Frederik II (Jesi, 26 december 1194 – Castel Fiorentino, Torremaggiore, 13 december 1250) was sinds 1198 koning van Sicilië, sinds 1215 Duits koning en van 1220 tot 1250 keizer van het Heilige Roomse Rijk. Frederik was de zoon van Hendrik VI van Hohenstaufen en Constance van Sicilië. Via zijn moeder was hij de kleinzoon van Rogier II van Sicilië. Via zijn vader was hij de kleinzoon van Frederik I van Hohenstaufen bijgenaamd Frederik Barbarossa.

Frederik maakte een Duitse wet, die voor het eerst ook in de volkstaal werd uitgegeven en de Wetten van Melfi voor het Koninkrijk Sicilië, waar hij een 'modelstaat' van wilde maken. Hij veroverde Jeruzalem op vreedzame wijze tijdens de Zesde Kruistocht en overwon zijn tegenstander, de Lombardische Liga. Hij streed een hevige machtsstrijd uit met de paus en werd uiteindelijk door hem afgezet, maar dat bracht zijn heerschappij niet wezenlijk in gevaar. Frederik was bijzonder getalenteerd en werd daarom Stupor Mundi (verbazing der wereld) genoemd. Hij sprak onder meer vloeiend Arabisch en was bevriend met Al-Kamil, de sultan van Egypte.

Jeugd miniatuur|250px|Frederiks geboorte in Jesi, illustratie in Giovanni Villani's Nuova Cronica, ca. 1348 miniatuur|100px|Wapen van het Huis van Hohenstaufen miniatuur|100px|Wapen van de keizer van het Heilige Roomse Rijk Frederik werd geboren op 26 december 1194, een dag na de kroning van zijn vader Hendrik VI tot koning van Sicilië. Zijn moeder, Constance van Sicilië, onderweg naar Sicilië, was opgehouden als gevolg van haar zwangerschap; zij schonk het leven aan haar zoon in het stadje Jesi in Marken.

Volgens propagandaverhalen baarde Constance haar kind in een praaltent op het marktplein van Jesi. Constance was al veertig jaar oud en realiseerde zich dat velen haar moederschap in twijfel zouden trekken, daarom zou zij enige matrones uit het stadje verzocht hebben om als getuige bij de geboorte aanwezig te zijn. Later zou ze teruggekeerd zijn naar het marktplein, alwaar zij haar kind publiekelijk de borst gaf.

Enige tijd later werd Frederik in Assisi gedoopt en kreeg hij de namen van zijn twee illustere grootvaders: Frederik Rogier.

Zijn vader Hendrik VI was reeds Rooms keizer toen hij op kerstdag 1194 tot koning van Sicilië gekroond werd. Om het keizerschap voor het huis van Hohenstaufen veilig te stellen had Hendrik VI de keurvorsten laten beloven dat ze zijn zoon tot koning van de Duitsers zouden kiezen. Toen Hendrik in september 1197, tijdens een jachtpartij in de buurt van Messina, overleed aan de gevolgen van een koortsaanval, bevond de kleine Frederik zich nog steeds in Midden-Italië onder de bescherming van graaf Koenraad van Spoleto. Het kind werd in grote haast naar zijn moeder aan het hof in Palermo gebracht.

Constance van Sicilië die als dochter van de laatste Noormannenkoning Rogier II Hauteville aanspraak kon maken op de titel koningin van Sicilië, liet haar drie jaar oude zoontje op 17 mei 1198 tot koning kronen terwijl zij zichzelf als regentes aanstelde. In Frederiks naam verbrak zij de banden met het keizerrijk, en deed afstand van de aanspraken op het Duitse koningschap. Zij deed dit om Frederiks kans, koning van Sicilië te blijven, te vergroten. Om dit te realiseren was steun van de paus noodzakelijk. Aangezien de paus niets meer vreesde dan een vereniging van het koninkrijk Sicilië met het Roomse Rijk, was hij hier graag toe bereid. Hendrik VI had zich bijzonder wreed gedragen gedurende de korte periode dat hij koning van Sicilië was. Zijn Duitse raadgevers en avonturiers waren door de bevolking gehaat; Constance stuurde hen naar het vasteland van Italië (ook onderdeel van het koninkrijk Sicilië), alwaar Hendrik hen rijkelijk van lenen had voorzien.

