De reconquista (Arabisch: الاسترداد al-ʼIstirdād) was een periode van 780 jaar in de middeleeuwen waarin enkele christelijke koninkrijken op het Iberisch Schiereiland ernaar streefden met militair geweld de islamitische Moren van het schiereiland te verdrijven, nadat deze vanaf 711 het grondgebied hadden veroverd, op een smalle strook in het noorden na.
De verovering van het Visigotische Rijk in de achtste eeuw bracht het schiereiland grotendeels onder islamitische heerschappij, met uitzondering van de gebieden Galicië, Asturië, Cantabrië en Baskenland. De reconquista begon namelijk met de Slag bij Covadonga, waarin 300 Asturiaanse herders en gewone inwoners onder leiding van Don Pelayo wonnen tegen het leger van de Moren in de Picos de Europa. Na eeuwen van oorlogen restte in de dertiende eeuw alleen nog het islamitische koninkrijk Granada dat in 1492 werd veroverd door het katholieke koningspaar, waarmee het Iberisch Schiereiland geheel in katholieke handen was.
Terminologie De term reconquista komt uit het Spaans en Portugees en betekent "herovering", het perspectief van de Rooms-Katholieke Kerk en de Spaanse koninkrijken. Volgens sommige historici is gebruik van de term "herovering" in historisch-politieke samenhang niet juistː er zou nooit een "Spanje" bestaan hebben vóór de komst van de Moren in 711, tenzij men de Germaanse Visigoten als "Spaans" wil zien. Schrijvers als Lucas Catherine en historici als María Rosa Menocal erkennen de term reconquista niet en geven de voorkeur aan de term "conquista" (verovering).Lucas Catherine, Van Morendoders tot botsende beschaving. De duizendjarige oorlog tegen de islam, uitgeverij EPO: Berchem, 2007, Lucas Catherine, De Spaanse conquista en reconquista 711-1492, uitgeverij EPO: Berchem, 2009; María Rosa Menocal, Ornament of the World – How Muslims, Jews, and Christians created a culture of tolerance in Medieval Spain, Little, Brown and Company: New York 2002
Men spreekt ook wel eens van 'kruistochten op het Iberisch Schiereiland' of 'Iberische kruistochten' om te verwijzen naar de christelijk geïnspireerde veldslagen en zeeslagen tijdens de reconquista.
Voorgeschiedenis
thumb|300px|De Rots van Gibraltar waar generaal Tarik ibn Zijad en zijn troepen voet aan wal zetten. Tijdens de Grote Volksverhuizing, die mede de Val van het West-Romeinse Rijk veroorzaakte, werd het Iberisch schiereiland bezet door de Visigoten, die er hun koninkrijk vestigden. Rond 700 brak er een burgeroorlog uit onder verschillende Visigotische edelen en een van de partijen nodigde de islamitische Moren in Noord-Afrika uit om hen bij te staan in de strijd. Aldus stak in 711 de Berberse generaal Tarik ibn Zijad de Straat van Gibraltar over om te profiteren van de ontstane onrust en chaos ten gevolge van de burgeroorlog onder de Visigoten. De Visigotische koning Roderik werd in hetzelfde jaar vermoord, waarmee het koninkrijk ophield te bestaan, en de Moren maakten van de gelegenheid gebruik om te trachten het hele schiereiland te bezetten. In 718 was het grootste gedeelte van het Iberisch Schiereiland in de handen van de moslims. In 722 behaalden de christenen hun eerste overwinning onder leiding van Don Pelayo in de Slag bij Covadonga, waardoor Asturië niet bezet werd. Aan de invasie van de Omajjaden in Frankrijk werd een einde gemaakt door Karel Martel in de Slag bij Poitiers in 732.Op gebruik van begrippen als "christenen" of "opmars van de moslims" is uit historisch politieke zicht eveneens kritiek te leveren.
