thumb|Sint-Pieterskerk thumb|Lazaruskapel met aanpalende woning thumb|Voormalige lepra-woningen thumb|Voormalig tramstation thumb|Onze-Lieve-Vrouw beeld in de Peperstraat thumb|Aankomst van Sinterklaas via de Rupel Rumst is een plaats en gemeente in de Belgische provincie Antwerpen en ligt aan de samenvloeiing van Dijle en Nete tot de Rupel. De gemeente heeft drie deelgemeenten (Rumst, Reet en Terhagen), telt ruim 15.000 inwoners en behoort tot het gerechtelijk en kieskanton Boom.
De fusiegemeente (en dan vooral Terhagen en het gedeelte van Rumst dat aan de oevers van de Rupel ligt) staat nog steeds bekend om haar talrijke kleiputten en steenbakkerijen, hoewel deze vrijwel allemaal sinds de jaren 80 verdwenen zijn. Het bos van schoorstenen dat men tot die tijd kon aantreffen is reeds jaren geleden gesloopt en anno 2006 bleven er slechts twee over. In Reet en op de Vosberg (het oostelijke deel van Rumst) daarentegen werd haast uitsluitend aan land- en tuinbouw gedaan. De laatste decennia ontplooit de gemeente zich als een groen buitengebied (tussen Mechelen en Antwerpen) met aandacht voor wonen en recreatie, vooral door de fiets- en voetgangersbruggen over Nete en Dijle.
Toponymie Rumst heeft vele naamvariaties gekend: Rumesta, Rumestam, Rumest, Rumpst en andere. Historici en toponymisten hadden de volgende verklaringen: Sel trachtte de benaming af te leiden uit het Grieks en gaf als betekenis “woning aan den waterkant”. Een andere verklaring die Sel geeft is een afgeleide van de Romeinse overheersing. Rumst zou dan een verbastering zijn van Rommestein, wat zoveel zou willen zeggen als Romeinse burcht. Joseph Mansion stelde dat de naam Rumst een samenstelling is van de Middelnederlandse woorden ruum (uitgestrekt, breed, ruim, open) en ast (bebouwde grond?). Albert Carnoy ging eveneens uit van het Middelnederlandse ruum als stam. Hij stelde echter dat -st een suffix is en ruumst dus eerder als een verzamelwoord beschouwd moest worden en dus iets als "de uitgestrekte gronden" of "Ruime nederzetting" betekende. Ten slotte zijn er nog de opvattingen van Albert Kreglinger (“Loop van het water”) en Louis Stroobant. Deze laatste stelde dat Rumst de verbastering vorm was van Romanorum statio, wat zoveel zou willen zeggen als Romeinse standplaats, daar de Romeinse vloot tijdens de Romeinse overheersing hier gestationeerd zou zijn geweest. Volgens Alfred Michiels is de meest plausibele verklaring dat de naam een verbastering is van Ruperosta, dat dan "aanlegplaats aan de Rupel" zou betekenen.Andouerpis Antwerpen: nieuwe zoektocht naar de betekenis van de naam Antwerpen en de vroegste geschiedenis van de Antwerpenaars (Rumst 2007)
Geschiedenis De Romeinse periode Van Dessel stelt dat Rumst een Romeinse villa was die bewoond werd door een inlandse bevolking. Deze hield zich vooral bezig met landbouw en het ontginnen van klei. Met deze klei werd aardewerk vervaardigd, dat op zijn beurt werd uitgevoerd via enerzijds de Rupel, anderzijds de heerbaan. Deze heerbaan zou van Bavai naar Utrecht gelopen hebben en in de onmiddellijke nabijheid van Rumst de Rupel overbrugd hebben. De eerste vici ten noorden van Rumst waren die van Kontich en Mortsel, ten zuiden waren dit die van Asse en Elewijt.
Bij een opgraving is een tegula gevonden met het opschrift C.G.P.F. Deze initialen kunnen op twee manieren geïnterpreteerd worden. Een eerste interpretatie is Cohors Germanica Pia Fidelis, wat een kleine legereenheid was. Een andere mogelijke verklaring is Classis Germanicae Piae Fidelis, een onderdeel van de Romeinse vloot met als opdracht het bewaken van de Rijn die als grensrivier van het rijk fungeerde. Hieruit concludeert men dat Rumst een bijstation zou geweest zijn van de Romeinse vloot. Rumst heeft inderdaad een strategische ligging aan de samenvloeiing van de Dijle en de Nete in de Rupel. Neyens verwijst nog naar Stroobant die ook deze mening toegedaan is wanneer hij schrijft dat Rumst het snijpunt is van de enige Romeinse heerbaan van Gallië naar het noorden, ten westen van de Maas, met de samenvloeiing van Rupel, Nete en Dijle. Bijgevolg, zegt Stroobant, kan Rumst niet anders dan een belangrijke Romeinse nederzetting zijn geweest.
