Bonifatius, ook wel Bonifacius, geboortenaam: Wynfreth (Winfried) (nabij Exeter in Zuidwest-Engeland, 672 of 675 - Dokkum (Friesland), ca. 754/755) was een van de belangrijkste Angelsaksische missionarissen en kerkhervormers in het Frankische Rijk, bisschop, martelaar en heilig verklaarde. Hij werd gedood bij Dokkum toen hij op zendelingstocht was, waarschijnlijk op of rondom 5 juni 754, maar misschien wat later, in 755.Wagner 2003, 207-226.
Bonifatius wordt ook de Apostel van de Duitsers genoemd. Meer nog dan missionaris was hij de inrichter van de kerkelijke structuren in het gebied van het huidige Duitsland en, wat evenzeer cruciaal is geweest, de binding daarvan aan de Heilige Stoel. Bonifatius werd zo de architect van het christelijke West-Europa, omdat hij een groot aandeel had in de grondvesting van de kerk van Rome en in de groei naar culturele eenheid van West-Europa.
Bonifatius wordt vaak afgebeeld met zwaard en bijbel, omdat hij zich zou hebben beschermd met een evangeliën-codex, maar dit gegeven komt niet voor in de vroegste levensbeschrijving (vita). De codex in Mainz met sporen van zwaardslagen is geen bijbel, maar een boek met traktaten tegen de Arianen, die ketters waren in Bonifatius' ogen en moesten worden uitgeroeid.Otten, D., Hoe God verscheen in Friesland, p. 102
Leven Er zijn verscheidene werken geschreven over het leven van Bonifatius, van kort na zijn dood tot ongeveer 1100. Volgens de door Willibald geschreven vita, ongeveer dertien jaar na zijn dood, werd Bonifatius als Winfrid of Wynfrith geboren in een adellijke familie. Als familieleden van Bonifatius worden ook wel vermeld Richard van Wessex, Willibald van Eichstätt, Winnibald en Walburga.St. Walburga, Catholic Encyclopedia, 1913. Gearchiveerd op 10 mei 2023.
Waarschijnlijk was Crediton in Devonshire zijn geboorteplaats. Willibald beschrijft hoe de jonge Winfried zich tegen de wil van zijn vader al wilde wijden aan het kloosterleven. Toen zijn vader dodelijk ziek werd en bijna overleed, zag hij dat als een teken. Hij gaf hieraan toe en vertrouwde de zevenjarige Winfried als puer oblatus toe aan het klooster. Hij kreeg zijn opvoeding en theologische scholing in de abdijen van Exeter en Nhutscelle (Nutshalling, nu Nursling bij Southampton), waarna hij toetrad tot de Benedictijner orde. Op zijn dertigste, rond 705, werd hij tot priester gewijd. Hij werd hoofd van de kloosterschool en maakte naam als leraar, exegeet, historicus, grammaticus en literator. De eerste Latijnse grammatica in het Engels was van zijn hand. Hij was voorbestemd om abt te worden, maar de missie was zijn grote doel.
Eerste missie naar Friesland In 716 verliet Winfried Engeland om een eerste missie-expeditie naar Friesland te ondernemen. Hij wilde de bewoners bekeren tot het christendom door in hun eigen taal tot hen te prediken. Zijn eigen Oudengels of Angelsaksisch was immers verwant aan het Oudfries. Deze eerste zendingsreis werd echter een mislukking door de politieke omstandigheden: onder leiding van koning Radboud konden de Friezen in deze korte periode profiteren van de Frankische Burgeroorlog, die uitbrak na de dood van Pepijn van Herstal. Zij brachten de Franken, die onder leiding stonden van de latere hofmeier Karel Martel, in samenwerking met de Neustriërs een nederlaag toe in de Slag bij Keulen. Juist de Frankische steun was cruciaal bij de kerstening. Winfried was als gevolg van deze gebeurtenissen genoodzaakt huiswaarts te keren.
Missie en kerkelijke hervorming onder de Germanen In 718 reisde hij eerst met aanbevelingsbrieven van de bisschop van Winchester naar Rome, om goedkeuring te verzoeken aan paus Gregorius II. De paus verleende hem als 'missionaris der Germanen' het recht om onder de Germanen ten oosten van de Rijn te bekeren tot het christendom en gaf Winfried een nieuwe naam: Bonifatius (met een goed lot), de naam van de heilige van de vorige dag, Bonifatius van Tarsus.
