De Gouden Eeuw is een periode in de Nederlandse geschiedenis die goeddeels samenvalt met de zeventiende eeuw. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden maakte een bloeiperiode door op gebied van handel, wetenschap en kunsten. Ook wat betreft haar politieke en militaire macht (vooral ter zee) nam de Republiek in de wereld een vooraanstaande positie in. Deze bloeitijd, tot uitdrukking gebracht in de metafoor Gouden Eeuw, wordt gezien als belangrijke nieuwe fase in de ontwikkeling van de westerse beschaving. Deze metafoor, ontstaan in de negentiende eeuw, is algemeen verbreid, maar heeft ook regelmatig discussie opgeroepen. (2000): 'Het Gouden Eeuw Gevoel' in Historisch Nieuwsblad (gearchiveerd)
Het beginpunt van de Gouden Eeuw varieert van 1602, het jaar waarin de VOC opgericht werd, tot 1609, het beginjaar van het Twaalfjarig Bestand. Tot het einde van het bestand in 1621 groeide de economie vrijwel ongehinderd. Tijdens de Dertigjarige Oorlog, die goeddeels samenviel met de tweede fase van de Tachtigjarige Oorlog, was in sommige sectoren sprake van stagnatie, in andere van groei. Na 1648 trok de economie weer aan, vooral voor de nijverheid waren dit zeer voorspoedige jaren. Na het Rampjaar 1672, het begin van de Hollandse Oorlog (1672–1679), volgde een periode van relatieve economische neergang en was de Gouden Eeuw over haar hoogtepunt heen. Een periode van consolidatie volgde.
De historicus Jonathan Israel maakt een verdere onderverdeling van de periode in de vroege Gouden Eeuw van 1588 tot 1647 en de late Gouden Eeuw van 1647 tot 1702.
Inleiding Ter verklaring van deze bloeiperiode in kunsten en wetenschappen zijn door historici diverse factoren genoemd:
Economische bloei De economie heeft een erg belangrijke rol gespeeld in de opkomst van de Republiek in de zeventiende eeuw. In de Gouden Eeuw groeide de Republiek uit tot het centrum van de wereldhandel. Na zich in enkele decennia te hebben vrijgevochten van het Spaanse gezag ontwikkelde het land zich tot een internationale grootmacht. Zowel in Azië en Afrika als in Amerika beschikte de Republiek over een aantal zeer winstgevende koloniën. Maar het fundament van de rijkdom werd gelegd met de handel in Europa: de graanhandel en houthandel op het Oostzeegebied of moedernegotie. In de Europese- en wereldeconomie ging Amsterdam een zeer belangrijke rol spelen. De bloeiende handel leidde tot een grote en zeer rijke klasse van kooplieden. De nieuwe voorspoed leidde ook tot meer aandacht voor en sponsoring van beeldende kunsten, literatuur, wetenschappen en armenzorg.
De moedernegotie (moeder aller handel) was de handel met de landen rond de Oostzee die door kooplieden uit Amsterdam vanaf de Late Middeleeuwen werd gedreven. Deze handel vormde de voornaamste bron van de welvaart in Amsterdam, waardoor de stad zich kon ontwikkelen van een weinig belangrijke plaats tot het economische centrum van Holland en de stapelplaats van Europa. De lucratieve Oostzeehandel legde de basis voor de Gouden Eeuw van de Nederlandse republiek. (2007): 'De moedernegotie' in Historisch Nieuwsblad. Gearchiveerd op 11 april 2019.
Na de Spaanse overheersing heeft Nederland een nieuwe, republikeinse staatsvorm gekozen. De samenleving in Nederland werd veel minder door het feodalisme gekenmerkt dan in andere landen en hierdoor was de arbeidsmarkt veel vrijer. Een andere factor die ervoor zorgde dat de economie zo goed liep, was het feit dat er in de Republiek een uitgebreide markt bestond voor het lenen en uitlenen van geld. Hierdoor konden mensen, bedrijven of de Staat, die graag investeringen of uitgaven wilden doen, gebruikmaken van het gespaarde geld van iemand anders. Deze financiële markt vergemakkelijkte dan ook het doen van investeringen in potentieel winstgevende bedrijven of staatsorganisaties (zoals de VOC).