Hoe het ook zij, Rumst was destijds een bloeiende gemeenschap die leefde van landbouw, visserij en pottenbakkerij. Neyens besluit zijn uiteenzetting over de Romeinse periode nog door te zeggen dat Rumst zijn ontstaan en bloei te danken heeft aan het verblijf van de Romeinen. Ook zou Rumst een begraafplaats gehad hebben, dit doen de urnen met as vermoeden die in 1863 ontdekt zijn. Daar het gebied werd uitgebaggerd voor de exploitatie van klei, is deze vermoedelijke begraafplaats hoogstwaarschijnlijk verloren gegaan.
Archeologisch onderzoek heeft ook verschillende brandsporen aan het licht gebracht. Hieruit concluderen archeologen de verwoesting van Rumst. De Maeyer vermoedt dat deze vernieling heeft plaatsgehad tijdens de inval van de Chauken, een Germaanse stam die oorspronkelijk langs de kusten van de Noordzee resideerde tussen de Eems en de Elbe, die vermoedelijk heeft plaatsgevonden in de jaren 172-174 n.Chr. Daarna herstelde de villa zich enigszins en werd een tweede maal onder de voet gelopen door de Franken in de jaren 425-430 n.Chr., die zich er daarna hoogstwaarschijnlijk zelf vestigden.
Recente opgravingen op het Molenveld eind jaren tachtig, hebben meer voorwerpen uit de Gallo-Romeinse tijd boven gebracht. Het zijn vooral gebruiksvoorwerpen zoals wrijfschalen en ander aardewerk maar ook tegelovens en grafversieringen zoals ook in het Gallo-Romeins museum in Tongeren te zien zijn. De meest opmerkelijke vondst is een bronzen hand met Romeinse versieringen. Archeologen twijfelen er niet langer aan dat Rumst een niet onbelangrijke Romeins handelscentrum en legerplaats is geweest. De omvang van deze Romeinse nederzetting is moeilijk te achterhalen omdat het huidige centrum is gebouwd op die plaats.
De heren van Grimbergen en de Berthouts De periode die volgt is in nevelen gehuld. Vanaf het jaar 1000 lijkt er meer klaarheid te komen, maar de kennis die in de literatuur naar voor wordt gebracht, berust voor een groot stuk op gissingen en veronderstellingen. Men weet dat Rumst, als onderdeel van het Land van Grimbergen, bezit was van de heren van Grimbergen.
Voor zover bekend was Wouter “draeckenbart” van Grimbergen (±1076 - ±1120) de eerste heer van Grimbergen. Hij wordt gezien als de stamvader van de familie van Grimbergen. Het enige wat men over hem kan afleiden uit de bronnen is dat hij een belangrijke rol gespeeld heeft in de stichting van de abdij van Grimbergen. Croenen gaat ervan uit dat, gezien de sterke positie van Wouter I van Grimbergen binnen de neder-Lotharingse aristocratie, hij een aanzienlijk aantal verwanten telde binnen de neder-Lotharingse aristocratische families. Het Nationaal Biografisch Woordenboek noemt Wouter I van Grimbergen overigens Wouter I Berthout. Deze zienswijze, die de heren van Grimbergen vereenzelvigt met de familie Berthout, was lange tijd de meest gangbare en wordt ook vandaag nog algemeen aanvaardt onder lokale historici. Deze werd echter ontkracht na een diepgaand onderzoek van Godfried Croenen.
Vermoedelijk zijn de heren van Grimbergen ook verantwoordelijk voor de bouw van het kasteel van Rumst. Dit kasteel werd waarschijnlijk gebouwd in de late 9de eeuw, als reactie op de inval van de Noormannen die, volgens een kroniek uit de 15de eeuw, in 837 Rumst geteisterd zouden hebben. De betrouwbaarheid van deze kroniek (Brabantsche yeesten), die ruim 600 jaar na dato verscheen, lijkt echter betwijfelenswaardig. Naast het kasteel zouden de heren van Grimbergen ook een versterking gebouwd hebben. Rond het kasteel ontwikkelde zich de nederzetting Rumst.
De heren van Grimbergen resideerden, na de vernieling van hun woonst te Grimbergen, tijdens de Grimbergse Oorlogen, na enkele omzwervingen uiteindelijk in Rumst zelf, wat kan worden afgeleid uit een aldaar ondertekend charter uit 1181. Grimbergen, en bijgevolg ook Rumst, blijft tot 1248, de dood van Adelize van Grimbergen, in handen van de heren van Grimbergen. Na de dood van Adelize van Grimbergen gaat het land van Grimbergen over naar de familie van haar man, Godfried van Perwijs.
