miniatuur|rechtop=1.35|Reden voor maximale hoogten van spoormaterieel, zoals hier bij de Londense Northern Line bij het verlaten van de metrotunnel bij Hendon Het omgrenzingsprofiel (soms ook gabariet) is de aanduiding voor de maximale afmetingen die een trein of ander voertuig in de hoogte en breedte mag hebben. Het verwante begrip profiel van vrije ruimte (PVR) (in België vaak vrijeruimteprofiel genoemd) is de aanduiding voor de ruimte waarbinnen zich geen andere objecten mogen bevinden. Het PVR is daarom wat groter dan het omgrenzingsprofiel.
Het profiel van vrije ruimte wordt gebruikt bij het ontwerpen van dwarsprofielen van autosnelwegen, tunnels, spoorwegen enzovoort.
Spoorwegen algemeen miniatuur|rechtop=1.35|Laadmal, om te controleren of de lading binnen het (statische) omgrenzingsprofiel valt. miniatuur|rechtop=1.35|Omgrenzingsprofielen G1 en G2 (statisch), volgens de Eisenbahn-Bau- und Betriebsordnung (EBO). miniatuur|rechtop=1.35|Duits profiel van vrije ruimte (PVR) voor omgrenzingsprofiel G2.
Profielen Er zijn verschillende soorten omgrenzingsprofielen, naast de verschillende maatvoeringen zijn er drie verschillende rekenmethoden en meestal wordt er een opdeling gemaakt door het profiel op te splitsen in een onderste gedeelte, een midden/bovenste gedeelte en eventueel daarboven nog een ruimte voor de in werking zijnde stroomafnemers.
Gebruik Het omgrenzingsprofiel is een profiel waarbinnen een spoorvoertuig zich te allen tijde moet bevinden. Door verschillende beperkende factoren worden de daadwerkelijke maten van het voertuig verder beperkt. Het gaat dan om bogen in zowel het horizontale als het verticale vlak en beweging van het voertuig als gevolg van onder andere de vering. Om deze maten te kunnen uitrekenen heeft men referentieprofielen opgesteld, aan de hand waarvan men met allerlei formules het maximum constructieprofiel kan uitrekenen. De grootte hiervan varieert in de lengte van het voertuig, als gevolg van de afstand tot het draaipunt. Omdat dit niet praktisch is bij de bouw, houdt men uiteindelijk een effectief constructieprofiel over, waarvan de breedte van de bak bepaald wordt door de kleinste breedte van het maximum constructieprofiel binnen de draaipunten. Het uiteinde van het voertuig loopt vaak een klein beetje taps toe als gevolg van het maximum constructieprofiel.
In sommige gevallen kennen profielen nog extra lijnen die gelden voor specifieke delen van een trein. Zo kennen schoorstenen van stoomtreinen soms kleinere maximumhoogten in verband met de uitstoot van rook. Elektrische voertuigen kennen een extra beperking voor stroomvoerende delen. Dit in verband met de benodigde isolatieafstand voor niet omklede metalen onderdelen op het dak van een (tractie)voertuig waarop hoogspanning staat, zoals de reservestroomafnemer.
Een stap groter is het profiel van vrije ruimte (PVR), dat bij de bouw van een spoorweg gebruikt wordt als maat waarbinnen zich niets mag bevinden (behalve de trein zelf). Alle installaties zoals perrons, bovenleidingpalen en seinen moet buiten dit profiel liggen. Het PVR kent in andere landen nog een onderverdeling, er is dan een iets kleiner profiel beschikbaar voor vaste installaties naast het spoor (beladingsinstallaties e.d.) en in het grotere PVR zitten daarnaast ruimtes om langs de trein te lopen (voor noodgevallen en personeel).
Ten slotte wordt er buiten het PVR meer ruimte vrijgehouden voor speciale transporten die het omgrenzingsprofiel overschrijden. In Nederland heet dit het rode meetgebied (RM). Het is alleen bedoeld op lijnen waar goederen worden vervoerd en wordt ook niet op alle sporen toegepast. Dergelijk vervoer moet speciaal aangevraagd worden en kent aparte regelgeving. Vaak moet de snelheid beperkt worden en kan de trein maar via een beperkt aantal sporen door een station.