Een derde reden voor de economische voorspoed was de technologische voorsprong die de Republiek tijdens de Gouden Eeuw op veel andere landen had. Doordat de Republiek een relatief diverse, open en tolerante samenleving kende, was het gemakkelijker om ideeën en uitvindingen te ontwikkelen. Op bijna ieder terrein liep de Republiek voor op het buitenland. Een bekend voorbeeld van zo'n noviteit is het fluitschip, dat de Nederlandse zeevaarders een groot voordeel gaf ten opzichte van veel andere zeevarende landen.
Een laatste belangrijke oorzaak voor de economische voorspoed was de spilfunctie die Amsterdam kreeg in de wereldhandel. In Amsterdam begon er langzamerhand een stapelmarkt te ontstaan, waarbij bijna alle informatie, goederen en diensten op een relatief kleine plek aanwezig waren.
Tolerantie thumb|Synode van Dordrecht, 1618 Volgens bezoekers uit het buitenland en ook volgens de officiële propaganda was Nederland een zeer tolerant land, het land van de ware vryheit. Latere historici hebben dit in verband gebracht met de internationale handel en de Reformatie, die beide zouden hebben bijgedragen aan een relatief milde opstelling ten opzichte van andersdenkenden.
Protestanten stellen dat de interpretatie van de Bijbel vooral een kwestie van het eigen geweten van ieder individu is, en verwerpen centrale dogma's en een klerikale hiërarchie om deze te bekrachtigen. Dat nam niet weg dat de gereformeerden in de Gouden Eeuw een machtspositie innamen die gelegitimeerd was door de Staat sinds de Synode van Dordrecht. Christelijke andersdenkenden werd het moeilijk of onmogelijk gemaakt openlijk hun religie te belijden.
Opportunisme zal een belangrijke rol hebben gespeeld, aangezien het grote katholieke deel van de bevolking niet al te veel vervreemd mocht worden. De relatieve tolerantie voorkwam daarmee dat er een exodus optrad zoals het dogmatische Spanje had meegemaakt. Of het bij de spreekwoordelijke Nederlandse tolerantie ging over een vorm van onverschilligheid of van opportunisme, in ieder geval was het voor buitenlanders makkelijk om naar de Lage Landen te reizen en te emigreren. Er was relatief veel vrijheid en in een aantal Nederlandse steden was er sprake van een sociale smeltkroes.
Toch zijn er ook voorbeelden dat de Nederlanders in de Gouden Eeuw helemaal niet zo verdraagzaam waren, onder andere ten opzichte van rooms-katholieken en korte tijd tegenover remonstranten. Joden in de Republiek konden geen lid worden van de gilden, konden geen poorter worden en mochten niet trouwen met niet-joden.
Zelfbewustzijn Voor de calvinisten ging zuiverheid in de leer boven alles. De strijd om de vrijheid om het calvinisme te belijden naast de strijd tot politieke zelfstandigheid was de inzet van de Nederlandse Opstand tegen Spanje, beter bekend als de Tachtigjarige Oorlog (1568–1648). De volledige onafhankelijkheid van de protestantse noordelijke provincies als uitkomst van deze strijd zal zeker het nationale besef versterkt hebben. Al in 1609, toen Nederland en Spanje een wapenstilstand sloten die twaalf jaar zou duren, was veel van dit alles bereikt.
Net als na de Franse Revolutie, leidde politieke vrijheid tot vrijheid in andere domeinen van menselijk handelen en leidde deze vrijheid tot meer openheid voor nieuwe culturele en wetenschappelijke ideeën.
