miniatuur|Vlag van de Jong-Turkse revolutie met de woorden: "Rechtvaardigheid, eenheid, broederschap, gelijkheid, vrijheid" miniatuur|Griekse versie van de flyer over de nieuwe grondwet met als tekst: "Leve het vaderland, leve de natie, leve de vrijheid" De Jonge Turken of Jong-Turken (Turks: jön Türkler) is een bijnaam voor een politieke hervormingsbeweging in het begin van de 20e eeuw die voorstander was van de vervanging van de absolute monarchie van het Ottomaanse Rijk door een constitutionele regering. Zij hadden zich uit ergernis over het afkalven van het Ottomaanse Rijk verenigd in een geheime vereniging, genaamd "Comité voor Eenheid en Vooruitgang". In 1908 pleegden zij een staatsgreep tegen sultan Abdülhamit II en kwamen zij aan de macht. Hiermee brachten de Jong-Turken in hetzelfde jaar de tweede constitutionele periode van het Ottomaanse Rijk tot stand, waarmee voor het eerst in de geschiedenis van het land een tijdperk van meerpartijendemocratie werd ingeluid.
Ontstaan In de 19e eeuw raakte het Ottomaanse Rijk steeds verder in verval. Het eens zo machtige rijk brokkelde af als gevolg van interne en externe spanningen. Het begon economisch steeds afhankelijker te worden van westerse landen en het kon deze landen ook militair niet meer bijbenen. Voor Europese landen vormde het Ottomaanse Rijk geen serieuze bedreiging meer. Het Ottomaanse Rijk kwam bekend te staan als de "Zieke man van Europa".
Om hier tegen iets te doen begon het Ottomaanse sultanaat de periode van de Tanzimaat, waarin vernieuwende hervormingen vanuit de westerse cultuur werden doorgevoerd. Voor sommige Ottomaanse intellectuelen gingen deze hervormingen echter niet ver genoeg, waarop zij de hervormingsgezinde vereniging van de Jong-Ottomanen stichtten. Een belangrijk ideoloog van de Jong-Ottomanen was schrijver Namık Kemal. In 1876 drongen de Jong-Ottomanen aan om een constitutionele regering in te stellen in het Ottomaanse Rijk vergelijkbaar met die in Europa. Dit begon met de onttroning van zittende sultan Abdülaziz, waarbij Murat V zijn plaats innam als sultan. Deze werd echter al gauw vervangen door Abdülhamit II. Dit luidde het begin in van de eerste constitutionele periode van het Ottomaanse Rijk, waarbij het rijk buiten de sultan werd medegeregeerd door een parlement.
De constitutionele periode duurde echter vrij kort, want in 1878 schorste Abdülhamit II het Ottomaanse parlement en stelde hij de grondwet buiten werking, waarmee hij zijn eigen absolute monarchie herstelde. Abdülhamit II was sowieso nooit een groot voorstander van een constitutionele regering geweest. Hij was de sultan en daarom vond hij, dat de macht bij hem diende te liggen. Om zijn macht daarna te consolideren, begon Abdülhamit II zijn titel van kalief te benadrukken. Hij stelde een geheime politie (Umur-u Hafiye) in om op te treden tegen eventuele antimonarchistische activiteiten in zijn land. Hij liet de pers goed in de gaten houden en bouwde een netwerk op van informanten. Als antwoord op het westers imperialisme in Azië stelde hij zich op als verdediger van moslims over de gehele wereld en streefde hij naar het panislamisme. Door met een jihadistische oorlog te dreigen, dacht hij het westers imperialisme te kunnen ondermijnen.
miniatuur|De Jong-Turken hielden hun eerste congres in Parijs, omdat ze in eigen land door de sultan vervolgd werden, 10 februari 1902 De beweging van Jong-Ottomanen verloor haar samenhang en viel uiteen, maar haar nalatenschap leefde voort. Hierdoor bleef het idee van een constitutionele regering bestaan bij sommige Ottomaanse intellectuelen. Een aantal jaren later begon zich in het geheim een nieuw hervormingsgezind genootschap te organiseren, dat streefde naar de terugkeer naar een constitutionele regering. In 1899 richtten zij het Comité voor Eenheid en Vooruitgang op en werden bekend onder de naam Jong-Turken. Zij hadden hun machtsbasis in de stad Salonika. Het verschil met de Jong-Ottomanen was dat de beweging ook appelleerde aan jonge Ottomaanse legerofficieren en veel aanhang onder ze had. Een ander verschil was dat de Jong-Ottomanen het islamitische geloof nog een belangrijke plaats gaven in de constitutionele regering, terwijl de Jong-Turken streefden naar het secularisme.