Rekenmethoden Er zijn verschillende rekenmethoden om te bepalen wat de maximum maten van het rollend materieel mogen zijn. Men maakt hier onderscheid tussen de statische, kinematische en de dynamische methode, elk met een eigen referentieprofiel. Daarnaast kan het zo zijn dat er per (nationaal) omgrenzingsprofiel nog extra regels of vereenvoudigingen zijn. De rekenmethoden verschillen in de mate waarin de bewegingen die het rollend materieel kan maken wordt uitgerekend. Aan de hand van de bijbehorende afspraken kan dan bepaald worden hoe groot een voertuig mag zijn en welke marges moeten worden aangehouden bij het bepalen van het bijbehorende profiel van vrije ruimte.
Bij gebruik van het statische referentieprofiel worden niet alle bewegingen van het voertuig uitgerekend, maar worden voor een aantal variabelen vaste waarden gekozen. Hierdoor is de berekening eenvoudig, maar wordt de beschikbare ruimte niet optimaal benut. De kinematische methode houd wel rekening met een aantal bewegingsmogelijkheden (ongunstige stand van de assen, zijdelingse speling van spoor en voertuig, enzovoort), waardoor de maximaal toelaatbare maten nauwkeurig berekend kunnen worden.
Overzicht van profielsoorten Het bovenstaande verhaal geeft dan van klein naar groot: Effectief constructieprofiel Maximum constructieprofiel Referentieprofiel Profiel van vrije ruimte (PVR); voor vaste installaties Profiel van vrije ruimte (PVR); voor overige Rode meetgebied (RM); ruimte voor speciaal vervoer
miniatuur|rechtop=1.35|Wagenopschriftenv.l.n.r.: contactgegevens, UIC-nummer, omgrenzingsprofiel (hier G1), ABC-raster en HGK-logo.
Rollend materieel opschriften Goederenwagens Op nieuwere of gereviseerde goederenwagens staat meest een aanduiding binnen welk omgrenzingsprofiel de afmetingen van de wagen vallen. Hierbij staat de naam van het profiel (bijvoorbeeld G1 of GA) in een omlijning die een omgrenzingsprofiel of een laadmal moet voorstellen. Deze staat op zijn beurt links in een rechthoek.
Stoomlocomotieven Bij het zogenoemde Betriebsgattungszeichen van de voormalige Deutsche Reichsbahn is er een aanduiding voor overschrijding van het omgrenzingsprofiel. Een driehoek betekent dat er delen van de stoomlocomotief buiten het omgrenzingsprofiel steken; indien dit alleen een afneembaar stuk van de schoorsteen betreft staat er een balk boven de driehoek, zie ook afbeeldingen links.
Geschiedenis Op 1 januari 1914 is er een standaardprofiel voor Europa ingevoerd. In de periode daarvoor werd voor internationaal verkeer veelal het Franse omgrenzingsprofiel aangehouden, omdat dat het kleinste profiel was van het Europese continent. Het nieuw gedefinieerde (statische) standaardprofiel had de naam passe-partout international (PPI), maar werd ook vaak het Bernse profiel genoemd, naar de plaats van de conferentie waarop men hiertoe besloot. Het wordt tegenwoordig nog steeds veelvuldig gebruikt, vaak aangeduid als G1 of als UIC 505-1, wat de naam is van het document waarin deze volgens de kinematische rekenmethode gedefinieerd staat. Later zijn in aanvulling hierop in UIC leaflet 506 nog meer profielen vastgesteld, voornamelijk bedoeld voor (grensoverschrijdend) vervoer van containers. Deze zijn een klein stukje hoger (40 mm) en hebben een steeds hoekiger wordend dak. Een deel van deze profielen (GB1 en GB2) is specifiek bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken en opleggers, dit type vervoer vereist een nog grotere hoekhoogte.
Dan zijn er nog twee internationale profielen, die weer enkele decimeters hoger zijn dan de rest. Het G2-profiel heeft duidelijk afgeschuinde kanten, met als gevolg dat de hoeken van het profielen groter dan GA er buiten vallen. Het GC-profiel heeft bijna rechte zijkanten, met als gevolg dat alle voorgenoemde profielen er binnen vallen. Tevens is de Europese standaard voor nieuw te bouwen spoorlijnen. In de praktijk wordt dit profiel nog niet toegepast op spoorvoertuigen, omdat nog niet voldoende spoorlijnen aan dit profiel voldoen.
Alle omgrenzingsprofielen die gebruikt worden voor internationaal vervoer (G1, GA, GB, GB1, GC en G2) hebben tot 3250 mm een gelijke vorm als G1, daarboven hebben ze een steeds hoekiger wordend dak. Er bestaan daarnaast ook nog verschillende profielen die alleen een afwijkende vorm van de onderkant specificeren.
