Dit artikel behandelt de geschiedenis van Letland.
Prehistorie Archeologische vondsten tonen aan dat het gebied al rond het jaar 9000 v.Chr. bewoond was.
Van het 5e tot 4e millennium v.Chr. werd het Baltische gebied (het huidige Estland, Letland, Litouwen en aangrenzende delen van Rusland en Polen) bewoond door mensen van de Narvacultuur, de lokale variant van de neolithische kamkeramiekcultuur. De uit Noord-Rusland afkomstige kamkeramiekcultuur wordt ook wel Woud-neolithicum genoemd, en was hoofdzakelijk gebaseerd op jacht, visvangst en verzamelen, met slechts een geringe mate aan landbouw. Vermoedelijk werden Fins-Oegrische talen gesproken, zoals ook de huidige Esten en Lijven.
Vanaf het begin van de bronstijd drongen de (vermoedelijk Indo-Europese) stammen van de Touwbekercultuur vanuit het zuiden in het gebied door.
IJzertijd Tijdens de vroege ijzertijd (Ca.600-400 v.Chr.) drongen met de West-Baltische grafheuvelcultuur de voorouders van de Koeren vanuit het zuidwesten Koerland binnen, waarbij ze de daar aanwezige Fins-Oegrische bevolking geleidelijk naar het noorden verdrong. Vanuit het zuidoosten kwamen met de Oost-Baltische Geborsteldkeramiekcultuur, de voorouders van de Semgallen, Selen en Letgallen.
Het aan de Oostzeekust gevonden barnsteen was een gewilde handelswaar. De Barnsteenroute verbond de Baltische kust met het Romeinse Rijk, Germanië en het gebied van het huidige Rusland en Oekraïne.
Vroege Middeleeuwen De lucratieve barnsteenhandel en de ligging aan de handelsroute van Scandinavië naar Constantinopel via de Westelijke Dvina maakte het gebied tot een welvarend handelsgebied dat voor andere machten interessant was om te beheersen. Vanaf de vroege middeleeuwen probeerden de Scandinavische Varjagen hun invloed uit te breiden door middel van handelsnederzettingen in Koerland, getuige de nederzetting in Grobiņa uit 650-800 AD.
Vanaf de 9e eeuw breidde het vorstendom Polotsk, dat door een Varjaagse clanleider, Rogvolod (Ragnvald) werd bestuurd, vanuit het oosten zijn invloed over de Westelijke Dvina uit. In bondgenootschap met Letse stammen ontstond in de 10e eeuw de vorstendommen Jersika, Tālava en Koknese. De leiders van deze vorstendommen waren reeds gekerstend door de oosters-orthodoxe kerken. Al gauw vestigden zich ook Duitse handelaren in de nederzettingen aan de beneden-Dvina.
Terra Mariana 250px|thumb|Lijfland in 1260
Om verdere invloedsuitbreiding van de Varjaagse vorsten en hun Orthodoxe Kerk een halt toe te roepen besloot de Rooms-Katholieke Kerk uiteindelijk tot de zogenaamde Lijflandse Kruistocht, om de nog niet gekerstende stammen voor zich te winnen.
Aan het einde van de 12e eeuw trok de kanunnik Meinhard van Segeberg naar de benedenloop van de Dvina, en stichtte in 1185 in Ikšķile (Duits: Üxküll) de eerste stenen kerk in het Baltische gebied. In 1201 stichtte Albert van Buxhoeveden Riga als bisschopszetel en als uitgangspunt voor de kerstening van het binnenland. Het jaar daarop stichtte hij de Orde van de Zwaardbroeders, een ridderlijke orde die onder geestelijke geboden gesteld was, om hem militair te ondersteunen. In 1209 werd Visvaldis, de laatste Letse heerser van Jersika, militair verslagen door bisschop Albert.
In 1237 ging de Orde van de Zwaardbroeders op in de Duitse Orde. Haar opvolger, de Lijflandse Orde, werd drager van het gezag in de nieuwe geestelijke staat.
250px|thumb|Kaart van Lijfland uit het eind van de 16de eeuw De Duitse culturele invloed zou heersen tot en aan het einde van de 19e eeuw en versterkt worden door de economische invloed van de Hanze, waarbij de steden en met name Riga zich aansloten. De lutherse reformatie deed al vroeg in de 16e eeuw haar intrede in Riga en had tot gevolg dat de Duitse Orde werd geseculariseerd. Haar geestelijke ridderschap werd nu een kaste van enkele honderden grootgrondbezittende families. Volgens de regels van het lutherse protestantisme kreeg voor het eerst ook de volkstaal een plaats in de kerk, wat leidde tot de eerste Letse Bijbelvertalingen. In de steden bleef de burgerij echter Duits van taal en cultuur.