Na de dood van Radboud in 719 kon Karel Martel de Friezen terugdringen en kon bisschop Willibrord zijn missioneringswerk voortzetten. Bonifatius assisteerde hem hierbij vanuit zijn bases Antwerpen en Utrecht. Willibrord wilde hem aanwijzen als opvolger van de bisschopszetel, maar Bonifatius gaf de voorkeur aan het missioneringswerk en weigerde. Hierop ging hij in 722 voor de tweede maal naar Rome, waar de paus hem benoemde tot bisschop-missionaris van de Germaanse gebieden om deze zo onder het gezag te brengen van de kerk van Rome. Bonifatius reisde naar koning Liutprand van de Longobarden en werkte vijf jaar in Hessen, Thüringen en Friesland. In Beieren en Thüringen hadden 'geestelijken en priesters anderen verontreinigd met hoererij.'Otten, D., Hoe God verscheen in Friesland, p. 97 Met de slechte leraren waren de Ieren bedoeld, die daar vanuit Würzburg hun werk hadden ontplooid. De Thüringers dienden niet van het heidendom terug te keren, maar van het Ierse christendom. Al voor het einde van de 6e eeuw waren Ieren vanuit Schotland het vasteland in getrokken om open kloosters te vestigen. Zij brachten kennis naar het vasteland van Europa. Ludwig BielerIrland, Wegbereiter des Mittelalters, 1961 noemt de invloed van de Ieren op de cultuur van het vasteland 'een van de belangrijkste geesteswetenschappelijke verschijnselen uit de vroege Middeleeuwen'.Moerland, B., (1992), Montségur, Mirananda, Den Haag, pp 134,138,140
Omhakken van de heilige boom Donareik thumb|Bonifatius laat volgens deze voorstelling de eik omhakken - schilderij uit 1737 Om de overmacht van christenen en het Frankische gezag te bewijzen, hakte Bonifatius volgens Willibalds hagiografie in 723 de heilige Donareik om. Deze stond in Geismar nabij Fritzlar op de grens van het gedeeltelijk christelijke Hessen en het grotendeels niet-christelijke Nedersaksen, niet ver van de Frankische vesting Büraburg. Toen er geen wraak volgde van de vereerde goden, namen veel van de Germanen het christelijk geloof aan. Het omhakken van de eik wordt door velen beschouwd als het begin van de kerstening onder de Noord- en Middelduitse Germanen.
Van het hout bouwde Bonifatius een kapel, gewijd aan St. Petrus; deze kapel werd de bakermat van het latere klooster in Fritzlar. Later vestigde hij daar het eerste bisdom in de Germaanse landen ten noorden van de oude Romeinse rijksgrens (limes). Tot 732 werkte Bonifatius in Hessen en Thüringen.
Bisdommen en synoden In 732 benoemde paus Gregorius III Bonifatius tot aartsbisschop - zij het in eerste instantie zonder zetel - en tot pauselijk vicaris voor het oostelijke deel van het rijk der Franken. Bovendien verleende hij hem toestemming om bisdommen te gaan stichten. Tot aan 736 werkte hij in Beieren, waar hij de Kerk reorganiseerde, onder andere door het stichten van bisdommen in Regensburg, Passau, Salzburg en Freising.
Van 736 tot aan 753 bleef Bonifatius voornamelijk als kerkhervormer aan het werk in het Frankische rijk aan beide zijden van de Rijn. Zo organiseerde hij de grote Austrasische synoden van 742, het Concilium Germanicum (plaats onbekend), in 743 het Concilie van Leptines bij Estinnes en de Neustrische synode van 744, het Concilie van Soissons.
In 744 liet hij Sturmius de abdij van Fulda stichten. Dit groeide uit tot een plaats van Europese betekenis. In 745 werd hij aartsbisschop-metropoliet met zetel te Mainz.
