thumb|Bevelhebbers: Generaals Meade en Lee. De Terugtocht van Gettysburg vond plaats tussen 4 juli en 23 juli 1863 in Pennsylvania en Maryland tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Na de nederlaag van de Army of Northern Virginia in de Slag bij Gettysburg tussen 1 juli en 3 juli 1863 besliste generaal Robert E. Lee zijn gehavende leger terug te trekken naar Virginia. De Noordelijke Army of the Potomac onder leiding van George G. Meade kon niet snel genoeg manoeuvreren om het Zuidelijke leger klem te zetten en te vernietigen. Lee stak met zijn leger de Potomac over in de nacht van 13 juli op 14 juli.

De bagagetrein van het Zuidelijke leger en duizenden gewonden trokken zich via de passen van South Mountain en Cashtown terug. De colonne strekte zich uit over een afstand van 30 km en kreeg slecht weer, onbegaanbare wegen en vijandelijke aanvallen te verduren. Lees infanterie trok zich terug via Fairfield, Pennsylvania en Monterey Pass naar Hagerstown in Maryland. Toen ze de Potomac bereikt hadden, was de pontonbrug door vijandelijke aanvallen en de hoge waterstand vernietigd. Lee gaf onmiddellijk het bevel om een defensieve linie uit te bouwen en een nieuwe pontonbrug aan te leggen. Voordat Meade erin slaagde om de vijandelijke linies te verkennen en aan te vallen, slaagde Lee er al in om met zijn gehavende leger de Potomac over te steken.

De gevechtshandelingen, die voornamelijk uit cavalerieslagen, raids en schermutselingen bestonden, vonden plaats bij Fairfield (3 juli), Monterey Pass (4 en 5 juli), Smithsburg (5 juli), Hagerstown (6 en 12 juli), Boonsboro (8 juli), Funkstown (10 juli) en Williamsport en Falling Waters (tussen 6 en 14 juli). Enkele kleinere confrontaties na de oversteek van het Zuidelijke leger bij Williamsport vonden plaats bij Shepherdstown (16 juli) en Manassas Gap (23 juli) in Virginia. Hiermee eindigde de Gettysburgveldtocht in juni en juli 1863.

Achtergrond Het hoogtepunt van de drie dagen durende Slag bij Gettysburg was de grote infanterieaanval op het Noordelijke centrum op Cemetery Ridge die beter gekend is als Pickett’s Charge. Deze aanval werd met aanzienlijke verliezen afgeslagen. De Zuidelijken keerden terug naar hun eigen slaglinies en bereidden zich voor op een Noordelijke tegenaanval. Toen deze aanval maar niet kwam, besloot Lee om zijn gehavende leger terug te trekken naar Virginia. Zijn mogelijkheden om het Zuidelijke leger van de nodige voorraden te voorzien door van het platteland van Pennsylvania te leven was na de slag sterk verminderd. De Noordelijken konden snel versterkingen aanvoeren indien ze dit wensten. Iets wat Lee niet kon doen. Brigadegeneraal William N. Pendleton vertelde aan Lee dat de munitie voor de zware artillerie zo goed als op was. Toch bleef het moreel van het leger hoog, ondanks de zware verliezen van meer dan 20.000 soldaten en een aantal hogere officieren.Brown, pp. 9-11.

Na een bijeenkomst met zijn hoogste officieren besloot Lee tot het treffen van voorbereidingen voor de terugtocht tijdens de nacht van 3 juli. Hij consolideerde zijn communicatielijnen door het Second Corps onder leiding van luitenant-generaal Richard S. Ewell terug te trekken van Culp’s Hill en via Gettysburg naar Oak Ridge en Seminary Ridge te verplaatsen. De soldaten kregen het bevel om een verdedigingslinie aan te leggen van de Mummasburg Road naar de Emmitsburg Road over een afstand van 4 km. Lee besloot zijn grote bagagetrein zo snel mogelijk te evacueren en dit vóór de infanterie zou vertrekken. De bagagetrein bevatte ook ambulances met 8.000 gewonden.Sears, p. 471. die fit genoeg waren om te reizen. Er werden ook enkele generaals meegestuurd die hoewel ze ernstig gewond waren toch meereisden omdat ze te belangrijk waren. Het merendeel van de Zuidelijke zware gewonden, ongeveer 6.800 soldaten, werden achtergelaten om door de Noordelijken verzorgd te worden.

