thumb|class=notpageimage|Een Nederlandse spreker Het Nederlands is een West-Germaanse taal, de meest gebruikte taal in Nederland en België, de officiële taal van Suriname en een van de drie officiële talen van België. Binnen het Koninkrijk der Nederlanden is het Nederlands ook een officiële taal van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Het Nederlands is na Engels en Duits de meest gesproken Germaanse taal.
In de Europese Unie spraken in 2019 ongeveer 24 miljoen mensen Nederlands als eerste taal, en een bijkomende acht miljoen als tweede taal. Het Nederlands is daarmee kwantitatief de achtste taal binnen de EU.Feiten en cijfers - Wat iedereen zou moeten weten over het Nederlands taalunieversum.org (2019) In het Caribische deel van het Nederlandse koninkrijk wordt Nederlands als een tweede of derde taal gesproken. De Franse Westhoek en de regio rondom de Duitse stad Kleef zijn van oudsher Nederlandstalige gebieden, waar Nederlandse dialecten mogelijk nog gesproken worden door de oudste generaties. Ook in de voormalige kolonie Indonesië kunnen in sommige gebieden de oudste generaties nog Nederlands spreken. Het aantal sprekers van het Nederlands in de Verenigde Staten, Canada en Australië wordt geschat op ruim een half miljoen.
Het Afrikaans, een van de officiële talen van Zuid-Afrika, is een dochtertaal van het Nederlands en beide talen zijn onderling verstaanbaar.
Geschiedenis
Oorsprong Wanneer precies het Nederlands is ontstaan als op zichzelf staande taal is onbekend. Het Nederlands in zijn vroegste bekende vorm is het weinig gedocumenteerde Oudnederlands (voor 1170), dat eerst overloopt in het Middelnederlands, ook wel Diets genoemd (1170-1500), en daarna in het Nieuwnederlands.
De Franken hebben als belangrijkste Germaanse stam na de Romeinse tijd in Nederland in de delta van Rijn, Maas en Schelde, veel sterker hun stempel gezet op de vorming van wat later de Nederlandse standaardtaal is geworden dan verwante West-Germaanse stammen als de Friezen en de Saksen, die respectievelijk in de kuststreken en oostelijk van de IJssel woonden.
De scheiding tussen de continentale varianten en de kustvarianten van het West-Germaans liep vóór de 5e eeuw dwars door wat nu Nederland en Noordwest-Duitsland heet. De kusttaal (in de wetenschappelijke literatuur vanouds Ingveoons genoemd) verspreidde zich aan de hand van Ingveoonse klankverschuivingen in afnemende mate in zuidoostelijke richting. De Friese en Saksische dialecten hebben op het vasteland het meest onder invloed ervan gestaan. In aanzienlijk mindere mate hebben ook het West-Vlaams en het Hollands Noordzeegermaanse kenmerken.
Oudnederlands thumb|Talenkaart 8e eeuw
Door de opeenvolgende Hoogduitse klankverschuivingen ontwikkelde zich tussen de 4e en de 9e eeuw in het continentale West-Germaans een verwijdering tussen het zogenaamde Nederfrankisch en Nedersaksisch aan de ene zijde en het Middelduits en Opperduits aan de andere zijde. Het Nederfrankisch zou uiteindelijk de basis worden van wat nu Nederlands is, terwijl het huidige Duits zijn basis vooral in het Opperduits heeft.Guy Janssens, Ann Marynissen: Het Neederlands vroeger en nu, via Google Books Deze scheiding verdiepte zich niet alleen, maar schoof ook geografisch naar het noorden op.
Middelnederlands
Het Frankisch ontwikkelde zich vanaf de vroege middeleeuwen in het huidige Nederlandstalige gebied tot het Oudnederlands. Het Oudnederlands, dat wil zeggen de groep Nederfrankische dialecten zoals die van de 6e tot het midden van de 12e eeuw werden gesproken, was de voorloper van het Middelnederlands. De spelling van het Middelnederlands volgde de spreektaal, die per streek sterk kon verschillen. Dit was aanvankelijk niet zo belangrijk toen er nog weinig in de volkstaal op schrift werd gesteld en de meeste mensen, buiten de hogere geestelijke stand, ook analfabeet waren en er dus niet veel gelezen werd.