Poolse tijd 150px|thumb|Polen-Litouwen in 1619; Koerland in lichtgrijs, Lijfland in donkergrijs
Tijdens de Lijflandse Oorlog (1558-1583), toen Ivan IV van Rusland vanuit het oosten aanviel, zocht men steun bij Polen. Kort daarop vormde Polen met het groothertogdom Litouwen het Pools-Litouwse Gemenebest. De Lijflandse Confederatie werd ontbonden. Het hertogdom Koerland en Semgallen werd gevormd, nominaal onder Pools-Litouwse soevereiniteit maar grotendeels autonoom. Lijfland werd ingelijfd bij Polen-Litouwen, maar behield een grote mate van zelfstandigheid, waardoor de, door Polen geëiste contrareformatie, mislukte. Alleen Latgale (Letgallen) werd gerekatholiceerd. maar behield toch ook een zekere mate van zelfstandigheid.
Zweedse tijd 150px|thumb|Lijfland in het Zweedse rijk
Nadat Zweden in 1617 Estland op de Russen veroverd hadden voelde Polen zich bedreigd en ging tot de aanval over. Gustaaf II Adolf antwoordde met de inval van Lijfland. In 1621 werd Riga veroverd. In 1629 deed koning Sigismund III van Polen afstand van de Poolse aanspraken op Lijfland, met uitzondering van zuidoost Lijfland ofwel Latgale (Letgallen), en het Zweedse gezag kon zich versterken.
Tijdens het Zweedse bestuur werden in elke Lijflandse parochie scholen opgericht, de Zweedse rechtspraak werd ingevoerd, marteling werd afgeschaft, en op de kroondomeinen werd de lijfeigenschap afgeschaft, hoewel er geen sprake was van een algeheel verbod en de boeren horigen bleven. In Dorpat (tegenwoordig Tartu in Estland) werd een universiteit gesticht, waar Latijn en Duits de voertalen waren. Daarnaast werden in verschillende steden Duitstalige hogere scholen opgericht waaronder de kathedraalschool van Riga. Handel, landbouw en rechtspraak werden hervormd. De Letse Bijbelvertaling had uiteindelijk tot gevolg dat het Oost-Baltische dialect van Zuid-Lijfland, waar deze op gebaseerd was, uiteindelijk de grondslag werd voor de Letse standaardtaal, die voorlopig alleen als hulptaal werd gebruikt naast het Duits dat tot aan 1880 de dominante bestuurstaal bleef.
Tijdens de regering van Karel XII werd Zweden tegelijkertijd door Rusland en Polen aangevallen (Grote Noordse Oorlog, (1700-1721)). Peter de Grote werd in Estland verslagen. Karel XII trok de Westelijke Dvina over en bezette Koerland. Maar terwijl Karel XII met Polen slag leverde, organiseerde Peter de Grote een nieuw leger en begon aan de verovering van de Baltische landen. Na de beslissende Russische overwinning in de Slag bij Poltava in 1709 verloor Zweden voorgoed de heerschappij over de Baltische gebieden aan Rusland.
Hertogdom Koerland thumb|Paleis van de Hertog van Koerland, Schloss Ruhenthal (Paleis Rundāle)
In de periode dat Zweden Lijfland bestuurde verbeterden de economische omstandigheden van Koerland aanzienlijk. Onder hertog Jakob Kettler (1642-1681) groeide de nijverheid en er werd een, voor zo'n klein hertogdom enorme, vloot gebouwd. Koerland stichtte zelfs een kolonie op het Caraïbische eiland Tobago (Nieuw-Koerland geheten) die werd gebruikt als handelsfactorij voor de export naar Europa. Aan de monding van de Gambiarivier in West-Afrika werden twee forten gesticht: de Koerlandse Gambia. Onder de soevereiniteit van de Poolse koning bleef Koerland autonoom, hoewel een aantal Poolse een plaats tussen de Duits-baltische edelen gingen innemen.
Na de Grote Noordse Oorlog geraakte Koerland in de Russische invloedssfeer, en toen de laatste hertog, Peter Biron, op "welgemeende raad" van de Russen troonsafstand deed in 1795, verviel het hertogdom aan Catharina II van Rusland.