Welk omgrenzingsprofiel een trein mag hebben is afhankelijk van de te rijden route. Per spoorlijn en in enkele gevallen per spoor, is vastgelegd wat het maximum toelaatbare omgrenzingsprofiel is. Veel landen kennen naast de internationale profielen ook nog een eigen omgrenzingsprofielen, die meestal een aantal internationale profielen omsluiten. Daarbij is het mogelijk dat een spoorlijn meerdere profielen toelaat die niet binnen elkaars maten vallen.
Overzicht internationale referentieprofielen UIC / TSI De huidige internationale profielen zijn van de UIC en staan gedefinieerd in UIC-leaflets 505 en 506. Europese omgrenzingsprofielen zijn afgeleid van de UIC-leaflets, bij het opstellen van de Technische Specificaties voor Interoperabiliteit (TSI) door het Spoorwegbureau van de Europese Unie van de EU.: omgrenzingsprofielen in BIJLAGE G. Deze zijn ook terug te vinden in de Europese Norm nr. 15273.
Voor een deel staan deze (statische) omgrenzingsprofielen, samen met een groot aantal nationale profielen, ook gedefinieerd in internationale afspraken over goederenvervoer op het Europese vasteland, dit zijn de zogenoemde Regolamento Internazionale dei Veicoli (RIV).
Omgrenzingsprofiel Statisch referentieprofiel Kinematisch referentieprofiel Gebruik Opmerkingen UIC en/of TSI RIV Breedte Hoogte Breedte Hoogte G1 / T 11 3,150 m 4,280 m 3,290 m 4,310 m Voor bijna alle normaalspoorwegen op het Europese vasteland. Statisch profiel ook onder de namen PPI, Berns profiel of . GA T 12 4,320 m 4,350 m GB T 13 Geschikt voor vervoer van ISO-containers (ook 'high-cube'). GB1 / GB+ Voor transport van opleggers. GB2 Voor transport van opleggers. Iets andere dakvorm als GB1. G2 T 14 4,650 m 4,680 m o.a. NL, DE, AT, CZ, PL, DK en SE. Statisch profiel ook onder de naam . DE3 niet gedefinieerd Als internationaal profiel voor TSI-lijncategorie P3. Verruiming van dakvorm ten opzichte van G2. GC 3,150 m 4,650 m 4,700 m Moet worden toegepast bij nieuwbouw van TEN-T corridors. Platte bovenkant van 3,080 mm breed.
De onderzijde van omgrenzingsprofielen zijn (meestal) apart gedefinieerd, voor statische profielen gaat het om het gebied van 0 tot 430 mm vanaf bovenkant spoorstaaf, voor kinematische profielen van 0 tot 400 mm. Het kinematische profiel G1 / UIC 505-1 kent een eigen beschrijving van de onderzijde, in twee varianten die overeenkomen met de profielen GIC1 en GIC2.
Omgrenzingsprofiel Ten behoeve van Opmerkingen statisch kinematisch GIS1 GIC1 voertuigen die wel geheuveld mogen worden GIS2 GIC2 voertuigen die niet geheuveld mogen worden - GIC3 lagevloerwagens van de Rollende Landstraße
OSJD De onderstaande profielen van de OSJD (de Oostblok-variant van de UIC) zijn bedoeld voor het doorgaand vervoer van (goederen)wagens van Russisch breedspoor naar normaalspoor (met behulp van andere draaistellen).
Omgrenzingsprofiel Statisch referentieprofiel Groter of gelijk dan Opmerkingen OSJD Breedte Hoogte OSJD UIC 03-WM 3,150 m 4,280 m = G1 02-WM 4,650 m > 03-WM = G2 0-WM 3,250 m > 02-WM > G2 1-WM 3,350 m 4,700 m > 0-WM > DE3 past binnen breedspoorprofielen T en 1-T 2-WM > 1-WM > GC GCru 3,750 m > 2-WM > GC N.B. De afkorting WM komt van het cyrillische BM en wordt soms ook vertaald als VM.
Normaalspoor Europa Overzicht Europese nationale profielen Veel landen kennen hun eigen omgrenzingsprofielen, in een aantal gevallen valt een internationaal profiel binnen deze maten. Voor Nederland staan deze in de Regeling Keuring Spoorvoertuigen van Inspectie Leefomgeving en Transport. Voor Duitsland staan deze in het Eisenbahn-Bau- und Betriebsordnung van het Eisenbahn-Bundesamt (EBA). In de onderstaande tabel staat alleen de hoogte in het midden van het profiel weergegeven: