Rahonavis is een geslacht van theropode dinosauriërs behorend tot de Eumaniraptora, dat tijdens het late Krijt, zeventig miljoen jaar geleden, leefde op Madagaskar. De enige benoemde soort is Rahonavis ostromi.
Het fossiel van Rahonavis werd in 1995 ontdekt. De soort kreeg in 1998 haar naam, die zoiets als "vogel die een dreiging uit de wolken is" betekent. Er is maar één belangrijk skelet van Rahonavis gevonden en dat is onvolledig en mist de schedel. Daardoor blijft veel over de kenmerken van de soort onduidelijk.
Rahonavis werd ongeveer zeventig centimeter lang. Hij was een warmbloedig en bevederd roofdier. Rahonavis had lange vleugels, lange onderbenen en een hoog schoudergewricht, net als bij vogels. Maar hij had ook een sikkelklauw aan de voet en een lange verstijfde benige staart net als bij de Dromaeosauridae die nauw aan de vogels verwant zijn. De geleerden zijn het er niet over eens bij welke groep dinosauriërs Rahonavis hoorde. Het dier kan een vogel geweest zijn die nog de bouw had van de eerste vogels die tachtig miljoen jaar eerder leefden. Het kan ook een dromaeosauride zijn die apart een beter vermogen tot vliegen ontwikkeld had. In beide gevallen moeten oudere denkbeelden over de evolutie van de eumaniraptoren flink worden bijgesteld en de vondst heeft dan ook veel opzien gebaard.
Vondst en naamgeving In de zomer van 1995 werd tijdens een gezamenlijke expeditie van de State University of New York en de Universiteit van Antananarivo na een vegetatiebrand op een met dicht gras begroeide heuvelhelling bij het dorpje Berivotra een skelet ontdekt van de sauropode Rapetosaurus. Bij het opgraven van deze gigantische dinosauriër werden in een nabijgelegen veel kleinere groeve (MAD 93-18) ook fossielen aangetroffen, waaronder dat van een kleine theropode.
De soort is in 1998 beschreven door Catherine Forster, Scott Sampson, Luis Maria Chiappe en David Krause en werd eerst benoemd als Rahona, een geslachtsnaam die zowel "dreiging" als "wolk" betekent in het Malagasi met als gecombineerde interpretatie "dreiging uit de wolken". Hetzelfde jaar nog werd duidelijk dat deze naam al bezet was door de Malagassische mot Rahona Griveaud 1976 en werd zij veranderd in Rahonavis; het avis-achtervoegsel betekent "vogel" in het Latijn. De soortaanduiding eert John Ostrom, de grondlegger van de moderne theorie dat vogels dinosauriërs zijn. Het beschrijvende artikel werd gepubliceerd in het gerenommeerde tijdschrift Science; hoewel dit veel publiciteit opleverde, betekende het ook dat de beschrijving wegens ruimtebeperkingen slechts voorlopig kon zijn. Een uitgebreidere beschrijving is nog niet verschenen.
Het fossiel, holotype UA 8656, bestaat uit botten van zowel het voorstuk als het achtereind van het lichaam die bij elkaar werden aangetroffen op een oppervlakte van twintig centimeter in het vierkant in de vindplaats. De aardlaag behoort tot de Anembalemba-afzetting van de Maevaranoformatie, die dateert uit het Maastrichtien, 70-65 miljoen jaar oud. Het betreft een volwassen dier. De schedel ontbreekt. Het voorste deel bestaat uit de negende halswervel, een linkerschouderblad, een rechterellepijp en een rechterspaakbeen. De achterste delen bestaan uit de achtste tot dertiende ruggenwervel, een synsacrum met zes wervels, dertien staartwervels, het bekken en de achterpoten. De delen van de wervelkolom lagen grotendeels in verband maar veel botten zijn los aangetroffen. Het linkerdijbeen lag een meter van de rest van het skelet verwijderd. Een studie uit 1999 concludeerde dat in de klauwen van de achterpoten de originele hoornstof of keratine bewaard was gebleven.
In 2000 werden nog eens twee in Madagaskar gevonden onderste uiteinden van opperarmbeenderen aan de soort toegewezen, de specimina FMNH PA 746 en UA 9604. In 2002 werd ook een enkele ruggenwervel uit Marokko, NMC 50852, provisorisch aan Rahonavis toegewezen, maar de morfologie daarvan is afwijkend en de vondst is ook dertig miljoen jaar ouder.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken
Rahonavis is een klein dier; in 1998 werd de grootte omschreven als die van een raaf. De dijbeenderen hebben een lengte van 88/87,1 millimeter. Gregory S. Paul schatte in 2010 de lengte op zeventig centimeter, het gewicht op één kilogram. thumb|left|Een skeletmodel in een vliegende houding De oorspronkelijke diagnose ging ervan uit dat Rahonavis een vogel was. In dat geval waren er volgens de beschrijvers twee kenmerken waarin het dier zich van andere vogels onderscheidt. De tweede teen kan opgetrokken worden. De ruggenwervels tonen een hyposfeen-hypanthrum-complex van secundaire gewrichtsverbindingen. Een ander basaal kenmerk dat alleen bij de basaalste vogels wordt aangetroffen, is het bezit van een lange benige staart, waarin de achterste staartwervels niet vergroeid zijn tot een pygostyle.
