Kronosaurus is een geslacht van grote uitgestorven vleesetende zeereptielen uit het Vroeg-Krijt, dat behoort tot de Plesiosauria. Dit geslacht is vernoemd naar Kronos, een van de Titanen uit de Griekse mythologie.

Het eerste fossiel van Kronosaurus werd gevonden in 1899. In 1924 werd de typesoort Kronosaurus queenslandicus benoemd. Dat is de enige nog geldige soort. Een tweede in 1992 benoemde soort, Kronosaurus boyacensis, werd in 2022 het aparte geslacht Monquirasaurus. Fossielen zijn gevonden in zowel Queensland als in New South Wales (Australië), en zijn gedateerd op 120-110 miljoen jaar geleden (Aptien-Albien). Een in 1932 gevonden skelet, specimen MCZ 1285, werd in Amerika tentoongesteld en zou in hoge mate het beeld van Kronosaurus gaan bepalen. Achteraf bleek het exemplaar echter heel zwaar gerestaureerd en het is onzeker of het echt van Kronosaurus is. Van 1979 af is een dozijn redelijk volledige skeletten gevonden. Onderzoekers hebben hierdoor een goed begrip gekregen van de bouw van het dier.

Kronosaurus werd ruim tien meter lang en tien ton zwaar. De kop was langwerpig. Voor in de kaken stond een beperkt aantal tanden om inktvissen te grijpen. Meer naar achter droegen de bovenkaken zeer grote tanden waarmee grote prooien, zoals andere zeereptielen, dodelijk verwond konden worden. De bijtkracht was op dit punt in de kaken aanzienlijk. De nek was kort. Zoals alle plesiosauriërs bewoog Kronosaurus zich voort door een vliegende beweging te maken met zijn vier grote vinnen. De achterste vinnen waren het langst. De staart was kort.

Kronosaurus is een lid van de Pliosauridae en meer in het bijzonder de Brachaucheninae.

Vondst en naamgeving Kronosaurus queenslandicus In 1899 zond Andrew Crombie een paar onderkaken van een zeereptiel naar Charles Walter De Vis, de directeur van het Queensland Museum. Vermoedelijk was het fossiel gevonden bij Hughenden waar Crombie woonde. De Vis dacht eerst dat het een exemplaar was van Ichthyosaurus, maar begon daar later aan te twijfelen bij het bestuderen van de schedel van Ichthyosaurus australis.

Zijn opvolger, Albert Heber Longman, begreep in 1924 dat het een lid van de Plesiosauria, meer bepaald de Pliosauridae, betrof. Hij benoemde het als de typesoort Kronosaurus queenslandicus. De geslachtsnaam is afgeleid van de titaan Kronos en verwijst naar de vermoede enorme omvang van het dier. De soortaanduiding verwijst naar de herkomst uit Queensland.Albert H. Longman. 1924. "A new gigantic marine reptile from the Queensland Cretaceous, Kronosaurus queenslandicus new genus and species". Memoirs of the Queensland Museum. 8: 26–28 Sommige bronnen stellen ten onrechte dat de naam is afgeleid van Chronos.

Het holotype, QM F1609, is vermoedelijk gevonden in een laag van de Toolebucformatie die dateert uit het Albien. Het bestaat uit de symfyse, vergroeiing, van de voorste onderkaken, bewaard met zes tanden.

Augustus 1929 werden twee mijl ten zuiden van Hugheden nog eens vijftien fossielen gevonden. Het waren fragmenten, ten dele niet te determineren, maar deels van de opperarmbeenderen of dijbeenderen afkomstig, die alle werden gelabeld onder het inventarisnummer QM F2137. In 1930 werd dit materiaal beschreven door Longman.Albert H. Longman. 1930. "Kronosaurus queenslandicus : A Gigantic Cretaceous Pliosaur". Memoirs of the Queensland Museum. 10: 1–7 In 1932 publiceerde Longman een reconstructie, in 1931 getekend door Wilfrid Morden en ten dele gebaseerd op Peloneustes.Albert H. Longman. 1932. "Restoration of Kronosaurus queenslandicus". Memoirs of the Queensland Museum. 10: 98

April en mei 1935 groef J. Edgar Young voor het museum verschillende specimina op bij Telemon Station, dertig kilometer ten westen van Hughenden. Het ging onder andere om schedelmateriaal van meerdere individuen. Oktober 1935 werden ze voorlopig beschreven door Longman. Het belangrijkste stuk was specimen QM F2446, een onderste schedel zonder snuit. Andere specimina zijn QM F2447, QM F2449, QM F2450, QM F2454 en QM F2455.Albert H. Longman. 1935. "Palæontological notes". Memoirs of the Queensland Museum. 10: 236–239

MCZ 1285

Intussen was een veel completer exemplaar gevonden dat het beeld van Kronosaurus volledig zou gaan beheersen, maar ook voor grote taxonomische verwarring zou zorgen omdat het betwist werd dat het aan Kronosaurus kon worden toegewezen.