Tot het einde van de twaalfde eeuw werden alle belangrijke geschriften en officiële documenten in het Latijn geschreven, wat de lingua franca van de Europese elite was. Uit die periode dateren echter ook de eerste Nederlandstalige stukken. Dat blijkt uit afschriften uit 1237 van legislatieve teksten uit Gent in het Nederlands van 1178, 1204-1211 en 1218. Dat zijn vertalingen van inhoudelijk identieke teksten in het Latijn. De statuten van de leprozerie van Gent zijn de oudste, in het origineel overgeleverde niet-literaire teksten in het Middelnederlands. Het handschrift dateert van 1236. De beroemde schepenbrief van Bochoute uit 1249 is de vroegste in het Nederlands opgestelde notariële akte. Hiervan heeft ook nooit een Latijns equivalent of voorbeeld bestaan. Vanaf 1262 worden in Brugge praktisch alle ambtelijke bescheiden uitsluitend in de landstaal opgesteld. Dit voorbeeld wordt dan in de loop van de eeuw nagevolgd door andere steden in Vlaanderen, Brabant, Holland en Zeeland. De grafelijke kanselarij van Holland en Zeeland blijft tot even na 1280 de meeste stukken in het Latijn opstellen. Vanaf 1285 zijn echter ook binnen die kanselarij de in het Latijn opgestelde stukken duidelijk in de minderheid. Nog een decennium later wordt alleen nog voor buitenlandse geadresseerden Latijn of Frans gehanteerd.
In de 16e eeuw, toen de geletterdheid onder de 'gewone' bevolking sterk steeg en daardoor ook het Nederlands steeds belangrijker werd als schrijftaal, werden verschillende pogingen ondernomen een eenduidige spelling te realiseren. Uiteindelijk gaf de Staten-Generaal opdracht om de Bijbel vanuit de grondtekst te vertalen. Dit resulteerde in 1637 in een vertaling die bekend werd als de Statenvertaling. Voor deze vertaling werd een gulden middenweg gezocht tussen alle bestaande streektalen van het Nederlandse taalgebied. Basis vormen de Frankische dialecten van de gewesten Holland en Brabant. Saksische elementen zijn vooral de werkwoordsvormen op -acht (bracht, gebracht; dacht, gedacht) en het wederkerend voornaamwoord zich. De derde grote taal/dialectgroep in de Lage Landen, het Fries, heeft bij de ontwikkeling van het Standaardnederlands vrijwel geen rol gespeeld. De vertalers hebben met de Statenbijbel vele woorden en uitdrukkingen (neologismen) geschapen die ook vandaag de dag nog worden gebruikt. Er zijn tot op heden enkele kerkgenootschappen die deze vertaling nog altijd in hun kerkdiensten gebruiken.
Nieuwnederlands
thumb|Heruitgave van de Statenvertaling uit 1921. Pas in de 16e eeuw begonnen de vele regionale talen in de gebieden waar nu Nederlands wordt gesproken aan hun ontwikkeling tot één standaardtaal. Tot dan toe kende elke regio haar eigen geschreven vorm(en) en daarin weken die in het zuidoosten (Limburg) en noordoosten (van Groningen tot de Achterhoek) het meest af. Zij vertoonden invloeden van de talen van het Hanzegebied en Münsterland en zouden later nauwelijks deelnemen aan de vorming van een algemene Nederlandse standaardtaal. Het economisch en bestuurlijk zwaartepunt in Brabant, Vlaanderen en Holland, met rond de 85% van alle Nederlandstalige inwoners van de Nederlanden, weerspiegelde zich ook in de dominantie van de geschreven varianten uit die gewesten.De Bourgondische Nederlanden, W. Blockmans & W. Prevenier, 1983, pagina 392–393. Deze schrijftalen waren academisch, omdat ze vooral op de kanselarijen van vorsten, kloosters en steden en nauwelijks door de ongeletterde bevolking werden gebruikt.
Rond 1500 kwam er een streven op gang om een algemene schrijftaal te ontwikkelen die in ruimere gebieden bruikbaar kon zijn door verschillende regionale elementen in zich te verenigen. Dat was ook een behoefte vanuit de centralisering van het bestuur onder het Bourgondische hertogschap dat zijn gezag vanuit Brussel over de gehele Nederlanden wilde uitbreiden, een streven waarin keizer Karel V ten slotte ook zou slagen. In de Reformatie waren het vooral de Bijbelvertalingen en religieuze traktaten waarmee een brede verspreiding werd beoogd, en die daarom doelbewust in een algemene schrijftaal werden gesteld. Voorlopig bleef het bij pogingen waarin elke auteur zijn eigen streektaal het meeste gewicht gaf.