De eerste heer van Grimbergen uit het geslacht Perwijs is Godfried II van Perwijs, de zoon van Adelize van Grimbergen en Godfried van Perwijs. Na de dood van Godfried II van Perwijs ging het land van Grimbergen naar zijn zuster Ada van Perwijs, om vervolgens, in 1290, naar haar neef Filips van Vianden te gaan, en het geslacht van Grimbergen te verlaten.
Het land van Rumst Na deel te hebben uitgemaakt van het land van Grimbergen werd Rumst een afzonderlijke heerlijkheid. Filips van Vianden was de eerste die zich als heer van Rumst betitelde. Hoogstwaarschijnlijk werden bij het overlijden van Ada van Perwijs de bezittingen van de heren van Grimbergen gesplitst en werd Rumst gescheiden van Grimbergen. Rumst vormde vanaf dan een afzonderlijke heerlijkheid, samen met Boom, Ruisbroek, Willebroek en Heindonk.
Vermoedelijk verwierf Rumst in deze periode ook zijn vrijheden, waarschijnlijk geschonken door Filips van Vianden. Men vermoedt dit omdat het wapen van de Vianden een onderdeel is van het vrijheidszegel van Rumst. Het is ook lang niet zeker dat de heren van Rumst standvastig in Rumst verbleven. Bij gebrek aan bewijzen veronderstelt Neyens dat de heren van Rumst niet in Rumst resideerden en enkel lijfelijk in Rumst aanwezig waren bij officiële aangelegenheden. Zij lieten zich vervangen door een Drossaard en schepenen, waar verschillende contemporaine bronnen melding van maken.
Na Filips van Vianden kwam het land van Rumst in handen van een hele reeks heren. In 1536 verkocht Margareta van Bourbon het land van Rumst aan Hendrik van Nassau, die het op zijn beurt naliet aan zijn zoon Renier van Nassau. Onder zijn bewind werd Rumst in 1542 verwoest door Willem V van Kleef. Hij verdacht de Rumstenaars er van de pontons van de Nete vernield te hebben, en brandde als vergelding het dorp plat.
Na de dood van Renier van Nassau kwam het land van Rumst in 1544 in handen van Willem van Oranje, die het in 1559 op zijn beurt verkocht. De laatste heer van Rumst was Karel van Baume. Onder zijn heerschappij verbrokkelde het gebied. Karel van Baume verkocht aparte stukken grond en van het oorspronkelijke grondgebied van het land van Rumst bleef enkel nog het huidige grondgebied over, wat hij ten slotte in 1690 verkocht aan Hendrik Lodewijk Ernest van Ligne.
Rumst na 1800 In 1874 werd het gehucht Terhagen een zelfstandige gemeente. Bij de gemeentelijke herindeling van 1977 werd het net als Reet weer aangehecht.
Geografie Deelgemeenten # Naam Opp.(km²) Inwoners(2025) Inwonersper km² NIS-code 1 Rumst 8,62 5.796 672 11037A 2 Terhagen 1,98 2.852 1.438 11037B 3 Reet 9,55 7.044 738 11037C
Kernen De huidige fusiegemeente ontstond in 1977 door de fusie van Rumst met de gemeenten Reet en Terhagen. Van de drie deelgemeenten telde Rumst voor de fusie de meeste inwoners. Mede met de rijke geschiedenis die dit dorp heeft, was dit de basis om de fusiegemeente Rumst te noemen. Ondertussen is door verkaveling van landbouwgrond Reet ook naar inwoners de grootste deelgemeente (bron: bevolkingsregister gemeente Rumst).
Naast deze dorpscentra liggen nog enkele gehuchten en wijken verspreid in de gemeente. In het oosten liggen de gehuchten Vosberg, met een eigen parochie H.Familie, en Lazernij een vroegere melaatsengemeenschap. Ten westen van het dorpscentrum van Reet liggen de Predikherenvelden en de meest westelijke wijk, Kleine Paepedaelen. Deze laatste vormt één kern met de bebouwing van het gehucht Koekoek in Aartselaar en het meest noordelijke deel van Boom, de wijk Kruiskenslei.
Aangrenzende gemeenten
Bezienswaardigheden
De Sint-Lazaruskapel: ooit een opvangtehuis voor de leprozen, sinds vele jaren de bestemming voor een jaarlijkse bedevaart op 15 augustus. Kasteel Hof van Tibur.