De Werkloosheidswet of WW is een Nederlandse wet, en een werknemersverzekering die daarin wordt geregeld, die werkloze werknemers, met voldoende arbeidsverleden (voldoen aan de weken-eis) en beschikbaar voor arbeid, een werkloosheidsuitkering biedt.
De wet is oorspronkelijk ingevoerd in 1952 en heette toen de "Wachtgeld en Werkloosheidsverzekering" (WW).
De WW wordt tegenwoordig gefinancierd met de premies die uitsluitend door de werkgevers worden betaald aan het Algemeen Werkloosheidsfonds (Awf). De uitvoering geschiedt door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Eind 2023 had dit werkeloosheidsfonds 12 miljard te veel in kas.Werkgevers betalen meer WIA- en WW-premie dan nodig
Geschiedenis Onder leiding van het kabinet-Drees-Van Schaik werd de Wet van 9 september 1949 tot verplichte verzekering van werknemers tegen geldelijke gevolgen van onvrijwillige werkloosheid (Werkloosheidswet, Staatsblad J 423) aangenomen, waarna deze in 1952 in werking trad. De overheid en werknemers betaalden elk de helft van de premie. De hoogte van de uitkering werd 80% van het laatstverdiende loon met een maximumduur van een half jaar.
In 1964 trad de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV) in werking. Deze gaf voor de periode ná de initiële zes maanden twee jaar lang een uitkering van 75 procent van het laatstgenoten loon.
Per 1 januari 1987 is met de zogenaamde "stelselherziening sociale zekerheid" de Werkloosheidswet vervangen door een nieuwe wet met dezelfde naam. Aanvankelijk werd deze Nieuwe Werkloosheidswet (NWW) genoemd. De Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV) die voorzag in een uitkering na afloop van de WW, is toen voor nieuwe gevallen afgeschaft. Onderscheiden werden de "kortdurende uitkering" met een duur van 6 maanden en een hoogte van 70% van het wettelijk minimumloon en een loongerelateerde uitkering. De maximale uitkeringsduur was vijf jaar. Na afloop van de loongerelateerde WW-uitkering had de werknemer bij voortdurende werkloosheid recht op een vervolguitkering ter hoogte van maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. De duur van de vervolguitkering was twee jaar. Per 1 januari 2004 is de vervolguitkering weer afgeschaft.
Vanaf 1991 gold in sommige regelingen voor overheid en onderwijs een "WW-bodem", dat wil zeggen, in gevallen waarbij de WW gunstiger was gold die.
De Wet wijziging WW-stelsel die grotendeels in werking getreden is met ingang van 1 oktober 2006 heeft de maximale uitkeringsduur verkort naar 3 jaar en 2 maanden. De "kortdurende uitkering" werd vervangen door een loongerelateerde uitkering van drie maanden.
De WW wordt gefinancierd met de premies die sinds 2009 uitsluitend door de werkgevers worden betaald in de vorm van premie aan het sectorfonds en een premie aan het Algemene Werkloosheidsfonds (Awf).
Sinds 2020 betalen werkgevers de premies niet meer aan het sectorfonds maar uitsluitend aan het Algemene Werkloosheidsfonds (Awf) vanwege de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB).
Per 1 januari 2012 is de WWV ingetrokken (er resteerde slechts de afhandeling van oude gevallen, vooral de invordering van oude schulden in verband met ten onrechte verstrekte WWV-uitkeringen; de meeste artikelen waren al eerder vervallen).
Verhoging AOW leeftijd Per 1 april 2012 is wegens het ingaan van de AOW-uitkering op de 65e verjaardag in plaats van de eerste dag van de betreffende maand de bepaling dat men geen recht heeft op WW-uitkering vanaf de eerste dag van de maand waarin men 65 jaar wordt vervangen door de bepaling dat men geen recht heeft op WW-uitkering vanaf de dag waarop men 65 jaar wordt.