Tussen 711 en 750 was Al-Andalus, de benaming voor de delen van het Iberisch Schiereiland die onder islamitisch bestuur stonden, een provincie van het kalifaat van de Omajjaden, waarvan de hoofdstad Damascus was. Het bestuur in Al-Andalus was gevestigd in Córdoba. Nadat de Abbasiden de Omajjaden in het Midden-Oosten in 750 hadden verslagen, vestigde de Omajjadische prins Abd al-Rahman I zich in 756 in Al-Andalus. Hij onderwierp grote delen van het gebied aan zijn gezag, maakte Córdoba tot zijn hoofdstad en stichtte het politiek onafhankelijke emiraat Córdoba. In 929 riep zijn nakomeling Abd al-Rahman III zich uit tot kalief, waarmee het kalifaat Córdoba ontstond. Dit kalifaat beleefde een periode van politieke, economische en culturele bloei, maar christenen en joden hadden als dhimmi's een juridisch ondergeschikte positie.
In het noorden van het Iberisch Schiereiland ontwikkelden zich christelijke politieke eenheden, waaronder het Koninkrijk Asturië, later het koninkrijk León, het koninkrijk Pamplona/Navarra, het Graafschap Castilië en de Catalaanse graafschappen. Deze waren onderling verdeeld en voerden geregeld ook oorlog tegen elkaar. Het Koninkrijk Aragón ontstond in 1035; Castilië werd eveneens in de elfde eeuw een koninkrijk. Het Graafschap Portugal ontwikkelde zich pas in de twaalfde eeuw tot een zelfstandig koninkrijk.
Volgens een later ontstane legende versloeg koning Ramiro I van Asturië in 844 de moslims in de Slag bij Clavijo, nadat Sint-Jacobus op het slagveld was verschenen. De slag wordt door historici als legendarisch beschouwd; de overlevering is pas eeuwen na de vermeende gebeurtenis vastgelegd. De legende droeg bij aan de ontwikkeling van het beeld van Sint-Jacobus als Santiago Matamoros.
De Reconquista thumb|Taalkundige kaart van de reconquista Tussen 1002 en 1031 viel het kalifaat uiteen in de zogenoemde taifa-rijkjes. Deze verdeeldheid leidde tot een definitieve kentering na een paar eeuwen patstelling tussen de christelijke rijkjes en de moslims. Voorheen waren er voornamelijk defensieve veldslagen tegen de moslims, maar in deze eeuw krijgen ze een meer offensief, progressief en continu karakter. In 1063 gaf paus Alexander II zijn zegen aan de kruistochten van de reconquista.
Deze eerste periode van het christelijke offensief wordt het vaakst beschreven in ridderromans. Bekend is onder anderen de legendarische ridder Rodrigo Díaz de Vivar (el Cid), die nu eens met de christenen, dan weer met de moslims meevocht, en uiteindelijk Valencia voor de christenen veroverde.
Het jaar 1085 was een sleuteljaar in de reconquista. In dat jaar bezette de Castiliaanse koning Alfons VI de oude Visigotische hoofdstad Toledo. De Slag bij Las Navas de Tolosa (tussen Toledo en Córdoba) in 1212 was een zware nederlaag voor de moslims en een echte doorbraak. De christenen boekten hierna in relatief korte tijd grote successen: Córdoba werd in 1236 veroverd, Sevilla in 1248 en Cádiz in 1260. In 1280 was vrijwel het gehele schiereiland in christelijke handen. Alleen het emiraat Granada bleef islamitisch onder heerschappij van de Nasriden. Het was schatplichtig aan de koningen van Castilië. Interne machtsstrijd was de oorzaak van verval. Vanaf 1421 begonnen de opeenvolgende pausen op te roepen tot kruistochten tegen de moslims in Granada.
In 1482 begon de Oorlog van Granada, een veldtocht tegen het koninkrijk Granada. Op 2 januari 1492 (hetzelfde jaar dat Christoffel Columbus voor het eerst de Atlantische Oceaan overstak en daarbij Amerika herontdekte) nam het katholieke koningspaar, Ferdinand II van Aragón en Isabella I van Castilië, de sleutels van de stad Granada in ontvangst van emir Abu Abdallah (bij de Spanjaarden bekend als Boabdil). Hiermee was de reconquista voltooid.