Als benaming voor het Nederlands gelden gedurende de Middeleeuwen vooral varianten van Diets/Duuts, het woord Nederlands wordt in 1482 voor het eerst aangetroffen. In de tweede helft van de 16e eeuw komt hier, als synoniem, het woord Nederduytsch bij. Het betreft hier een samenvoeging van Nederlands/Nederlanden en Diets/Duuts (nadat de uu-klank in het Nieuwnederlands naar een ui-klank omboog) en vindt haar oorsprong bij de Rederijkers. Na 1750 neemt het gebruik van Nederduytsch gestaag af, met een duidelijke versnelling na 1815. Met uitzondering van de periode tussen 1651 en 1700 is Nederlands vanaf 1550 de populairste benaming voor de Nederlandse taal.M. Janssen: Atlas van de Nederlandse taal: Editie Vlaanderen, Lannoo Meulenhoff, 2018, pagina 29.W. de Vreese: Over de benaming onzer taal inzonderheid over "Nederlandsch", 1910, pagina 16-27.G.A.R. de Smet, Die Bezeichnungen der niederländischen Sprache im Laufe ihrer Geschichte; in: Rheinische Vierteljahrsblätter 37 (1973), pagina 315-327.
De gesproken taal van de hogere standen ging zich pas langzamerhand naar deze nieuwe standaardtaal richten, althans in de noordelijke Nederlanden en het eerst in Holland. Hiermee vond de scheiding in ontwikkeling plaats tussen het Nederlands in Nederland, waar men de standaardtaal ook ging spreken, en Vlaanderen, waar de hogere standen op het Frans overgingen. De gesproken taal van de lagere standen bleef een gewestelijke of een stedelijke variant totdat de bevolking onder de leerplicht het Nederlands als schrijftaal werd geleerd en zij na enkele generaties die taal ook kon gaan spreken. Hoe langzaam dit proces moest verlopen, mag blijken uit de analfabetencijfers, tevens indicaties voor schoolbezoek, die rond 1800 in de noordelijke Nederlanden nog een derde en in Vlaanderen twee derden van de volwassen bevolking omvatten.
Om de geschreven Nederlandse standaardtaal tot een dagelijkse omgangstaal te maken, moest, met de school als basis, uitbreiding ontstaan van de taalgebruikfuncties. Een doorslaggevende rol speelden daarin de nationaal georganiseerde massamedia en de bovenregionale communicatie ten gevolge van een sterk toenemende bevolkingsmobiliteit. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd het "ABN" voor de meerderheid van de Nederlandse bevolking de gebruikelijke omgangstaal.
Classificatie en positie
Nederlands is een West-Germaanse taal en is daarmee nauw verwant aan onder meer het Engels en het Duits. Het deel van het West-Germaans op het Europese vasteland wordt ook wel Continentaal-West-Germaans genoemd, waaronder het (niet meer gestandaardiseerde) Nederduits/Nedersaksisch, Duits, Limburgs, Luxemburgs, Jiddisch en het Nederlands vallen. Op zijn beurt vormen de West-Germaanse talen samen met de Noord-Germaanse talen (en de uitgestorven Oost-Germaanse talen) de Germaanse talen, die een van de hoofdtakken zijn van de Indo-Europese talen.
Schema Indo-Europees Germaans West-Germaans Nederfrankisch Nederlands (Afrikaans, Nederlands-gebaseerde creoolse talen)
Algemene kenmerken Fonetiek/fonologie
Het Standaardnederlands kent ongeveer veertig fonemen.Dit gedeelte, of een eerdere versie daarvan waarnaar doorverwezen wordt, is afkomstig uit het Spellingbesluit dat is ontleend aan de website van de Nederlandse Overheid
In fonologisch opzicht wordt het specifieke karakter van het Nederlands bepaald door een Nederfrankische grondslag (de begrippen Oudnederlands en Oudnederfrankisch worden vaak door elkaar heen gebruikt). In de Nederfrankische talen hebben een aantal klankverschuivingen die het Hoogduits (Middelfrankisch) wel heeft gekend niet plaatsgevonden, met name de tweede Germaanse klankverschuiving.
Zowel het Nederlands, Nedersaksisch als het Nederduits hebben daarnaast invloeden van de Noordzeegermaanse (Ingveoonse) taalgroep ondergaan.
Woordvolgorde