thumb|250px|Zeno van Citium, de grondlegger van de Stoa De Stoa of het Stoïcisme is een filosofische stroming die rond 300 v.Chr. in Athene werd opgericht door Zeno van Citium, en behoort tot de hellenistische filosofieën.

De Stoa heeft grote populariteit verworven, vooral binnen het Romeinse Rijk, en ontwikkelde zich door de tijd heen in verschillende fases: de Oude Stoa, de Midden-Stoa, en de Jonge Stoa. Gedurende deze ontwikkeling verschoof de aandacht van de vroegere nadruk op fysica en logica naar een sterkere focus op ethiek en praktische levensfilosofie. Dit komt enerzijds doordat van Seneca, Epictetus en Marcus Aurelius, volledige werken zijn overgeleverd, terwijl ons van de eersten slechts fragmenten resten.

De kerngedachte van de Stoa is dat ware vervulling (eudaimonia) wordt bereikt door in overeenstemming met de natuur te leven, wat neerkomt op het leiden van een deugdzaam leven. Deugd, of aretê, is de belichaming van morele uitmuntendheid en wordt beschouwd als het enige ware goed in het leven. Het verwezenlijken van de deugd hangt volledig af van de zaken die binnen onze controle liggen: onze meningen, oordelen en handelingen. Dit zijn uitingen van ons rationele vermogen, dat we moeten gebruiken om onze keuzes en daden af te stemmen op wat juist is volgens de rede. De rest, zoals de meningen van anderen, rijkdom of tegenspoed, wordt beschouwd als dat wat volledig buiten onze invloed valt, en dit alles dienen we met gelijkmoedigheid tegemoet te treden.

Doel Het woord stoa betekent 'zuilengang' en staat voor de stoa poikilè (beschilderde zuilengang). Dat was een zuilengang aan de noordkant van de Agora van Athene, alwaar de stichter van de Stoa, Zeno van Citium (Cyprus, 334-264 v.Chr.) zijn onderwijs gaf.

De Stoïcijnse filosofie presenteert zichzelf als de aangewezen weg om de mens gelukkig te maken. Alles wat gebeurt in de wereld is volgens de Stoa van tevoren onverbiddelijk bepaald, maar de vrijheid en autonomie van de mens zit hem erin dat hij vrij is in zijn oordeel hierover. Dit oordeel is bepalend voor het menselijk geluk. Inzicht in de noodzakelijkheid van alles, inzicht dat dit zo goed is, enerzijds; anderzijds het inzicht dat hetgeen men gewoonlijk als persoonlijke rampen ziet, ons niet echt raakt, als we maar goed onderscheiden wat er echt aan de hand is.

Er zit evenwel ook een moreel aspect aan vast. Een Stoïcijn wordt geacht ook zijn sociale plichten te vervullen. Dit wordt gezien als een natuurlijk bestanddeel van het leven in de menselijke gemeenschap. Want ook het leven in overeenstemming met de natuur wordt als doel geformuleerd door de Stoa.

Indeling van de filosofie De Stoïcijnen deelden de filosofie als volgt in: logica (incl. retorica en taalkunde/grammatica), natuurfilosofie en ethiek. Maar de Stoïcijnse filosofie is dermate een eenheid, dat de onderdelen vaak niet goed uit elkaar te houden zijn. Bovendien dekt hun terminologie de onze niet, daarom is in het onderstaande voor een andere behandeling gekozen.

Algemene uitgangspunten De oude Stoa, waarvan de twee belangrijkste figuren Zeno en Chrysippus (± 277 - ± 206 v.Chr.) zijn, kenmerkt zich door een compromisloosheid, die niet terugdeinst voor op het eerste gezicht vreemd aandoende consequenties. De ideale mens wordt binnen de Stoa altijd uitgebeeld door de Stoïcijnse wijze, op wie alle volmaaktheid geprojecteerd wordt, en die voor iedereen een doel moet zijn. En iedereen die niet wijs is, is dwaas. Alles is materie (stoffelijk), ook bijvoorbeeld onze ziel, God, maar ook zaken als wijsheid of rechtvaardigheid. De Stoa kent een uitzonderlijk hecht doortimmerd wereldbeeld, dat moet dienen als houvast voor haar aanhangers. De Stoa is gericht op processen. Dit komt het duidelijkst naar voren in de Stoïcijnse logica (zie beneden), maar blijkt ook uit het ontbreken van een blijvende Idee of Vorm (Plato, resp. Aristoteles) in hun wereldbeeld.

