De Aino of Ainoe (アイヌ) is een volk dat woont in Tohoku (Noord-Honshu; 東北地方), Hokkaido (北海道), de Koerilen en Sachalin. Ze noemen zichzelf ook Utari. Het woord ‘ainu’ betekent ‘mens’ en is tegengesteld aan het begrip ‘goden’. De Aino zien dingen die handig zijn voor hen of die buiten hun controle vallen, als ‘kamuy’ (goden). In het dagelijks leven bidden ze tot verschillende goden door middel van diverse rituelen. Hun goden zijn natuurgoden (vuur, water, wind en donder) maar ook dierengoden (zoals beren, wolven), plantengoden (zoals paddenstoelen), objectgoden (zoals boten en potten), beschermgoden, goden van de bergen, en riviergoden.
Genetica Er zijn in het verleden verschillende theorieën geweest over de oorsprong van de Aino. Deze theorieën omvatten onder andere de Europide theorie, de Mongoloïde theorie, de Oceanische rassentheorie, en de oud-Aziatische theorie. Volgens Brace et al. zouden de Aino niet alleen antropologische overeenkomsten met Europeanen vertonen, maar ook genetische verbindingen bezitten die dateren uit de paleolithische en neolithische tijd.Old World sources of the first New World human inhabitants: A comparative craniofacial view - C. Loring Brace et al. June 18, 2001 (https://www.pnas.org/content/pnas/98/17/10017.full.pdf) De oorsprong van de Aino werd op dezelfde manier gezien in het Japanse Journal of Archaeology. Volgens Noriko Seguchi van de universiteit van Kyushu hadden de Aino voorouders uit zowel Siberië als Europa. Seguchi et al. vonden genetische banden met sommige Europese groepen en vermoedden dat verschillende etnische volkeren tijdens de Jōmon-periode naar Japan zijn gemigreerd, waaronder een groep die verwant was aan de Europeanen van vandaag.https://www.researchgate.net/publication/281036097_Jomon_Culture_and_the_peopling_of_the_Japanese_archipelago_advancements_in_the_fields_of_morphometrics_and_ancient_DNA. Gearchiveerd op 6 juli 2020.
Onderzoek en bevindingen suggereren dat de Aino oorspronkelijk afkomstig waren uit een Paleolithische Siberische bevolking die naar Japan emigreerde voordat de "typische" Oost-Aziatische kenmerken werden gevormd.
De eigenlijke Japanners (het niet-Ainovolk) zijn een volk dat relatief laat ontstond, met het begin van de Yayoiperiode. De Aino in Hokkaido en de Tohokuregio en het Ryukyuvolk in Okinawa werden hier minder door beïnvloed.
Vaderlijke afstammingslijnen Uit een analyse van 16 mannelijke Aino-individuen bleek dat de meerderheid (14/16) tot Y-DNA-haplogroep D-M55 behoorde, terwijl een minderheid (2/16) tot haplogroep C-M217 behoorde. D-M55 wordt overal in de Japanse archipel aangetroffen, met zeer hoge frequenties onder de Aino van Hokkaido. C-M217 wordt vaker aangetroffen onder populaties uit Noordoost- en Centraal-Azië. Uit een andere analyse bleek dat één op de vier mannelijke Aino tot haplogroep C-M217 behoorde, terwijl de overige drie tot haplogroep D-M55 behoorden.
De relatief grootste genetische relatie van de Aino en de prehistorische Jōmon is met de Siberische populaties (zoals de Boerjaten, Selkoepen, Tsjoektsjen, Nivchen, Korjaken) en met de indianen (vooral de Tlingit, Haida en Tsimshian van de noordwestkustcultuur). Hoewel de Aino ook de haplogroep D van Y-DNA hebben die wijdverbreid is in Centraal-Azië, zijn ze niet verwant aan de Tibetanen en Andamanezen. Wetenschappers wijzen erop dat haplogroepen alleen niets kunnen zeggen over familieleden of afkomst.
Moederlijke lijnen Uit een analyse van 51 Aino-individuen bleek dat ongeveer 51% van hun mtDNA-subclades uniek is voor de Aino, terwijl de overige haplogroepen worden gedeeld met andere Aziatische populaties, vooral met de Nivchen in het noorden van Sachalin en de Korjaken op het schiereiland Kamtsjatka.
Van de 51 Aino-individuen behoorde ongeveer 27% (14/51) tot N9 (waarvan 10 werden toegewezen aan subclade Y en vier aan niet-geclassificeerde N9-clades), ongeveer 24% (12/51) tot D, ongeveer 20% (10/51) tot M7 en ongeveer 20% (10/51) tot G. De kleinere haplogroepen waren A (2/51), B (1/51), F (1/51) en een niet-geclassificeerde subclade van M die niet tot M7, M8, CZ, D of G behoorde.