Lee had twee mogelijkheden om zijn leger veilig te evacueren. Ofwel via South Mountain en de Cumberlandvallei. Van daaruit kon hij doormarcheren naar Williamsport om de Potomac over te steken. Ofwel kon hij de kortere route nemen via Fairfield, Pennsylvania en dan over de Monterey Pass en via Hagerstown naar veiliger oorden. Ook beschikte Lee nu over zijn volledige cavalerie om de nodige dekking te geven en verkenningen uit te voeren.

Het Zuidelijke leger zou echter moeilijkheden ondervinden bij het oversteken van de Potomac. Op 4 juli hadden stortbuien de rivier enorm doen toenemen. Hierdoor waren de natuurlijke oversteekplaatsen onbruikbaar geworden. Bij Falling Waters had de Noordelijke cavalerie de pontonbrug vernietigd. De enige mogelijkheid om de Potomac over te geraken was de kleine ferry bij Williamsport. De kans bestond dat Lee en zijn leger gevangen zaten met hun rug tegen de rivier zich dienden te verdedigen tegen Meades aanvallen.Sears, p. 481.

Samenstelling van de legers De Noordelijke Army of the Potomac en de Zuidelijke Army of Northern Virginia behielden hun structuur zoals die bestond tijdens de Slag bij Gettysburg. Tegen 10 juli had het Noordelijke leger versterkingen gekregen waardoor hun getalsterkte op 80.000 soldaten stond. De Zuidelijken hadden geen versterkingen gekregen. Lee had nog 50.000 soldaten onder zijn bevel.

De Army of the Potomac diende verschillende officieren te vervangen. De chef-staf van Meade, generaal-majoor Daniel Butterfield raakte gewond op 3 juli en werd op 8 juli vervangen door generaal-majoor Andrew A. Humphreys. Brigadegeneraal Henry Price volgde Humphreys op als bevelhebber van het III Corps. Generaal-majoor John F. Reynolds sneuvelde op 1 juli. Zijn opvolger was generaal-majoor John Newton van het VI Corps. Generaal-majoor Winfield S. Hancock van het II Corps, gewond op 3 juli, werd vervangen door brigadegeneraal William Hays. Generaal-majoor William H. French, die de tijdelijke bevelhebber van het garnizoen in Harpers Ferry was geweest, verving de gewonde Daniel E. Sickels als bevelhebber van het III Corps op 7 juli. Boven op de verliezen door de strijd verloor Meade ook soldaten of regimenten waarvan de diensttijd verstreken was. Meade kreeg wel versterking van 10.000 soldaten onder leiding van generaal French die bij Maryland Heights gelegerd waren. Deze soldaten versterkten het I Corps en het III Corps. Uiteindelijk kreeg Meade 6.000 soldaten erbij. Tegen 14 juli werden de eenheden van Harpers Ferry, Maryland Heights en de passen bij South Mountain bij het leger gevoegd, nog eens goed voor een extra 11.000 tot 12.000 soldaten. Naast de Army of the Potomac had generaal-majoor Darius N. Couch ongeveer 7.600 soldaten bij Waynesboro, 11.000 soldaten bij Chambersburg en 6.700 soldaten bij Mercersburg. Deze “noodtroepen” werden in ijltempo getraind tijdens de invasie van Lee in Pennsylvania.

Lees leger behield de korpsen en hun bevelhebbers. De generaals Lewis Armistead, Richard B. Garnett, Isaac E. Avery sneuvelden. Generaal James L. Kemper en James J. Archer verdwenen in een krijgsgevangenkamp en generaal John Bell Hood, Wade Hampton, George T. Anderson, Dorsey Pender en Alfred M. Scales liepen ernstige verwondingen op.Sears, pp. 532-43.

Generaal Imbodens bagagetrein thumb|400px|Gettysburgveldtocht (van 5 tot 14 juli) Op 4 juli om 01.00u ontbood Lee brigadegeneraal John D. Imboden, een cavalerieofficier van Stuart naar zijn hoofdkwartier. Hij kreeg het bevel over de bagagetrein en moest die in veiligheid brengen. Imbodens 2.100 cavaleristen hadden nog geen rol van betekenis gespeeld in de veldtocht. Lee en Stuart hadden geen hoge dunk van de naar hun opinie ongedisciplineerde soldaten van Imbodens brigade. Voor begeleiding en bewaking van bijvoorbeeld bagagetreinen waren ze echter wel geschikt geacht. Naast zijn ene artilleriebatterij kreeg Imboden er vijf ander bij. De brigades van Fitzhugh Lee en Wade Hampton (onder leiding van kolonel Laurence S. Baker) dienden de flanken en achterhoede veilig te stellen. Op 4 juli zou Imboden vertrekken naar Cashtown om via Fayetteville naar Williamsport te marcheren. Daar kon hij de Potomac oversteken en de bagagetrein begeleiden tot in Martinsburg, West Virginia. Daarna diende hij terug te keren naar Hagerstown om de achterhoede van het Zuidelijke leger te helpen beschermen.Longacre, pp. 245-46.

Imbodens bagagetrein bestond uit honderden karren die zich over 30 km langs smalle wegen uitspreidden.Het was geen kleine taak om deze karren te verzamelen, te laden met voorraden en gewonden en van escortes te voorzien zodat hij pas in de late namiddag van de 5e juli kon vertrekken. De tocht ging over slechte wegen en het weer was bar slecht. Imboden had orders gekregen om niet te stoppen tot hij zijn doel bereikt had. Dit betekende ook dat kapotte wagens dienden achtergelaten te worden. De colonne werd verschillende keren aangevallen. Op 5 juli door de inwoners van Greencastle, Pennsylvania. Rond de middag viel kapitein Abram Jones met 200 cavaleristen van de 1st New York Cavalry en de 12th Pennsylvania Cavalry de colonne aan. Hun buit bedroeg 134 karren, 600 paarden en muilezels en 645 krijgsgevangenen. De helft waren gewond.

De Slag bij Fairfield en de Slag bij Monterey Pass thumb|400px|Slag bij Monterey Pass Na het invallen van de duisternis vertrok Hills Third Corps via de Fairfield Road. Hij werd gevolgd door het First Corps van luitenant-generaal James Longstreet en het Second Corps van Richard S. Ewell. Lee reed mee met Hill aan het hoofd van de colonne. De brigades van kolonel John R. Chambliss en brigadegeneraal Albert G. Jenkins dienden de terugtocht te dekken. Lee had nu verschillende uren voorsprong op zijn Noordelijke tegenstander.

Meade aarzelden om onmiddellijk de achtervolging in te zetten omdat hij vreesde dat Lee nog eens zou aanvallen. Zijn orders luidden nog steeds dat hij Baltimore en Washington, D.C. moest verdedigen. Meade dacht dat de Zuidelijken de passen bij South Mountain hadden versterkt. Daarom stelde hij het plan op om Lee te achtervolgen langs de oostzijde van South Mountain om dan de verschillende passen ten westen van Frederick, Maryland in te nemen. Zo kon hij de linkerflank van Lee bedreigen toen die de Cumberlandvallei zou doortrekken. Deze veronderstelling van Meade was echter verkeerd. De passen van South Mountain waren niet versterkt en Fairfield werd slechts door twee kleine cavaleriebrigades bewaakt. Mocht Meade Fairfield bezet hebben, dan was Lee wel verplicht om zich al vechtend een weg door Fairfield te banen terwijl zijn achterhoede nog blootgesteld zou zijn aan de rest van het Noordelijke leger bij Gettysburg. Ofwel zou Lee de langere en moeilijker weg via Cashtown Pass moeten nemen.

Op 3 juli, terwijl Pickett’s Charge in volle gang was, had de Noordelijke cavalerie een unieke kans om de eventuele terugtocht van Lee te bemoeilijken. Brigadegeneraal Wesley Merrit had het bevel gekregen van generaal-majoor Alfred Pleasonton om vanuit Emmitsburg, Maryland de Zuidelijke achterhoede en linkerflank aan te vallen langs Seminary Ridge. Toen Merrit een verslag in handen kreeg van aanwezigheid van een Zuidelijke bagagetrein bij Fairfield, stuurde hij 400 van zijn cavaleristen onder leiding van majoor Samuel H. Starr erop af. Voordat de Noordelijken hun doel bereikten, werden ze aangevallen door de 7th Virginia Cavalry onder leiding van brigadegeneraal William E. "Grumble" Jones. Dit resulteerde in de Slag bij Fairfield. Bij de gevechten vielen er 242 Noordelijken tegenover 44 Zuidelijken. Deze kleine slag zou van strategisch doorslaggevend belang zijn.Longacre, pp. 235-37.