Het Besluit aanpassing wetten inzake verhoging AOW-leeftijd wijzigde met de AOW-leeftijd samenhangende leeftijdsgrenzen in andere sociale zekerheidswetten zoals de WW, in eerste instantie via de delegatiebepaling. "65 jaar" werd per 1 januari 2013 telkens vervangen door "de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet".
Bij de WW, waar de uitkeringsduur afhangt van het arbeidsverleden, werd deze duur niet verlengd. Er zijn dus bijvoorbeeld mensen voor wie bij de oorspronkelijke AOW-leeftijd de AOW op de WW zou hebben aangesloten, maar door de hogere AOW-leeftijd de WW-duur afloopt nog voordat zij de AOW-leeftijd hebben bereikt.
Plannen die niet doorgingen Volgens het Begrotingsakkoord 2013 zouden werkgevers één maand WW per dienstjaar doorbelast krijgen van het UWV met een minimum van drie maanden voor contracten voor onbepaalde tijd, tot een maximum van zes maanden. Volgens het Regeerakkoord 2012 gaat dit niet door.
Het CDA wilde in maart 2021 de maximale duur van de WW verder terugbrengen naar 12 maanden, overeenkomstig de aanbeveling van de Commissie Regulering van Werk (commissie Borstlap) om de WW-uitkering hoog en kort te maken. Het kreeg zowel van andere regeringspartijen als van oppositiepartijen forse kritiek.CDA: tijd gekomen om WW uitkering terug te brengen tot één jaarHoekstra: politiek moet niet treuzelen bij aanpak arbeidsmarkt
Huidige wet
Verzekerden De artikelen 4 t/m 6 bepalen wie verzekerd zijn. In principe zijn dit personen in een dienstbetrekking. Als dienstbetrekking wordt echter mede beschouwd onder meer de arbeidsverhouding van de persoon die anders dan als zelfstandige (gedefinieerd als een persoon die voor de Wet inkomstenbelasting 2001 winst uit onderneming geniet) en anders dan als thuiswerker, op grond van een overeenkomst tot aanneming van werk als bedoeld in artikel 750 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, persoonlijk een werk tot stand brengt.
Als dienstbetrekking wordt niet beschouwd de arbeidsverhouding van de volgende personen: een minister, staatssecretaris, commissaris van de Koning, burgemeester, Nationale ombudsman, substituut-ombudsman, lid van gedeputeerde staten, wethouder, waaronder begrepen een lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente, voorzitter van een waterschap of de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba iemand die doorgaans op minder dan vier dagen per week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van het huishouden van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat een directeur-grootaandeelhouder een vrijwilliger als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, die uitsluitend vergoedingen of verstrekkingen als bedoeld in dat lid ontvangt met een gezamenlijke waarde van ten hoogste € 170 per maand en € 1700 per kalenderjaar
Artikel 8 bepaalt dat een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd de hoedanigheid van werknemer behoudt voor zover hij geen werkzaamheden als ondernemer of overige niet-verzekeringsplichtige arbeid gaat verrichten.
Een persoon wiens werknemerschap is geëindigd doordat hij ondernemer werd herkrijgt als hij daarmee volledig stopt de hoedanigheid van werknemer indien het ondernemerschap korter heeft geduurd dan de totale toegekende uitkeringsduur, dan wel anderhalf jaar, indien die uitkeringsduur korter was.
Bij een persoon wiens werknemerschap is geëindigd doordat hij overige niet-verzekeringsplichtige arbeid is gaan verrichten is deze termijn maar zes maanden.
Recht op WW Artikel 16 bepaalt (vereenvoudigd weergegeven) dat werkloos is de werknemer die "zijn arbeidsuren per kalenderweek" (bij wisselende werktijden is dit het gemiddelde aantal arbeidsuren, GAA, in de 26 kalenderweken voorafgaande aan die kalenderweek, de GAA-periode) geheel of gedeeltelijk heeft verloren en beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. De mate van werkloosheid wordt dan ook uitgedrukt in een aantal uren per week.
