De gierzwaluw (Apus apus) is een vogel uit de familie van de gierzwaluwen (Apodidae). Dit is de enige soort gierzwaluw die in Noordwest-Europa (en dus ook in Nederland en België) broedt. Daarnaast komen als broedvogel in Europa (en als dwaalgast in Nederland en België) nog voor: de vale gierzwaluw (Apus pallidus) en de alpengierzwaluw (Tachymarptis melba). Omdat deze soorten nogal van elkaar verschillen qua uiterlijk, gedrag en ecologie, gaat dit artikel alleen in op de 'gewone' gierzwaluw. Verschillen met andere gierzwaluwen worden hier en daar in de tekst uitgelicht.
Gierzwaluwen zijn zeer sterk aan het leven in de lucht aangepast. Buiten de broedperiode houden ze zich verscheidene maanden lang hoogstwaarschijnlijk zonder onderbreking in de lucht op.Art. a. apus: Wanderungen, in Handbuch der Vögel Mitteleuropas (HVM) 9 (1994), p. 680-686. Bij hun vluchtmanoeuvres kunnen ze in duikvlucht snelheden van meer dan 200 kilometer per uur bereiken.Art. a. apus: Verhalten; Bewegung, in HVM 9 (1994), p. 697 e.v.
Taxonomie De gierzwaluw behoort niet tot de zwaluwen (Hirundinidae), waartoe de boerenzwaluw, huiszwaluw en oeverzwaluw behoren. De gierzwaluw behoort tot de familie Apodidae, en de orde gierzwaluwachtigen (Apodiformes). De vogel is meer verwant aan de kolibries dan aan de zwaluwen, die tot de orde van de zangvogels behoren. De gierzwaluw is ook niet verwant aan de nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus), die behoort tot de familie Caprimulgidae.
Veldkenmerken De totale lengte van snavelpunt tot staartveren is circa 17 centimeter, de spanwijdte ongeveer 40 centimeter. Hiermee is de gierzwaluw duidelijk groter dan zwaluwen zoals de boerenzwaluw en huiszwaluw. De vleugels zijn sikkelvormig, wat een kenmerkend vliegbeeld geeft. Het verenkleed is donkerbruin van kleur, de kin en keel zijn witachtig. In de lucht (tegen een lichte lucht) lijken ze eerder zwart. Ze eten insecten uit de lucht waar ze actief naar toe vliegen om ze uit de lucht te happen. Hiervoor maken ze enkele snelle vleugelslagen, waarna ze weer even zweven en hun vleugels stilhouden. Vliegen de insecten laag (bij minder mooi weer) dan vliegen de gierzwaluwen op zoek naar voedsel met grote snelheid langs struiken en houtwallen. Een volwassen gierzwaluw weegt gemiddeld 46 gram. Juvenielen zijn net als de ouders donkerbruin, waarbij elke veer een lichte rand heeft (het lijkt een beetje op schubben). Wel hebben de jongen (anders dan de ouders) een wit voorhoofd. Juvenielen worden nauwelijks waargenomen, omdat ze direct na het uitvliegen naar het zuiden trekken. De gemiddelde levensduur bedraagt ongeveer 6 jaar (maximaal 21 jaar), wat erg lang is voor een vogel van een dergelijke grootte.
Er is geen seksuele dimorfie: het mannetje en het vrouwtje zijn uiterlijk niet te onderscheiden. Mannetjes en vrouwtjes kunnen onderscheiden worden op basis van de roep. Dit is met name het geval wanneer beide vogels het nest verdedigen tegen indringers.
De gierzwaluw heeft in verhouding zeer lange sikkelvormige vleugels. De staart is relatief kort en gevorkt. De uitwendige snavel is relatief klein maar breed, waardoor deze ver geopend kan worden om de insecten te kunnen vangen in de vlucht.
Nederland en België De gierzwaluw is in Nederland en België een algemeen voorkomende broedvogel van stedelijk gebied met een duidelijke voorkeur voor oude stadswijken. Gierzwaluwen leven het grootste deel van het jaar rondzwervend in Afrika. Half april tot begin mei komen de volwassen vogels terug op hun nesten in Nederland en België (in zuidelijker landen is dit eerder, in noordelijker landen later). Gierzwaluwen leven in verschillende leeftijdsgroepen. en komen dus ook op verschillende momenten in Nederland aan (ontwikkeling van aantallen gierzwaluwen in de Sovon-tuintellingen, zie Gebiedenprotocol Gierzwaluw, Bijlage 2). De onvolwassen vogels arriveren gedurende de maand juni, de jongen van vorig jaar pas eind juni-begin juli. De jongen vliegen uit van begin juli tot in september. In de tweede helft van juli vindt de grote uittocht plaats van de gierzwaluwen (vogels die geen nest hebben). De broedvogels vertrekken enkele dagen tot 2 weken nadat de jongen zijn uitgevlogen.