Bestuurders en geleerden Aan het eind van de zestiende en in de zeventiende eeuw hebben de Nederlanden een aantal uiterst bekwame bestuurders gehad, zoals Johan van Oldenbarnevelt, Johan de Witt (tevens wiskundige op het gebied van levensverzekeringen), Cornelis de Graeff en Andries Bicker. Ook ontbrak het niet aan bekwame veldheren zoals prins Maurits en prins Frederik Hendrik en admiraals als Piet Hein, Maarten Tromp en Michiel de Ruyter. Daarnaast waren er wetenschappers en bekwame vaklieden op allerlei terrein in de Nederlanden te vinden. Enkele grootheden en hun werkterreinen zijn Jan Pieterszoon Sweelinck (1562–1621) muziek, Hugo de Groot (1583–1645) volkenrecht en zeerecht, Louis de Geer wapenfabricage en handel, Rembrandt van Rijn (1606–1669) schilderkunst, Franciscus Gomarus (1563–1641) en Jacobus Arminius (± 1559–1609) theologie, Christiaan Huygens (1629–1695) wis-, natuur- en sterrenkunde, Simon Stevin (1548–1620) waterbouwkunde en rekenkunde, Jan Adriaanszoon Leeghwater(1575–1650) waterbouwkunde en Benedictus Spinoza (1632–1677) filosofie.
Ontstaan van de Republiek Gedurende de laatste decennia van de zestiende eeuw was de Republiek ontstaan. De Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden gingen uiteindelijk ieder hun eigen weg. Het noorden zei de trouw aan koning Filips op. Daarbij was het van het begin af aan het gewest Holland dat de noordelijke unie domineerde. De andere gewesten zagen zich gedwongen de leiding van Holland te accepteren.
Duidelijke verschillen tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden bestonden al langer. Brabant en Vlaanderen, de belangrijkste zuidelijke gewesten, hadden vaak tegengestelde belangen. Centralisatie vanuit Brussel werd daardoor bemoeilijkt. Nog minder invloed had de centrale regering in het gebied ten noorden van de grote rivieren. Verder was een groot deel van de bevolking in de Franstalige gewesten het katholieke geloof trouw gebleven. Adel, geestelijkheid en het stedelijk patriciaat hadden in het zuiden aanzienlijk meer macht dan in het noorden.
Aanvankelijk was het zeer onzeker of de nieuwe Noord-Nederlandse staat zich tegenover de Spaanse overmacht zou weten te handhaven. Alexander Farnese, hertog van Parma veroverde in hoog tempo stad na stad, onder andere het strategisch belangrijke Breda. Willem van Oranje week in 1583 uit naar Delft. De Staten-Generaal vergaderden voortaan in Holland en Zeeland.
Ook in het oosten van het latere Nederland boekten de Spanjaarden successen. De Spanjaard Verdugo was stadhouder van Groningen. De stadhouder van Gelderland, Willem van den Berg, deed de eed van trouw aan beide partijen en koos uiteindelijk de Spaanse zijde. In 1590 waren Nijmegen, Groningen en vrijwel het gehele gebied ten oosten van de IJssel bezet door de Spanjaarden. In 1589 was ook Geertruidenberg door hen veroverd. Spaanse garnizoenen vielen vanuit Steenwijk en Coevorden zelfs Friesland binnen.
Deze periode van crisis, waarin de Republiek moest vechten om te overleven, was tegelijkertijd ook een periode van grote creativiteit. Bestaande bestuurlijke en economische structuren werden aan de kant geschoven om plaats te maken voor organisatievormen die effectievere weerstand mogelijk maakten. Terwijl de troepen van Parma naar het noorden trokken, werd een interne machtsstrijd uitgevochten. De aristocratische aanhangers van graaf Leicester, die hoopten dat de protestantse Elizabeth I de soevereiniteit wilde aanvaarden, stonden tegenover de Hollandse regenten. De laatsten wonnen het pleit.
Cruciaal waren de gebeurtenissen in de jaren 1588, 1589 en 1590. Vergaande gevolgen had de beslissing van Filips II om zich te mengen in de burgeroorlog die in deze jaren in Frankrijk woedde. Het Spaanse leger in de Nederlanden werd daar grootschalig ingezet. Dat maakte de Nederlandse tegenaanval mogelijk. Bovendien begon in de jaren na 1588 ook de spectaculaire groei van de Nederlandse economie, en daarmee de financiële draagkracht. De steden groeiden explosief. Binnen enkele decennia was de Republiek een van de leidende Europese mogendheden.
In tien jaar tijd veroverde prins Maurits drieënveertig steden en vele vestingen op de Spanjaarden. Zij werden vrijwel geheel verdreven uit Gelderland, Overijssel, Drenthe en Groningen. Ook in Brabant werd gebied veroverd.