Verdrijving en vervolging van joden en moslims thumb|180px|Standbeeld van Geraldo sem Pavor (Gerard zonder Vrees), een Portugese kruisvaarder, met het hoofd van een Moor Kort na de herovering van Granada werden de bepalingen van het Verdrag van Granada (1491), dat de moslimbevolking van Granada onder meer bescherming van haar godsdienst garandeerde, geleidelijk geschonden. Op 31 maart 1492 tekenden Ferdinand en Isabella het Edict van Granada. Joden kregen daarbij de keuze zich tot het christendom te laten dopen of de rijken van Castilië en Aragón vóór het einde van juli 1492 te verlaten; wie daarna zonder doop in hun gebieden werd aangetroffen, riskeerde onder meer de doodstraf en verbeurdverklaring van goederen. Veel joden bekeerden zich onder deze druk tot het christendom. Sommigen van hen bleven in het geheim hun joodse geloof voortzetten. Over het aantal joden dat emigratie verkoos verschillen de meningen. Veel vertrekkers vestigden zich in Portugal, Italië, Noord-Afrika en het Ottomaanse Rijk; later ontstonden ook Sefardische gemeenschappen in de Nederlanden en elders in Europa. De verspreiding van de Sefardische Joden over delen van Europa, het Middellandse Zeegebied en Noord-Afrika leidde tot het ontstaan van eigen gemeenschappen.
De Rooms-Katholieke Kerk en de monarchie streefden naar grotere religieuze homogeniteit in de rijken van Ferdinand en Isabella. De nauwe samenwerking tussen de kroon en kerkelijke instellingen, waaronder de Spaanse Inquisitie, was daarbij van groot belang. Deze ontwikkeling droeg bij aan de vervolging en uitsluiting van joden, moslims en bekeerlingen die ervan werden verdacht hun vroegere geloof in het geheim te blijven belijden.
In 1499 voerde de Spaanse kardinaal Francisco Jiménez de Cisneros in Granada een harde bekeringspolitiek tegenover de moslims, destijds Mudéjares genoemd. Zijn optreden droeg bij aan de opstand in de Albaicín en vervolgens aan gedwongen bekeringen van de moslimbevolking van Granada. In 1501 gaven Ferdinand en Isabella opdracht tot de verbranding van Arabischtalige islamitische boeken, waaronder korans, in het koninkrijk Granada. De keuze tussen doop en vertrek gold eerst in Granada en werd in 1502 uitgebreid tot de overige gebieden van de Kroon van Castilië. De bekeerde moslims en hun nakomelingen worden morisco's genoemd.
Onder Filips II werden conversos – joden die zich, vaak onder druk, tot het christendom hadden bekeerd – door de Spaanse Inquisitie vervolgd wanneer zij ervan werden verdacht heimelijk het jodendom te blijven praktiseren. Voor dergelijke joodse bekeerlingen werd ook de pejoratieve benaming marranos gebruikt; deze term is daarom niet geschikt als neutrale aanduiding. Ook morisco's konden worden vervolgd wanneer zij ervan werden verdacht heimelijk de islam te blijven praktiseren. De aantallen door de Spaanse Inquisitie geëxecuteerden zijn in de historiografie omstreden; de bewering dat de inquisitie 13.000 bekeerde joden liet ombrengen, is zonder betrouwbare bron niet te handhaven. Doodstraffen die door inquisitierechtbanken werden uitgesproken, werden door de wereldlijke macht voltrokken.
Na het besluit van Filips III van april 1609 tot uitzetting van de morisco's werden zij stapsgewijs uit Spanje verdreven. De uitzetting vond plaats tussen 1609 en 1614 en trof ongeveer 300.000 personen. De meesten werden via Middellandse Zeehavens naar Noord-Afrika gebracht.
Classificaties en latere gevolgen De vele vorderingen en retraites hebben verschillende sociale typen gecreëerd:
Christenen Mozaraben Christenen in door moslims bezette gebieden. Sommigen van hen migreerden naar het noorden van het schiereiland in tijden van vervolging, waardoor elementen van de stijlen, voedsel en landbouwpraktijken werden geleerd van de Moren, terwijl ze hun christendom bleven praktiseren met oudere vormen van katholieke eredienst en hun eigen versies van de Latijnse taal. Conversos Joden en moslims die zich tot het christendom hebben bekeerd. Oude christenen Spaanse en Portugese christenen die niet afstammen van moslims of joden en die hun "bloedzuiverheid" bewaarden. Farfanes Christelijke huursoldaten, voornamelijk afkomstig uit de Iberische koninkrijken, die in de late middeleeuwen in dienst traden van islamitische dynastieën van de Maghreb.
Joden