Kennisleer De term tabula rasa, en het beeld van de ziel als het onbeschreven wasplankje, zijn afkomstig van Zeno's voorstelling van ons kenproces. Middels de zintuigen komen indrukken tot ons, die via het pneuma in ons worden doorgegeven aan de ziel, alwaar een afdruk wordt achtergelaten (de ziel is stoffelijk). Aanvankelijk is de ziel een onbeschreven blad.

De voorstelling (Gr: phantasia) die zo in de ziel gewekt wordt, wordt door ons beoordeeld, en pas wanneer geoordeeld wordt dat deze voorstelling het oorspronkelijke object correct weergeeft, wordt deze geaccepteerd. Dit gebeurt met voorstellingen die zich onderscheiden van andere door hun grotere helderheid. Pas na dit positieve oordeel neemt de ziel echt het object waar en hebben we contact met de realiteit, en niet langer met voorstellingen.

Het zal geen verwondering wekken, dat de aanname dat wij in staat zijn correct te oordelen over de betrouwbaarheid van de voorstellingen, tot veel discussie heeft geleid met tegenstanders van de Stoa, met name de sceptici.

Het hele kenproces is een vloeiend proces, dat schematisch als volgt door Zeno werd weergegeven: hij vergeleek het met een opengevouwen hand, waarin iets (een waarneming) terechtkomt. Onwillekeurig kromt zich dan onze hand. Dan volgt een kort moment van opschorting van oordeel (epoche), waarna we ervoor kunnen kiezen onze vingers te sluiten (de instemming met de waarneming), en vervolgens de andere hand er nog eens omheen te leggen (het begrepene wordt tot vaste kennis).

Iedere mens is hiertoe in staat, maar alleen de Stoïcijnse wijze vergist zich hierbij nooit. Verder geldt dat zo'n geïsoleerd correct oordeel nog niets is; op grond van deze voorstellingen, die vastgehouden worden, kunnen we verder algemene begrippen vormen, en het geheel van deze oordelen brengt wetenschap tot stand.

Logica thumb|210px|Chrysippus

Zeer lange tijd heeft de logica van Aristoteles als de enige logica uit de oudheid gegolden. Pas in de 20e eeuw1935, Jan Lukasiewicz: Zur Geschichte der Aussagenlogik is ontdekt wat de werkelijke betekenis van de logica van de Stoïcijnen was, en hoe die verschilde van die van Aristoteles.

Aristoteles wilde begrippen in een vaststaand systeem onderbrengen, met hiërarchische onderverdelingen van genus en species, een systeem dat een weerspiegeling van het blijvende (en dus wezenlijke) in onze wereld moest zijn. De Stoïcijnen gingen veel meer uit van het hier en nu, en poogden via observatie van processen juist datgene wat gebeurt weer te geven. Een uitspraak binnen de logica als: Socrates is een mens is aristotelisch, een uitspraak als: Of Socrates is dood, of hij leeft is Stoïcijns.

De logica der Stoïcijnen houdt zich bezig met lekta. Wanneer wij in aanwezigheid van een Fin het Nederlandse woord fiets uitspreken, is er de luchtverplaatsing teweeggebracht door onze articulatie (gelijk voor de Fin en de Nederlander), en er is het object waarnaar wij verwijzen (gelijk voor beiden), maar er is nog een derde element, dat het duidelijkst wordt door te zeggen dat er voor de Nederlander nog iets meer bestaat dan voor de Fin: al kent ook de Fin het fenomeen fiets, voor hem zal de klank fiets niet oproepen wat het voor de Nederlander wel doet.De vergelijking met het Franse structuralisme ligt voor de hand: le signifiant werd door de Stoïcijnen to sèmainon genoemd, le signifié to sèmainomenon, het lekton. Aan dit verschil tussen het Nederlands en het Fins v.w.b. het woord voor fiets ligt dan impliciet Ferdinand de Saussures arbitraire du signe ten gronde: het woord op zichzelf zegt niets over wat het betekent. Verder berust het begrijpen van de wereld op de interpretatie van de tekenen (signes) die ons worden getoond. Dit nu is het lekton, dat niet-lichamelijk is, en behoort tot het domein der vrijheid (dat wil zeggen is niet door het Fatum bepaald).Sextus Empiricus: Adversus Mathematicos: VIII, 11-12. (= SVF II 166. Vgl. Seneca Ep. 117, 13.) Met deze lekta houdt de Stoïcijnse logica zich bezig. Er zijn incomplete lekta (een los subject, of los predicaat), en complete lekta, die een propositie vormen die waar of niet-waar is.