In 2012 had een studie van Alan Turner tot uitkomst dat Rahonavis een lid was van de Dromaeosauridae. In dat geval zijn er heel andere onderscheidende kenmerken. Het schouderblad wordt uitgehold door een diep schoudergewricht. Op de voorrand van het schouderblad is het uitsteeksel van de processus acromialis langgerekt, langer dan het schoudergewricht. Op het schouderblad bevindt zich aan de buitenzijde boven het schoudergewricht een lange verruwing als spieraanhechting. Het bovenblad van het schouderblad toont een knik met een lage bult op de voorste bocht. De ellepijp is langgerekt met papillae ulnares. Het ondervlak van de ellepijp heeft een driehoekig profiel en is 54° gewrongen ten opzichte van het boveneinde. Bij de ruggenwervels heeft de wervelboog minstens 40% van de hoogte van het wervellichaam. Er zijn zes sacrale wervels. De bovenkant van het dijbeen vormt een hoge trochanter die niet gekloofd is. Er bevindt zich een hoge en vingervormige zijrichel op de buitenkant van het dijbeen. De crista cnemialis van het scheenbeen is overdwars breed maar heeft een kort zijuitsteeksel. Het bovenvlak van het scheenbeen heeft een vierkant profiel. Het kuitbeen is sterk gereduceerd waarbij het hielbeen niet meer geraakt wordt. Het kuitbeen heeft geen lengtegroeve aan de bovenste binnenzijde.
In 2020 concludeerde een nieuwe beschrijving dat Rahonavis zich in één kenmerk van alle Paraves onderscheidt: het darmbeen is extreem lang met 76,5% van de lengte van het dijbeen.
Skelet thumb|upright=1.7|De bewaarde skeletelementen in een diagram door Jaime Headden De enige bekende halswervel is sterk gepneumatiseerd zoals bij vogels. Beschadigingen laten zien dat het inwendige gevormd werd door luchtkamertjes. Aan beide zijden van het wervellichaam bevinden zich pleurocoelen. Deze wervel heeft ook een duidelijke hypapofyse, verdikking van de onderrand van het gewrichtsfacet, en een hoge wervelboog met in totaal 88% van de hoogte van het wervellichaam. De rugwervels hebben ook pleurocoelen die duidelijk doorboord zijn door pneumatoporen. Ook in de rug zijn de wervelbogen hoog, met 42% tot 62% van de hoogte van het wervellichaam. Hoge wervelbogen zijn typisch voor vogels. De ruggenwervels tonen hyposfeen-hypantrum-complexen. Dit zijn secundaire gewrichtsverbindingen waarbij een uitsteeksel aan de achterkant van de wervelboog, de hyposfeen, past in een holte aan de voorkant van de wervelboog van de achterliggende wervel, het hypantrum. Dergelijke complexen zijn typisch voor de Saurischia maar zijn bij alle bekende zekere vogels verloren gegaan; dat Rahonavis ze wel had, zagen de beschrijvers als een aanvullend bewijs dat vogels dinosauriërs zijn. Het heiligbeen bestaat uit zes sacrale wervels, een meer dan bij Archaeopteryx, die volkomen vergroeid zijn tot een synsacrum van 41,9 millimeter lengte. De staart is lang, zonder spoor van een versmelting van wervels tot een pygostyle, waarbij echter moet worden bedacht dat voornamelijk een aangesloten reeks van twaalf voorste wervels bekend is. De overgang van de voorste naar de middenstaart werd door de beschrijvers bij de negende wervel gelegd. Van de zevende wervel af beginnen de wervellichamen zich te verlengen en worden de chevrons veel korter en sledevormig, met hun voorste en achterste uitsteeksels aangesloten randen vormen aan de onderzijde van de staart. Al van de derde wervel af begin de wervelboog naar achteren te verschuiven en wordt het doornuitsteeksel lager. De achterste gewrichtsuitsteeksels worden uiteindelijk zeer lang en overspannen meer dan de helft van de achterliggende wervel. Een dergelijke extreme verlenging en verstijving van de middelste staartwervels is een typisch dromaeosauride kenmerk.
Het bekken is stevig gebouwd maar de helften zijn niet vergroeid, een basaal kenmerk. Het darmbeen is met 66,7 millimeter relatief lang. Het voorblad, met 55% van de totale lengte, is tweemaal zo lang is als het achterblad. Het achterblad is laag en puntig met een sterk holle bovenrand. Het schaambeen (os pubis) is robuust en verticaal gericht met een bewaarde lengte van 60,8 millimeter, dus met 90% van de darmbeenlengte. Het onderste uiteinde van het linkerschaambeen ontbreekt maar zijn rechtertegenhanger laat zien dat de schacht uitloopt in een dikke "voet" met alleen een achterste uitsteeksel dat rond naar achteren kromt. Het zitbeen is erg kort met 27,3 millimeter, dus slechts 45% van de schaambeenlengte, plaatvormig en breed in zijaanzicht. Er zijn twee uitsteeksels aan de achterrand. Het bovenste is vlak onder het voetstuk voor het darmbeen geplaatst en schuin naar boven gericht. Behalve van Unenlagia is het verder alleen bekend van basale vogels. Het onderste uitsteeksel is lager en schuin naar beneden gericht. Door beschadigingen is het lastig waarneembaar maar vermoedelijk bevindt zich een puntig uitsteeksel aan de onderkant van de holle voorrand. Dit zou de processus obturatorius kunnen zijn. De zitbeenderen zijn aan hun uiteinden niet met elkaar vergroeid.