Er bestaat recht op WW als de aanvrager in de afgelopen 36 kalenderweken in ten minste 26 kalenderweken heeft gewerkt. Als dat zo is voldoet men aan de 'wekeneis'.
Om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering mag de aanvrager niet verwijtbaar werkloos zijn geworden. Verwijtbaar werkloos is een persoon die zelf een baan heeft opgezegd (tenzij dit op basis van een sociaal plan is gebeurd), of als het gedrag dusdanig is geweest dat dit heeft geleid tot ontslag. Verwijtbaar werkloos is men in ieder geval als men op staande voet is ontslagen en dit ontslag is niet aangevochten of wel aangevochten en terecht beoordeeld door de kantonrechter. Andere gevallen van verwijtbare werkloosheid kunnen zijn: Het opzeggen van een vaste baan voor een tijdelijk contract, waarna de aanvrager vanuit het tijdelijke contract werkloos wordt, tenzij de aanvrager in de vaste betrekking sowieso werkloos zou zijn geworden; Zelf ontslag nemen zonder dat daar een acute noodzaak voor is. Gepest worden of het op andere wijze niet naar de zin hebben is geen acute noodzaak; Een ontslag niet aanvechten of aangeven het "er wel mee eens" te zijn. De gevolgen zijn dat men pas weer een WW-uitkering zal kunnen ontvangen als er opnieuw WW-rechten zijn "opgebouwd". In de bezwaarprocedure zal in een hoorzitting het recht op WW nogmaals beoordeeld worden.
Artikel 19 bepaalt dat geen recht op uitkering heeft onder andere de werknemer die: een uitkering voor ziekte/arbeidsongeschiktheid ontvangt buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie of voor het zoeken naar werk (binnen de EU)www.uwv.nl; Werk zoeken in het buitenland. niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt rechtens zijn vrijheid is ontnomen zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel de AOW-leeftijd heeft bereikt te lang vakantie geniet
Artikel 20 bepaalt sinds 1 juli 2015 dat het recht op uitkering eindigt: c. met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin de werknemer inkomen geniet dat meer dan 87,5% van het maandloon bedraagt.
Artikel 21 bepaalt dat als de omstandigheid die tot het eindigen heeft geleid heeft opgehouden te bestaan, het recht op uitkering onder bepaalde voorwaarden herleeft. De voorwaarden zijn onder andere: er ontstaat geen nieuw recht op WW de betrokkene is niet langer dan zes maanden niet beschikbaar geweest voor arbeid (anders dan wegens ziekte) Stel dat iemand werk vindt en dan weer werkloos wordt en niet voldoet aan de wekeneis. Door het herleven wordt de einddatum van de uitkering later dan die eerst was, namelijk zoveel maanden opgeschoven als het werk geduurd heeft. In die zin leidt het vinden van werk niet tot nadeel.
Herleving is niet mogelijk voor een ondernemer die minder uren in zijn onderneming gaat werken, maar wel voor een ondernemer die helemaal stopt met zijn onderneming. Een deeltijdondernemer met daarnaast een deeltijduitkering kan dus niet een keer een week extra uren werken omdat het druk is, of hij iets extra's te doen heeft voor de onderneming. Indien voor degene die overige niet-verzekeringsplichtige arbeid verricht het aantal uren per week lager wordt is herleving wel mogelijk (zie ook onder).
Duur van de WW-uitkering Artikel 42, eerste lid bepaalt dat de uitkeringsduur drie maanden is, en ten hoogste 24 maanden.
De Wet werk en zekerheid heeft de maximale duur van de WW teruggebracht naar deze 24 maanden, de opbouw van de uitkeringsduur vertraagd, inkomensverrekening vanaf de eerste werkloosheidsdag geïntroduceerd en het begrip passende arbeid aangescherpt (zie ook elders op deze pagina).
Per cao kan er in aanvulling op de WW een aansluitende werkloosheidsregeling (PAWW) zijn, zie onder.