Frankische expansie Bonifatius genoot vanaf 723 de steun van de christelijke Frankische koningen. Die streefden ernaar de niet-christelijke Saksen te onderwerpen en de Saksische gebieden binnen hun groeiende rijk te brengen. Bonifatius verzekerde zich van de steun van zowel de paus als van de hertog van Beieren. Hij benoemde uitsluitend eigen volgelingen als bisschop.
Ondanks zijn rigoureuze handelen zocht Bonifatius aansluiting bij de denkwereld van de Germanen door de lokale, traditionele feestdagen een christelijk equivalent te geven. Een groter probleem was echter dat het Ierse christendom, dat wezenlijk afweek van het Romeinse christendom, al enige voet aan de grond had gekregen in de Germaanse gebieden. Daarnaast waren veel bisschopszetels in handen van leken, edelen die zelfs bisschopsdynastieën hadden gevestigd. De Frankische edellieden zagen niet graag dat Bonifatius het primaat van Rome oplegde aan bisdommen die al sinds eeuwen in handen van de adel waren; zij hadden problemen met het celibaat en het verbod op de jacht. Bonifatius toonde zich een voorvechter van de rooms-katholieke traditie en keerde zich tegen het -in zijn ogen- halfslachtige en corrupte christendom van de Franken. Hij hield niet van de levensstijl van de bisschoppen en priesters van de Frankische kerk: hun zucht naar luxe en genot, het gehuwde priesterschap en het benoemen van (geest-)verwanten op belangrijke posities.Otten, D., Hoe God verscheen in Friesland, pp 99, 101 Maar vooral, Bonifatius zag het liefst de kerk binnen de directe jurisdictie van Rome.
Om hier verandering in aan te brengen had hij de hulp nodig van Karel Martel, maar die hield zich bezig met Arabische en Langobardische invallers. Nadat Karel Martel in 741 overleed, kwamen zijn zonen Pepijn en Carloman aan de macht als hofmeier. Beiden waren opgegroeid in een klooster en meer bereid om Bonifatius te steunen in zijn hervormingen. In 742 hield Carloman de concilium Germanicum, waarbij Bonifatius aangesteld werd als hoofd van de Austrasische Kerk, aartsbisschop en gezant van Petrus. Deze periode vormde een hoogtepunt in zijn leven.
Het was mogelijk Bonifatius die in 751 Pepijn de Korte tot koning zalfde. Zijn invloed nam echter aan het einde van zijn leven af. Ondanks de steun van de paus werd hij niet de bisschop van Keulen. In 753 was de bisschopszetel van Utrecht een twistappel tussen Bonifatius en de bisschop van Keulen geworden. In een brief aan paus Stephanus II legde Bonifatius uit dat Keulen Utrecht als suffragaanbisdom van Keulen beschouwde op grond van een schenking door de vroegere (antiquus) koning Dagobert I, Merovingisch koning tussen 623 en 639.C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, blz. 63-65Monumenta Germaniae Historica, Epistolae Merowingici et Karolini Aevi, Berlijn 1892, pagina 395/396; ook digitaal raadpleegbaar Keulen zou het Utrechtse castellum met het eerder genoemde kerkje in eigendom hebben gekregen, mits het de Friezen zou kerstenen. Bonifatius betoogde echter dat Keulen niets aan deze missionering had gedaan en de schenking dus vervallen was. Bonifatius toog vervolgens zelf naar de Friese Oostergouw om daar de bekeringen tot het christendom voort te zetten.
Laatste missie naar Friesland Bonifatius had nooit de hoop opgegeven om ook de Friezen te bekeren tot het christendom. Volgens Bonifatius' biograaf Willibald verlangde hij de martelaarsdood en zou hij al een linnen doek in zijn boekenkist hebben gelegd om er na zijn overlijden in te worden gehuld.Otten, D., Hoe God verscheen in Friesland, p. 100 Maar Bonifatius' belangrijkste motief om de lange reis naar Friesland te maken was het voorkomen dat een toekomstig bisdom Utrecht onder direct gezag van de Franken zou komen, in plaats van onder het gezag van Rome. Bisdom Utrecht moest niet onder een toekomstig aartsbisdom Keulen komen. Keulen, waar Bonifatius geen bisschop was geworden.Otten, D. (2014), Hoe God verscheen in Friesland, Deventer Universitaire Pers, p. 101