Jong-Turkse revolutie miniatuur|Verklaring van de Jong-Turkse revolutie samen met Armeense, Grieks-orthodoxe en islamitische religieuze leiders, 1908 In 1908 pleegden de Jong-Turken onder leiding van groep Turkse officieren een staatsgreep. Sultan Abdülhamit II beschikte niet over loyale troepen en capituleerde voor de opstandige Jong-Turken. De Jong-Turken hielden Abdülhamit II aan als sultan, maar ontdeden hem van zijn macht. De macht van het parlement werd hersteld en de constitutie hervormd aangenomen.
Aanvankelijk hoopten veel Jong-Turken op een soort Ottomaans nationalisme, dat aan alle onderdanen van alle nationaliteiten of geloven appelleerde (Ottomanisme). Het zou bovendien hiermee de christelijke Europese landen een argument ontnemen om zich met Ottomaanse zaken te bemoeien. De eerste dagen na de staatsgreep vonden dan ook met name op de Balkan verbroederingstaferelen plaats tussen Turkse, Griekse, Bulgaarse, joodse en Armeense onderdanen.
De Jong-Turken stelden zich ten doel: modernisering van de staat; een parlementaire democratie; afschaffing van allerlei voorrechten voor groepen buitenlanders (zoals Engelsen, Fransen en Duitsers). Ze werden geïnspireerd door het voorbeeld van Japan, dat zich eind negentiende eeuw in hoog tempo had gemoderniseerd. Ze vreesden de Europese superioriteit in wetenschap en techniek en wilden tegelijk deze zich eigen maken.
Tegelijkertijd groeide er ook een Turks nationalisme dat zich concentreerde op de Turkssprekende bevolking in Anatolië. Het wilde antwoord geven op de identiteitscrisis van de moslims als gevolg van de toenemende macht van het Westen en van de christelijke minderheden in Turkije zelf. Een van de belangrijkste Turkse theoretici was Ziya Gökalp (1876-1924). Hij wilde weliswaar hervormingen naar het westerse voorbeeld invoeren, maar dan wel met een nationalistische kleur. Hij vond dat Turken "zichzelf niet kenden"; zij waren zich "niet bewust van hun nationale verantwoordelijkheden". Gökalp keerde zich af van het multi-etnische en multireligieuze karakter van de Ottomaanse staat. Hij riep de Turkssprekende intellectuelen op het voortouw te nemen in de ontdekking van het eigen volk, en een nieuwe Turkse natie. Hij pleitte met andere woorden voor een proces van turkificatie. Maar deze richting zou niet bepalend worden want de seculiere hervormingsgezinden namen het voortouw.
Prominente leden miniatuur|Het Jong-Turkse comité in 1909 De prominente leiders en ideologen waren onder meer:
Pamfletschrijvers en activisten Tunalı Hilmi Yusuf Akçura, een Tataarse journalist met een seculiere nationale ideologie, die tegen het ottomanisme was en het secularisme steunde Ayetullah Bey Osman Hamdi Bey, een Ottomaans-Griekse schilder en eigenaar van de eerste gespecialiseerde kunstacademie in Istanbul (opgericht in 1883) Emmanuel Carasso Efendi (ook bekend als Emanuel Karasu), advocaat en lid van de prominente Sefardisch-joodse familie Carasso Mehmet Cavit Bey, een Dönme uit Saloniki, werd minister van Financiën Abdullah Cevdet, een Koerdische intellectueel die voorstander was van biologisch materialisme en secularisme Marcel Samuel Raphael Cohen (ook bekend als Tekin Alp), een Sefardische Jood uit Saloniki, werd een van de grondleggers van het Turks-nationalisme en een ideoloog van het panturkisme. Agah Efendi, een voormalig lid van de Jong-Ottomanen, richtte de eerste Turkse krant op en bracht als postmeester de postzegel naar het Ottomaanse rijk Ziya Gökalp, een Koerdisch-Turkse nationalist uit Diyarbakir, publicist en socioloogpionier, beïnvloed door de moderne West-Europese cultuur en een ideoloog van het panturkisme Talaat Pasja, was oorspronkelijk een klerk bij een postkantoor, zijn rol bij de partij vóór de Jong-Turkse revolutie is onduidelijk Ahmed Riza werkte om de toestand van de Ottomaanse boeren te verbeteren; hij diende als minister van landbouw en later als minister van onderwijs Militaire officieren Ahmed Niyazi Bey, initiatiefnemer en leider van de Jong-Turkse revolutie Enver Pasja, een leider van de Jong-Turkse revolutie en later prominent Jong-Turkse politicus Djemal Pasja een leider van de Jong-Turkse revolutie Eyüp Sabri, een leider van de Jong-Turkse revolutie Bekir Fikri, een prominente deelnemer aan de Jong-Turkse revolutie Atıf Kamçıl, een prominente deelnemer aan de Jong-Turkse revolutie Subhi Bey Abaza (woonde in Sidon) Resat Bey
Oorlogen tijdens de Jong-Turken Van de Turkse zwakte na de Jong-Turkse staatsgreep van 1908 werd echter handig gebruikgemaakt door Oostenrijk-Hongarije en Bulgarije. Oostenrijk-Hongarije annexeerde nu officieel Bosnië-Herzegovina dat het reeds dertig jaar bezet hield. Bulgarije, formeel-juridisch nog onder het rijk vallend, verklaarde zich volledig onafhankelijk. De inheemse christenen werden mede hierdoor vanaf nu gewantrouwd en als vijanden van de natie gezien.