Russische tijd 180px|thumb|Gouvernement Koerland, Lijfland en Estland
De Vrede van Nystad (1721) bracht een definitief einde aan de Grote Noordse Oorlog. Zweden droeg zijn aanspraken op de Baltische gebieden over aan Rusland. Het verdrag bevestigde tevens de speciale status van de Duits-Baltische adel, die haar eigen bestuurlijke organisatie, lutherse geloof en Duitse taal kon behouden. Tot en met de regering van Alexander II (1855-1881) bleef deze speciale status voor de Duits-Baltische adel behouden. In ruil daarvoor stelde de Duits-Baltische adel zich zeer loyaal op ten opzichte van het tsarenrijk. De Letten op het platteland bleven lijfeigenen tot de afschaffing van de lijfeigenschap in 1811-1819 (veertig jaar eerder dan in overig Rusland), wat overigens aan hun afhankelijkheid van de grootgrondbezitters weinig veranderde.
In de jaren tachtig van de 19de eeuw besloot Rusland tot bestuurlijke centralisering en culturele russificatie. In de jaren voor 1892 waren de laatste Duitstalige middelbare en hogere scholen vervangen door Russische en was de universiteit van Dorpat, nu Jurjew geheten, een Russische instelling geworden. Van de germanisering hebben de Letten zich dus moeten bevrijden door eerst een russificatie te accepteren. Maar in de periode na 1880 kregen zij steeds meer ruimte om eigen dagbladen, tijdschriften, uitgeverijen, culturele organisaties en schouwburgen op te richten. Echter, pas na de revolutie van 1905 waarin honderden landhuizen van de Russische en Duits-Baltische adel werden bestormd en gebrandschat, werd in het onderwijs plaats voor het gebruik van de Letse taal in de leervakken Letse taal en geschiedenis ingeruimd. Overigens ook de Baltische Duitsers in de steden kregen toen ook het recht op eigen onderwijs terug, in de vorm van privéscholen waarin overigens nog steeds de examens in het Russisch moesten worden afgelegd om een geldig diploma op te leveren.
Een snelle economische ontwikkeling, vergezeld door de opkomst van een uit Letten bestaande klasse van vrije boeren en ambachtslieden maakte dat de steden na het midden van de 19e eeuw, voor het eerst sinds hun stichting in meerderheid bevolkt worden door Letten. Deze ontwikkeling vormt de achtergrond waartegen de vorming van een Letse nationale beweging zich afspeelde, die zich eveneens pas na het midden van de 19de eeuw kan organiseren. Echter, omdat de Letten Russische steun zochten tegen de Baltische Duitsers, had dat voorlopig tot gevolg dat de bestuurlijke machtsposities van de Baltische Duitsers niet op Letten maar op Russen overgingen.
Als het meest geïndustrialiseerde deel van het rijk had Letland, preciezer Riga, een sterke arbeidersbeweging. De revolutie van 1905 vond dan ook veel weerklank in Letland en er werden in dat jaar honderden landhuizen van de Baltische Duitsers en Russen platgebrand en rond de 650 Duitsers en Russen vermoord. In de nasleep van de revolutie werden 2.000 Letse revolutionairen terechtgesteld en velen meer werden verbannen naar Siberië.
Eerste Wereldoorlog Als deel van het Russische keizerrijk ging de Eerste Wereldoorlog niet aan Letland voorbij. Vele Letten vochten aan Russische zijde, en duizenden sneuvelden in de door de Russen verloren Slag bij Tannenberg in Pruisen. In 1915 werd Koerland bezet door Duitse troepen, maar de Russische legerleiding stelde eenheden van Letse Schutters op, en deze voorkwamen dat de Duitsers Riga innamen. In 1916 zetten de Duitsers met vernieuwde kracht de aanval in, maar Russen en Letten wisten ondanks zware verliezen Riga te houden. Het front liep vanaf het einde van 1915 tot 1 september 1917 langs de rivier de Westelijke Dvina.Balodis (1990), blz. 153 Koerland maakte deel uit van het gebied Ober-Ost.
thumb|Kaart van Letland tussen de wereldoorlogen
De successen leidden tot een poging van Russische zijde om Koerland te heroveren in een slag die op 23 december 1916 begon en 25 dagen duurde. Het Duitse front werd doorbroken, maar door muiterij in het Russische leger werd de winst weer tenietgedaan. De Letten voelden zich verraden en velen vluchtten het land uit. Later in 1917 namen de Duitsers Riga in.