Ralph William Haslam Thomas bezat een ranch bij Hughenden, Army Downs. Al jaren lang viel het hem op dat bij een veldje voor paarden geleidelijk eigenaardige bulten aan het oppervlak kwamen. Het bleek om een reeks wervels te gaan, ingesloten in kalkknollen. In 1931 zond het Agassiz Museum of Comparative Zoology, deel van Harvard University, een expeditie uit naar Australië. Het hoofddoel was moderne buideldieren te verzamelen maar van het team maakte ook een paleontoloog deel uit, William Edward Schevill. Hij ontdekte bij de Grampian Valley-ranch de snuit en voorste onderkaken van een pliosauride, specimen MCZ 1284. Dit kwam Thomas ter ore en hij vroeg Schevill ook de fossielen op zijn land te onderzoeken. Deze huurde een Britse majoor in, met de bijnaam The Maniac, om met explosieven de botten los te slaan. Zo'n vijf ton aan rotsen werd op 1 december 1932 in zesentachtig kratten door het koelschip de SS Canadian Constructor naar Amerika verscheept. Daar begon het proces van preparering. In 1934 informeerde men bij Longman wat precies de eigenschappen van het holotype waren. Op basis daarvan concludeerde men dat MCZ 1285 aan Kronosaurus kon worden toegewezen. In 1935 werd de schedel beschreven door Theodore Elmer White.Theodore E. White. 1935. "On the skull of Kronosaurus queenslandicus Longman". Occasional Papers of the Boston Society of Natural History. 8: 219–228 In 1939 was de preparatie klaar en werd de schedel tentoongesteld.

Uit geldgebrek bleef de rest van het skelet jarenlang in de kelder van het museum liggen. Daar kwam in 1954 verandering in toen museumdirecteur Alfred Sherwood Romer, op zoek naar een opzienbarende publiekstrekker, alsnog tot een volledige restauratie besloot. Eerst werd de schedel nog eens aangepakt. Daarbij kwam men tot de conclusie dat een kam op het achterhoofd ten onrechte door White middenin de schedel was geplaatst. Het stuk bot werd verhuisd naar de bovenste achterkant. Hierna probeerde men fondsen los te krijgen van de filantroop Godfrey Lowell Cabot. Men wist dat diens overgrootvader, Thomas Handasyd Perkins, eens in de pers belachelijk was gemaakt toen hij in 1817 beweerde een "zeedraak" van achttien meter gezien te hebben in Gloucester Harbour.Later verklaard als een groep dolfijnen die achter elkaar zwommen De Cabots, een van de meest vooraanstaande families van Boston, hadden dat als zeer vernederend ervaren. Eliza en Samuel Cabot, de grootouders van J.L. Cabot, ondersteunden in 1819 hun (schoon)vader door te melden dat ze ook een zeeslang gezien hadden bij de kust van Nahant. Dit werd een beroemd incident in de kryptozoölogie. Romer zocht nu contact met de hoogbejaarde G.L. Cabot met het bericht dat hij het bewijs kon leveren dat zeedraken echt bestonden. Hij bewaarde in zijn kelder "the mother and father of all sea-serpents". Alleen moest het skelet daartoe nog helemaal geprepareerd worden. Cabot vroeg hoeveel zoiets zou kosten en Romer noemde een bedrag van tienduizend dollar. Kort daarop ontving hij een cheque van die waarde.Jensen, J.R. 1956. "Kronosaurus Queenslandicus", Uphill Both Ways, Volume 9 – Boston, Sitio web Het skelet werd in twee jaar tijd met de beitel en zuurbaden geprepareerd door Arnold Lewis, David Fuller en James Alvin Jensen. Op 10 juni 1958 werd het hele skelet tentoongesteld; Thomas, hoewel al drieënnegentig jaar oud, werd voor de onthulling uitgenodigd. Het stuk werd innovatief opgesteld door het onzichtbaar zijwaarts van een muur uit te ondersteunen zodat het leek of het dier door de lucht vloog. In 1959 werd het hele skelet beschreven.Alfred S. Romer & Arnold D. Lewis. 1959. "A mounted skeleton of the giant plesiosaur Kronosaurus". Breviora 112: 1–15 Achteraf kreeg de restauratie veel kritiek te verduren. Ongeveer een derde van het botmateriaal ontbrak, waaronder de uiteinden van vinnen en staart, en werd op aanwijzingen van Romer met gips aangevuld. De opstelling is daarom wel spottend aangeduid als "Plasterosaurus". Volgens een studie van Colin McHenry uit 2009 werden er acht wervels ten onrechte ingevoegd en is de kam op het achterhoofd toch niet authentiek: White had gelijk gehad. McHenry bestudeerde het specimen intensief in 1996.

De geldigheid van Kronosaurus

Al in 1962 stelde Samuel Paul Welles dat Kronosaurus een nomen vanum was omdat het holotype geen onderscheidende kenmerken bezit. Hij stelde voor een van de exemplaren uit Harvard als vervangend neotype aan te wijzen.Welles, Samuel P. 1962. "A new species of elasmosaur from the Aptian of Colombia and a review of the Cretaceous plesiosaurs". University of California Publications in Geological Sciences. 44(1): 1–96 Hij gaf niet aan welk specimen dat dan zou moeten zijn, maar het ligt voor de hand aan te nemen dat hij aan MCZ 1285 dacht.

Sinds 1979 werden meer grote pliosauride fossielen in Australië gevonden. Uit de Toolebuc QM F10113 (1979 door Alan Bartholomai bij Toronto station), QM F18762 (1989), QM F18154 (1990), QM F18827 (1990), QM F33574 (1995) en QMF51291 (1996). MCZ 1285 komt uit de Wallumbillaformatie en verder zijn er vondsten uit de Allaruformatie. MCZ 1284 komt uit de Doncasterformatie daterend uit het Aptien en is daarmee twaalf miljoen jaar ouder; dat maakt het twijfelachtig of het wel hetzelfde taxon betreft. Verder is er specimen RMFM R236, een reeks wervels tentoongesteld in de "Kronosaurus Korner" ofwel het Richmond Marine Fossil Museum. November 2014 vond Robert Hacon bij Euraba Station het skelet KK F0630. Specimen AM L580 is gevonden in New South Wales. Specimina SAM P22525 en SAM P40022 komen uit de Bulldog Shale.