De broedvogels kunnen al half april arriveren terwijl ze tot in september aanwezig kunnen blijven om de jongen van late legsels te voeren (circa 150 dagen). De jonge vogels van het voorgaande jaar blijven maar hooguit één maand in het broedgebied.
Het aantal broedparen in Nederland wordt geschat op 45.000-80.000 (telperiode 2018–2020). Omdat er in Scandinavië minstens enkele honderdduizenden gierzwaluwen broeden, passeren er gedurende de trek belangrijke aantallen Nederland en België als doortrekker. De hoogste aantallen doortrekkende gierzwaluwen zijn geteld bij telpost Breskens in de maand mei in verschillende jaren (maximum: 41.365 op 26 mei 2012).
De trend in het aantal broedparen in Nederland is niet met zekerheid vast te stellen omdat nesten moeilijk te vinden zijn. In het Sovon-telprogramma MUS (Meetnet Urbane Soorten) worden de vliegende gierzwaluwen geteld. De trend van de aantallen is stabiel (wat wil zeggen dat er met dit meetnet geen toe- of afname van de gierzwaluw kon worden vastgesteld).
Het vermoeden bestaat dat de stand van de gierzwaluw de laatste decennia is afgenomen door het verdwijnen van broedplekken onder daken als gevolg van sloop en renovatie van woningen. Aan de andere kant worden er steeds meer Soorten Management Plannen (SMP's) opgesteld en uitgevoerd, waardoor het aantal potentiële nestplekken weer stijgt. Dit betreft dan met name de ingebouwde neststenen in gevels op het noorden en oosten.
Algemeen thumb|De gierzwaluwluisvlieg (Crataerina pallida) is een soort vlieg die alleen parasiteert op de gierzwaluw. De vlieg lijkt door het afgeplatte lichaam en smalle naar achteren wijzende vleugels meer op een krekel dan op een vlieg. De vlieg zuigt met de bijtende monddelen het bloed van in nesten levende (lees broedende en juveniele) exemplaren, kan net als een teek het achterlijf laten opzwellen tijdens de maaltijd en kan eenmaal volgezogen meer dan een week zonder voedsel.
Door huizen als rotskliffen te gaan beschouwen hebben gierzwaluwen lang geleden hun oorspronkelijk broedareaal aanzienlijk verruimd. Ze zijn sindsdien algemeen voorkomende zomergasten geworden in steden en dorpen in heel Europa. Met hun gierende vluchten geven de gierzwaluwen zonnige zomeravonden in (oude) stadswijken een aparte sfeer.
In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, en ondanks zijn zeer korte pootjes (de wetenschappelijke naam komt van het Oud Griekse woord ἄπους, apous, wat "zonder voeten" betekent), kan een gierzwaluw die per ongeluk op de grond terechtkomt, wel degelijk opvliegen, als hij maar een vlakke ondergrond heeft met een paar meter aanloopafstand. Met behulp van zijn vleugels kan hij zich in een paar slagen voldoende afzetten om hoogte te nemen. Een (gezonde, volwassen) gierzwaluw laat men vrij door hem voorzichtig vanaf een hoog uitgestrekte hand te laten wegvliegen.