Chrysippus kwam tot 5 axiomatische vormen van redeneringen, die verder geen bewijs behoefden. Tot een van deze vijf moesten alle andere uitspraken kunnen worden teruggebracht:

Als A, dan B; A, dus [ook] B. Als A, dan B; niet B; dus niet A. Niet zowel A als B; A; dus niet B. Of A of B; A; dus niet B. Of A of B; niet A; dus B.

Taalkunde/Grammatica Studie van de taal kan men zien als een bestudering van het middel waarmee ons denken voor anderen zichtbaar wordt. Naast de wetten van het denken moesten dus ook de wetten van de taal bestudeerd worden.

Zeno is de grondlegger van het traditionele systeem van verbuigingen en vervoegingen, en van de indelingen van werkwoords-aspect en -tijden. De grammatica van het Oudgrieks zoals die onderwezen wordt, gebruikt benamingen gegeven door Zeno (bijvoorbeeld aoristus). Zijn terminologie is overgenomen en vertaald door de Romeinen (bijvoorbeeld dativus, perfectum), en via hen heeft deze haar weg gevonden naar de moderne westerse talen.

Psychologie Wat is een emotie? Een emotie verklaren door te zeggen dat deze ontstaat in een irrationeel deel van de ziel, is voor Chrysippus geen verklaring. Een emotie komt volgens hem tot stand als gevolg van een onjuist oordeel. Als iemand ons slaat, kan dat fysiek pijn doen, maar de emotie verdriet hierover ontstaat pas, wanneer we denken dat het ontvangen van een klap iets slechts is. Dit valt af te keuren, het is niet rationeel. Maar ook een plotselinge blijdschap als gevolg van het vinden van een goudstuk is afkeurenswaardig; het is immers evenzeer een gevolg van een verkeerd oordeel, want het hebben van een goudstuk is op zich niet iets goeds.

De uiteindelijke balans van deze houding zal positief zijn; het resultaat is namelijk een hoogstaande sereniteit, die niet verstoord wordt door gebeurtenissen. Men staat boven de gebeurtenissen. Veelal wordt deze afwezigheid van het geluksgevoel door bedreigende factoren gezien als erg mager, maar dat houdt verband met de waarde die wij tegenwoordig (sinds de romantiek) toekennen aan emoties, en dus het niet-uitleven hiervan als een gebrek in een mensenleven ervaren.

Wat betreft zaken als gezondheid: ook hiervan vond de oude Stoa dat ze 'indifferent' zijn, dat wil zeggen: niet bijdragen tot ons geluk (of ongeluk). De Midden-Stoa en jonge Stoa zullen dit standpunt over het algemeen niet overnemen, en van mening zijn dat, alhoewel niet wezenlijk, gezondheid toch te prefereren is boven haar tegendeel.

Metafysica Alleen het lichamelijke bestaat. Immers, alleen hetgeen actie kan uitoefenen, of invloed kan ondergaan, bestaat. Daarom is de ziel een lichaam (de ziel ondergaat invloed van hetgeen het lichaam overkomt, en beïnvloedt andersom het lichaam), en zo is ook woede een lichaam. Doordat de Stoïcijnen de ziel als lichamelijk zien, bestaat voor hen het problematische van de verhouding ziel-lichaam, niet.

Binnen het zijnde onderkenden de Stoïcijnen vier categorieën: Substantie (hupokeimenon) Eigenschap (poion) (gekwalificeerd zijn) In een bepaalde toestand verkeren (pōs echon) In relatie tot iets anders staan (pros ti pōs echon)

De pure substantie heeft geen enkele eigenschap. Pas wanneer er een eigenschap bij komt kan men spreken van een individueel gedifferentieerd iets (is dus te vergelijken met Aristoteles' materie en vorm). Voorbeeld van het derde is Chrysippus' omvorming van Zeno's conceptie van de ziel als wasplankje: volgens hem was waarneming niet anders dan een substraat (in casu het rationele deel van de ziel) dat een verandering ondergaat, te weten in de toestand verkeert van waarnemen. Dit wordt, kenmerkend, zeer ver doorgevoerd; als de ziel denkt, is dat een bepaalde toestand, als het zich iets herinnert is dat weer een andere toestand, etc. Een voorbeeld van de vierde categorie zijn op elkaar betrokken begrippen als vader-zoon, rechts-links.