Autosomaal DNA Autosomaal lijken de Aino nauw verwant aan het Jōmon-volk van Japan. Volgens eerdere genetische analyses van Jōmon-resten vertegenwoordigen zij een sterk gedivergeerde Oost-Aziatische afstammingslijn. Er wordt aangenomen dat de Jōmon-afstammingslijn zich heeft afgesplitst van de oude Oost-Aziaten (Ancient East Asians, AEA) vóór de divergentie tussen de oude noordelijke Oost-Aziaten en oude zuidelijke Oost-Aziaten, maar ná de divergentie van de basale Tianyuanmens en Hoabinhiërs. Naast hun brede affiniteit met Oost-Aziatische afstammingslijnen vertonen de Jomon ook een zwakke affiniteit met de oude Noord-Euraziaten (ANE), wat mogelijk verband houdt met de introductie van microkling-technologie in Noordoost-Azië en Noordelijk Oost-Azië tijdens het laatste glaciale maximum via de ANE of de oude Paleo-Siberiërs. Andere studies suggereren echter dat er geen directe genstroom was van ANE-achtige (Malta-1)-bronnen naar de Jōmon.
De genetische samenstelling van de Aino vertegenwoordigt een diepe tak van Oost-Aziatische diversiteit. Vergeleken met hedendaagse Oost-Aziatische populaties delen de Aino een nauwere genetische verwantschap met Noordoost-Siberiërs. De Aino vertonen ook een relatief nauwere genetische verwantschap met "laagland Oost-Aziaten" dan met "hoogland Oost-Aziaten" en hebben mogelijk een deel van hun voorouders bijgedragen aan de omliggende populaties rond de Zee van Ochotsk. Verschillen in de frequentie van de afgeleide EDAR-genvariant tussen de Aino en hedendaagse Oost-Aziaten suggereren dat de voorouders van de Aino mogelijk niet dezelfde selectiedruk deelden met andere voorouderlijke Oost-Aziatische populaties. De Aino delen echter twee varianten in het ADH-gencluster met andere Oost-Aziaten in een hoge frequentie, in tegenstelling tot Tibetanen en Sherpa's, wat de mogelijkheid vergroot dat de selectiedruk op deze varianten anders was in de omgevingen op grote hoogte.
De dichtstbijzijnde moderne etnische groepen bij de Aino zijn de Riukiuanen in Zuid-Japan, gevolgd door hedendaagse Japanners. Vergeleken met andere Oost-Aziatische bevolkingsgroepen zijn de Aino een outgroup, wat wijst op langdurige isolatie na hun divergentie. Door de SNP-loci van Aino-individuen te analyseren, werd ontdekt dat ze genen dragen die verband houden met de gezichtsstructuur die wordt aangetroffen bij Europeanen en de morfologie van haar en tanden die wordt aangetroffen bij Oost-Aziaten. Maar over het algemeen vertonen de Aino een sterke invloed van Noordoost-Aziatische bevolkingsgroepen. Genetische analyses van de genen HLA I en HLA II, evenals de frequenties van de genen HLA-A, B en DRB1, plaatsten de Aino in een tussenpositie tussen de indianen van Noord- en Zuid-Amerika en de hedendaagse Noordoost-Aziaten. Genetische analyses van HLA I- en HLA II-genen evenals HLA-A-, -B- en -DRB1-genfrequenties verbinden de Aino met sommige inheemse volkeren van Noord- en Zuid-Amerika, met name met populaties aan de Pacifische noordwestkust zoals Tlingit. De wetenschappers suggereren dat de belangrijkste voorouder van de Aino en van sommige Indiaanse groepen terug te voeren is op paleolithische groepen in Zuid-Siberië.https://www.researchgate.net/publication/11802426_Genetic_link_between_Asians_and_Native_Americans_Evidence_from_HLA_genes_and_haplotypes. Gearchiveerd op 24 december 2020.
Uit onderzoek naar de hedendaagse Aino blijkt dat tussen de 66% en 79,3% van hun voorouders afstamt van de Jōmon-lijn. Uit een ander onderzoek naar hedendaagse Aino-individuen is gebleken dat circa 49% van hun voorouders rechtstreeks afstamt van het Jōmon-volk, circa 22% van het Ochotsk-volk (dat zelf gemodelleerd kan worden als 54% Oud-Noordoost-Aziatisch, 22% Oud-Paleo-Siberisch en 24% Jōmon), en circa 29% van de Yamato-Japanners (die circa 11% Jōmon en 89% Yayoi-voorouders met zich meebrachten), wat overeenkomt met historische gebeurtenissen.