Doordat hij voor zijn voedselvoorziening volledig afhankelijk is van het aeroplankton, is de bereikbaarheid van het voedsel van de gierzwaluw sterk afhankelijk van de weersomstandigheden. Als er bij koud weer weinig insecten rondvliegen, passen de gierzwaluwen hun gedrag aan. De weinige insecten zijn dan nog te vinden laag boven de grond in de buurt van struiken en houtwallen. De gierzwaluwen vliegen dan laag en snel langs die vegetaties. Bij mooi weer vliegen de insecten hoger en kunnen de gierzwaluwen ze boven de kolonie uit de lucht happen. Het aantal voederingen van de jongen op dagen met slecht weer is geringer dan op dagen met mooi weer. Het kan zelfs gebeuren dat de ouders de hele dag op het nest blijven of alleen een snelle sanitaire vlucht maken. Ondanks de meldingen in de literatuur van een slaaptoestand of torpor bij gierzwaluwen, wordt dit in de nesten met camera's nooit waargenomen, ook niet bij slecht weer. Er wordt wel kort geslapen, maar de uitkomende veren van de jongen geven zoveel jeuk, dat de jonge vogels elke paar minuten wel aan hun veren pikken en daarmee ook de andere gierzwaluwen wakker maken (ze zitten met koud weer vaak met z'n allen bovenop elkaar op het nest).
Wat voor de broedende gierzwaluwen geldt, geldt niet voor de niet-broeders (specifieker: de vogels die geen nest hebben bezet). Deze vogels zijn niet gebonden aan het voeren van jongen of het verdedigen van een nestplek. Zij zijn vrij om met slecht weer de kolonie te verlaten en gebieden met mooier weer en meer insecten te bezoeken. Ze doen dit dan ook en kunnen tot 2 weken wegblijven, naar gelang het weer. Als de luidruchtige niet-broeders vertrokken zijn, is het stil in de kolonie. Maar de oudervogels verlaten hun nesten niet en zijn elke nacht op het nest te vinden.
Gierzwaluwen zijn in landen als Nederland en België voor hun voortplanting gebonden aan (stedelijke) bebouwing, doordat ze nestelen onder daken en tegenwoordig ook in nestkasten en andere kunstnesten, die door beschermers met veel succes in het stedelijk milieu worden opgehangen. In gebieden met dikke bomen en spechtenholen kunnen gierzwaluwen ook broeden in bossen, buiten het stedelijk gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval in landen als Duitsland, Schotland en Frankrijk.Roger T. & A. Fossé 2001. Nidifications arboricole et rupestre du Martinet noir Apus apus en Maine-et-Loire. Crex 2001 : 21-29. In Nederland is eenmalig een succesvol broedgeval in een boom vastgesteld.Harvey van Diek & Wim Oosterhof, 2024. Boombroedende Gierzwaluwen in Hilversum in 2019-22. Limosa 97 (2024): 34-36
Gedrag De gierzwaluw leeft in kleinere en grotere troepen, vaak foeragerend met boeren-, huis- en oeverzwaluwen. In het voorjaar en de hoogzomer vinden onstuimige achtervolgingen plaats. De gierzwaluw broedt in losse kolonies.
Om de (beste) nestplaatsen vindt een felle concurrentiestrijd plaats. Eerstejaarsvogels broeden niet, maar houden zich wel in en om de kolonie op. In zogenaamde giervluchten vliegen ze samen met ouderejaars die nog geen nest hebben schreeuwend langs bekende nestplekken. Ze vliegen (en schreeuwen) alleen maar mee. De ouderejaars inspecteren wel degelijk de bezette en/of geschikte nestholtes. Later in het jaar kunnen deze minimaal 2 jaar oude vogels ook een nestplek bezetten. Zo niet, dan kunnen ze in een volgend seizoen intrekken in een nest waarvan (een van de) vaste broedvogels in de lente niet meer komen opdagen. Gierzwaluwen kunnen zo soms 3 tot 4 jaar zonder eigen nest (alleen maar vliegend) door het leven gaan.
Paartjes zijn gebonden aan hun nestplek waarnaar ze jaar na jaar terugkomen. Komt de eerste partner in het voorjaar terug bij het nest, dan wacht hij of zij op de oude partner. Maar na enkele dagen tot een week wordt er geprobeerd een nieuwe partner naar de nestplek te lokken. Lukt dit, dan is een nieuw paar ontstaan. Als de oude partner later alsnog arriveert, dan ontstaat er in de nestruimte een gevecht tussen de vogels van hetzelfde geslacht dat meerdere uren kan duren.
thumb|HIRUNDO APUS(1770), Nederlandsche vogelen, KB
Vlucht De gierzwaluw is een van de weinige dieren die zich vrijwel permanent in de lucht bevinden, en kan zich op de grond slechts uiterst moeizaam voortbewegen. De vogel kan zich daarentegen goed vasthouden aan loodrechte muren. De vleugelslag is zeer snel en stijf, de vlucht is cirkelend, wentelend en glijdend.