Nog in hetzelfde jaar stierf Constance op 28 november 1198, maar niet voordat zij het bestuur van het koninkrijk had ondergebracht bij een raad van regenten, onder leiding van kanselier Walter van Pagliara, en de nieuwe paus Innocentius III had aangesteld als voogd over haar zoontje.

Tijdens de minderjarigheid van Frederik II raakte zijn koninkrijk in verval. Grote gedeelten van de koninklijke domeinen werden weggegeven, terwijl verschillende groepen elkaar, in steeds wisselende allianties, bevochten. Verschillende verbannen Duitsers zoals Diphold van Vohburg en Markwaard van Annweiler keerden terug naar het eiland, waarbij de laatste de kind-koning zelfs in handen wist te krijgen. Op aandringen van de paus had Wouter van Brienne zich in de strijd gemengd. Wouter was niet van onbesproken gedrag en voordat Frederik meerderjarig werd, vluchtte hij naar Venetië. Hij keerde daarna niet meer in het koninkrijk van Sicilië terug.

Als gevolg van deze onstabiele situatie beval Frederik, toen hij meerderjarig was, een oorkondeschouw. Iedereen die een oorkonde van de koning had, moest deze komen tonen. Alle werden ongeldig verklaard; alleen die, die Frederik nog wenselijk achtte, werden opnieuw aan de eigenaars gegeven. Hiermee werd veel voor de kroon verloren gegaan bezit herwonnen.

Uiteindelijk kreeg paus Innocentius III de situatie enigszins onder controle. Bij het meerderjarig worden van de jonge koning (veertien jaar) arrangeerde deze paus een huwelijk met Constance van Aragón. Zij was de weduwe van koning Emmerik van Hongarije en zij bracht als bruidsschat 500 ridders mee. Deze waren nodig om de greep van Frederik op zijn troon te verstevigen, al mocht dat niet echt baten want eenmaal in Italië stierf een groot gedeelte van de ridders door een epidemie.

Bij het huwelijk was Constance dertig jaar oud en haar jonge bruidegom vijftien. Twee jaar later werd een zoon geboren, Hendrik. Frederik moet echt van haar gehouden hebben, want bij haar begrafenis heeft hij een Byzantijnse kroon in haar sarcofaag geplaatst, die in 1781 werd opgediept. Deze wordt tentoongesteld in de schatkamer van de kathedraal van Palermo.

Keizerschap miniatuur|Keizer Frederik II. Standbeeld aan het Palazzo Reale in Napels (17e eeuw) Na zijn keizerskroning in 1220 kon hij zijn aandacht volledig richten op Sicilië. Hier waren de moslims, wier voorvaderen zich daar al in 827 gevestigd hadden, in opstand gekomen. In de heuvels rond Palermo en Monreale probeerden ze een eigen islamitische staat te stichten. Als koning van Sicilië kon hij deze situatie niet tolereren en in 1222 begon hij aan een grootse veldtocht om op het eiland de orde te herstellen. Hij omsingelde de verblijfplaats van de opstandelingen en dwong hen zich na twee maanden over te geven, waarna hij hun leider Ibn-Abbad in Palermo liet ophangen. Om toekomstige problemen te vermijden liet hij de moslims die zich niet wilden bekeren tot het christendom, overplaatsen naar het vasteland rond de stad Lucera. Dit waren er ten minste 20.000. Paus Honorius III ging ervan uit dat door hun afzondering deze moslims zich snel zouden bekeren. Onder zijn opvolger Gregorius IX bleken deze moslims echter allemaal Italiaans te spreken en nog maar weinig te hebben ingeboet van hun islamitische geloofsovertuiging. Hij reageerde hierop door hen allen te dwingen zich te bekeren. Frederik reageerde hier niet echt op omdat hij van de Moslimenclave van Lucera, militaire en economische voordelen trok. Hierna verdween Lucera uit de pauselijke belangstelling.

Kruistocht Bij gelegenheid van zijn kroning (Aken 1215) beloofde hij aan de paus om op kruistocht te gaan, maar de paus stierf in 1216. Paus Honorius III herinnerde hem aan zijn verplichting, maar hij vond dat hij geen autoriteit had zolang hij geen keizer was. In 1220 werd hij tot keizer gekroond en tegen die tijd waren de belangrijkste protagonisten van de Vijfde Kruistocht al thuis. Honorius arrangeerde het huwelijk met de dochter van Jan van Brienne, Yolande. Ze huwden 9 november 1225 in Brindisi. Frederik eiste van zijn schoonvader onmiddellijk het koningschap van Jeruzalem op en zo werd Frederik koning van Jeruzalem, nu had hij geen uitvlucht meer. Jan van Brienne werd een van Frederiks bitterste tegenstanders. Frederik scheepte zich met zijn neef Lodewijk IV van Thüringen in, maar beiden hadden de koorts opgelopen die in de overvolle havens en kampementen van Zuid-Italië was uitgebroken. Lodewijk stierf 11 september en de doodzieke Frederik moest de oversteek uitstellen. De nieuwe paus Gregorius IX had geen geduld en excommuniceerde Frederik op 29 september 1227. Op 23 maart 1228 op Witte Donderdag werd de pauselijke banvloek herhaald en verscherpt. Dit leidde in Rome tot protesten. Op paaszondag werd de paus de basiliek uitgejaagd en door de straten nagezeten. Gregorius moest naar Viterbo vluchten en verbleef daarna twee jaar in Perugia. Op 2 mei stierf Yolande van Brienne op zestienjarige leeftijd in Andria, zes dagen na de geboorte van hun zoon Koenraad. Op 28 juni 1228 vertrok Frederik uiteindelijk op kruistocht. De bedoeling van Frederik was om door middel van compromispolitiek de heilige plaatsen definitief open te stellen voor het Westen. De Zesde Kruistocht werd niet alleen de meest succesvolle, maar ook de enige vreedzame, minst bekende en minst gewaardeerde kruistocht.

Gregorius onthief ondertussen de onderdanen van de Regno en Rijks-Italië van hun trouweed jegens Frederik en hij stuurde een kardinaal naar Duitsland om de verkiezing van een tegenkoning te regelen. Tijdens Frederiks onderhandelingen in Akko en Nabloes, waar al-Kamil verbleef, trok een huurleger van sleutelsoldaten, door de paus betaald van het collectegeld voor de kruistocht, onder leiding van Jan van Brienne de Regno binnen. Voor het eerst bracht de Kerk een eigen leger op de been en men sprak er schande van dat een paus gewapenderhand optrok tegen een christenvorst, die bovendien op kruistocht was en recht had op godsvrede. Het huurlingenleger vluchtte toen Frederik in juni 1229 weer terug in Sicilië kwam.

miniatuur|Frederik II met sultan al-Kamil. De keizer sluit met de sultan de Vrede van Jaffa, Chronica, Giovanni Villani, 14e eeuw In 1229 sloot Frederik in Egypte de tien jaar durende Vrede van Jaffa met sultan Al-Kamil van Egypte. Al-Kamil had Frederik eigenlijk willen gebruiken als machtsmiddel tegen zijn broer al-Mu'azzam, die de sultan van Syrië was. al-Mu'azzam was echter al in 1227 overleden. Toen Frederik in 1228 arriveerde in het Heilig Land, was hij voor al-Kamil eigenlijk niet meer nodig. Maar al-Kamil had zijn woord gegeven en kon de onderhandelingen niet meer afbreken. Door met geweld te dreigen en ondertussen een diplomatiek offensief in te zetten – iets waarin Frederik door zijn intelligentie, opleiding en gevoel voor hoofse cultuur uitblonk – wist hij al-Kamil na ruim vijf maanden onderhandelen uiteindelijk zover te krijgen om de heilige steden en een kuststrook van Israël aan hem te overhandigen. Gerold, de patriarch van Jeruzalem, noemde de teruggave van de Heilige Stad verraad, bedrog, arglistig en bedrieglijk en onzinnig vergrijp. De Johannieters en Tempeliers waren beledigd, omdat ze niet, zoals de Duitse Orde, gekend waren in de onderhandelingen. Volgens verhalen zou Gregorius de brief over de teruggave van Jeruzalem op de grond hebben gegooid en er op hebben gespuugd.