Archeologie De oudste nederzettingen in Japan zijn gelokaliseerd in het zuiden en dateren van ongeveer 35.000 voor Christus. De oudste nederzettingen in Hokkaido dateren van rond 18.000 v.Chr.
Rond 18.000 v.Chr. werd een nieuwe techniek om kleine stenen werktuigen te vervaardigen geïntroduceerd in Japan. Dit zorgde ervoor dat men dodelijke en precieze pijlen en wapens kon maken, wat resulteerde in een effectievere jacht.
De ijstijd eindigde en Oost-Azië begon zijn moderne vorm aan te nemen. Verschillende kleine volkeren, elk met hun eigen culturele kenmerken, gingen ideeën en goederen uitwisselen; dat gebeurde ook met Korea en de riviervallei van de Amoer in Rusland.
Yomonperiode Of aardewerk in Japan werd uitgevonden of geïntroduceerd werd via handel is onbekend, maar het staat vast dat het de plaatselijke cultuur veranderd heeft. De Jōmonperiode startte met de introductie van aardewerk. Dit aardewerk behoort tot het oudste ter wereld. Ongeveer 80% van de Jōmon-sites zijn gelokaliseerd in het noordelijke deel van Honshu en Hokkaido.
In Hokkaido veranderde het klimaat door het einde van de ijstijd. Sommige dierensoorten stierven uit en werden vervangen door andere soorten. Visvangst werd voor sommige groepen een belangrijke vorm van voedselwinning. Er kwamen nieuwe plantensoorten en een kleinschalige landbouw. Doordat er voldoende voedsel was, werd een nomadisch bestaan overbodig en ontstonden er permanente vestigingsplaatsen.
Yayoi en Epi-Yomon Rond ongeveer 300 v.Chr. begon op Honshu de Yayoiperiode. De Yayoicultuur drong het zuiden van Japan binnen via Korea. Het voerde onder andere ijzeren voorwerpen en rijstlandbouw in. Men was aangewezen op landbouw en begon zelf ijzeren voorwerpen te maken. Rond 100 v.Chr. had de Yayoicultuur de Jōmoncultuur volledig verdreven uit Zuid-Honshu.
De cultuur van de overige Jōmon in Noord-Honshu was ingrijpend veranderd. De Yayoilandbouw werd aan de Jōmonbevolking in Noord-Honshu en Hokkaido aangeleerd. Nieuwe plantensoorten werden geïntroduceerd. Rijstbouw die water en vlakke velden vereiste, werd verworpen, waarschijnlijk omwille van het koude weer in het noorden. Visvangst, jacht, nieuwe gewassen en de oude kleinschalige landbouw voorzagen de inwoners van genoeg voedsel om rijstbouw onnodig te maken. IJzer werd vlug populair en werd gebruikt om onder andere wapens te maken. Handel en vriendschappelijke relaties met volkeren in Noord-Honshu zorgden ervoor dat rijst, verschillende aardewerkstijlen, glas en metaal werden ingevoerd in Hokkaido. Deze veranderingen kondigden het begin van de Epi-Jōmonperiode aan.
Satsumon- en Ochotskcultuur Een nieuwe cultuur deed haar intrede, vanuit de Amoervallei naar Sachalin en de kusten van de zee van Ochotsk. Deze cultuur werd de Ochotskcultuur genoemd. Men bracht bepaalde praktijken van het Aziatische vasteland mee. Varkensboerderijen vulden de zeezoogdierenjacht en de visvangst aan. Door overbevolking staken er velen de zee over en gingen zich vestigen in Noordoost-Hokkaido en de Koerilen. Het Ochotskvolk legde zich vooral toe op visvangst, zeezoogdierenjacht en handel.
Tijdens deze periode kwam de Epi-Jomonbevolking van Noord-Hokkaido sterker onder invloed van de Yamato in het zuiden, en deed de Satsumoncultuur haar intrede. Aardewerkstijlen en productiemethodes van Noord-Honshu tonen deze zuidelijke invloed. Hierbij komt ook dat de leiders van de Japanse staat het Honshuvolk aanspoorden om zich te vestigen op de noordelijke eilanden. Zij brachten nieuwe productiemethodes en nieuwe ideeën mee. De Satsumongemeenschappen verhuisden naar het oosten van Hokkaido, Sachalin en de Koerilen. Langzamerhand werd de Ochotskcultuur door de Satsumoncultuur geassimileerd.