miniatuur|Wat er overbleef van het Ottomaanse Rijk na het verlies van grondgebied in 1913 Een jaar later in april 1909 vond er een tegencoup plaats door sympathisanten van Abdülhamit II. Ze wilden de macht van Abdülhamit II herstellen. Maar de tegencoup werd tegengehouden door de Jong-Turken en mislukte. Abdülhamit II werd door de Jong-Turken ditmaal verbannen naar Saloniki en vervangen door zijn kleurloze broer Mehmet V Reşat, die geen enkele invloed had.
De aftakeling van het rijk ging door. In maart 1910 brak de Albanese opstand uit, georganiseerd door Albanese rebellen, wat leidde tot de onafhankelijkheid van Albanië in november 1912. In september 1911 brak de Italiaans-Turkse Oorlog uit vanwege Libië. Italië had zijn zinnen gezet op de verovering van Libië, dat destijds tot het Ottomaanse Rijk behoorde. Terwijl de oorlog in Libië woedde, besloten de Balkanlanden tot een aanval en begonnen in oktober 1912 de Balkanoorlog. Het Ottomaanse Rijk werd hierdoor genoodzaakt om vrede te sluiten met Italië (Vrede van Ouchy) en zijn troepen uit Libië terug te trekken om deze in te zetten in de Balkanoorlog. De Balkanoorlog duurde tot 18 juli 1913, die verloren werd door het Ottomaanse Rijk.
De verschillende oorlogen zorgde ervoor dat het Ottomaanse Rijk een groot deel van zijn grondgebied verloor in Libië en in de Balkan. Met name het verlies van Balkan kwam voor de het Ottomaanse Rijk hard aan, omdat dat gebied het economisch hart vormde van het Ottomaanse Rijk. Op de Balkan vonden er etnische zuiveringen plaats op Ottomaanse Turken en andere islamitische Ottomanen, wat een grote vluchtelingenstroom voortbracht van islamitische Ottomanen naar het Ottomaanse Rijk.
In Duits vaarwater
De verloren oorlogen brachten grote ontevredenheid met zich mee binnen de gelederen van de Jong-Turken. Ook was er wrevel binnen de verschillende fracties van de Jong-Turken. Dit alles leidde ertoe dat in 1913, nog tijdens de Balkanoorlog, er een tweede staatsgreep plaatsvond in het Ottomaanse rijk. Hierbij grepen Enver Pasja, Talaat Pasja en Djemal Pasja de macht en begonnen het Ottomaanse rijk daarna als driemanschap te regeren. Enver Pasja, Talaat Pasja en Djemal Pasja behoorden tot de Jonge Turken. Alhoewel Mustafa Kemal Pasha (later Ataturk geheten) tot deze hervormingsgezinde beweging hoorde, viel hij onder een fractie van CUP die vond dat de legerleiding zich afzijdig diende te houden van de politiek. Dit leidde ertoe dat zijn fractie vanaf de beginjaren van de revolutie van 1908 in conflict was met de CUP, zie http://www.jstor.org/pss/260131 “The Origins of the 'Nationalist' Group of Officers in Turkey 1908-18”, Gwynne Dyer (Journal of Contemporary History, Vol. 8, No. 4 (Oct., 1973), pp. 121-164).