 1789 meegaven aan hun vertegenwoordigers in de Staten-Generaal. Ondanks de economische groei van de 18e eeuw, bleven bevoorradingscrises en de voortdurende stijging van de voedselprijzen het dagelijks leven domineren. Noch de plattelanders (85% van de bevolking) noch de stedelijke ambachtslui en arbeiders zagen hun situatie verbeteren. Ondertussen had een nieuwe filosofische stroming na 1750 Frankrijk veroverd. De Verlichting stelde de rede tegenover de traditie. Uit de "ideeënstroom" die met deze beweging gepaard ging, werd een gepopulariseerde 'revolutionaire' ideologie geboren. De overtuiging dat er iets moest veranderen werd steeds breder gedragen. Eerder al leidde deze opvatting tot de geslaagde Amerikaanse Revolutie (1775–83), die een van het Britse Rijk onafhankelijke burgerrepubliek tot gevolg had, en tot de mislukte Patriottenbeweging in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1780–87), die werd gevolgd door een reactionaire Oranjerestauratie. De koning handelde - volgens de adel - niet legitiem, vanwege zijn pogingen de adellijke voorrechten te verminderen, de rechtspraak en het bestuur te vereenvoudigen, wegen aan te leggen en de belastingen gelijkmatig te spreiden, had Lodewijk XV zich de vijandschap van de adel en de adellijke Parlementen op de hals gehaald. In 1750 brak een jarenlange strijd uit tussen de koning en de adellijke Parlementen - de feitelijke aanloop tot de Revolutie, 40 jaar vóór de officiële datum. Chateaubriand noteerde Les patriciens commencèrent la Révolution, les plébéiens l'achevèrent - "de edelen begonnen de Revolutie, het volk voltooide haar". Het conflict, met wisselende successen aan beide kanten, resulteerde na 48 jaar, onder Lodewijk XVI, in een totale blokkering van het staatsapparaat, de onmogelijkheid om adequaat belastingen te heffen en een bankroet van de Franse staat. De historicus Michel Antoine legt de kiem van dit geleidelijk aanzwellend conflict, dat hij kwalificeert als een juridische staatsgreep, bij regent. Deze besloot in 1715 om de door Lodewijk XIV gemuilkorfde Parlementen het remonstrantierecht terug te geven.