Het Noordlaarderbos is een bos en natuurgebied in de Nederlandse provincie Groningen. Het is sinds de jaren 1930 voor een groot deel eigendom van de Vereniging Natuurmonumenten. Met een oppervlakte van 120 hectare behoort het tot de grootste bossen van de provincie. Alleen in het Lauwersmeergebied liggen nog grotere bosgebieden; het Ballastplaatbos (186 hectare) en het Marnebos (130 hectare). Het bos vormt onderdeel van het Nationaal Landschap Drentsche Aa, het Nationaal Natuur Netwerk (ecologische hoofdstructuur) en Geopark de Hondsrug.
Het bos is met name in de weekenden populair bij recreanten om te wandelen. Natuurmonumenten heeft meerdere wandelroutes uitgezet door het bos. De belangrijkste toegang tot het bos bevindt zich aan de Pollseweg, waar ook parkeergelegenheid is.
Algemeen thumb|Duinweg langs het Noordlaarderbos
Het bos heeft een oppervlakte van ongeveer 120 hectare, waarvan ongeveer 113 hectare in handen is van Natuurmonumenten. Het ligt op een hoogte tussen 2 meter en 9 meter NAP, met verschillende heuvels en dalen. Het hoogste punt ligt in het zuiden van het bos: een zandduin achter de jachthut aan de provinciegrens.
Rondom het bos liggen met eiken of boomwallen omzoomde zandpaden, zoals de Duinweg en de Beslotenveenseweg. Het bos zelf wordt doorsneden door drie hoofdlanen: De Pollse weg in het noorden, de Keizerslaan in het midden (tegenover natuurvriendenhuis De Hondsrug) en de Van Swinderenlaan (ruiterpad, tegenover Duinweg 14, vroeger Middenlaan geheten) in het zuiden. Verder wordt het bos doorsneden door een groot aantal bos- en zandpaden. De kaarsrechte (Kerk)Duinweg aan oostzijde van het bos dateert van rond 1872 toen deze van haar kromme bochten werd ontdaan.Deze weg volgde vroeger de grenzen van de percelen op de Noordlaarder Es die eindigden op de plek waar de gronden natter werden.
In het zuidwestelijk deel van het bos ligt een vijver die ooit door studenten en de familie van Swinderen werd uitgegraven in de vorm van een schip om eens te ervaren hoe het is om graafwerk te verrichten met de schop. Natuurmonumenten heeft de vijver later vergraven in de vorm van een fles.
Natuurmonumenten bezit ten zuiden van het bos nog een drietal gebieden: Het Landje van Malle Marie (ongeveer 21 hectare bloemrijk grasland), een oude schietbaan en het heidegebied Vijftig Bunder ten zuiden daarvan. De totale grootte bedraagt 186 hectare. De zuidgrens van het Noordlaarderbos vormt de provinciegrens tussen Groningen en Drenthe. Het Land van Malle Marie en de vroegere schietbaan zijn natuurontwikkelingsgebieden. Op de delen die vroeger grasland waren, ontwikkelt zich een begroeiing met graslandplanten als margriet, biggenkruid, reigersbek en duizendblad. Op de delen die akker waren, komt vooral een begroeiing met pitrus en distels voor. De grond is hier nog erg voedselrijk. Na de herinrichting zal er een droge heide kunnen ontstaan, afgewisseld door wat grasachtige stukken en lage natte plekken.
Ten westen van het bos liggen de Westerlanden (onderdeel van het dal van de Drentsche Aa), ten oosten de Noordlaarder es en ten noorden het dal van de Besloten Venen (waarschijnlijk een vroegere verbinding tussen Drentsche Aa en Hunze). Delen van de Besloten Venen vormen onderdeel van het particuliere landgoed Blanckenborch.
Bij het bos behoren een tweetal gebouwen: De voormalige boswachterswoning uit 1936 met tuinhuis (voormalige jachthut) aan de Duinweg 6 in Midlaren en een voormalige ontginningsboerderij met stookhut, wagenberging en stal uit het einde van de 19e eeuw aan de Pollseweg 1 (gemeentelijk monument).
Flora thumb|Beukenbos met een onderbegroeiing van varens in het noordelijk deel van het bos thumb|Varens in het Noordlaarderbos
Het bos ontstond in de 19e eeuw als productiebos en heeft deze functie tot eind jaren 1970 behouden. Sinds de jaren 1980 wordt het bos echter omgevormd tot een gemengd bos (zie ook Natuurontwikkelingsvisie). In het bos werden vooral uitheemse douglassparren, hemlocksparren, grove dennen, Japanse lariksen, zilverdennen en zomereiken aangeplant. Voormalig boswachter Leen(dert) Brunsting (die ook het aanzien van De Braak sterk veranderde) heeft in dit bos veel geëxperimenteerd met diverse boomsoorten. Hij plantte niet alleen uitheemse sparren en eiken, maar ook beuk, esdoorn, haagbeuk, hazelaar, lijsterbes en vuilboom. Hierdoor is het een gevarieerd bos geworden. Onder de bomen kwamen spontaan nieuwe eiken en berken op, die in een deel van het bos nu domineren als berken-eikenbos. In 1991-1992 en 2006-2007 zijn veel uitheemse dennen gekapt. Enkele kleine delen van het bos bestaan nu nog uit naaldbos; een monocultuur van een enkele uitheemse naaldboomsoort. Daarnaast zijn er delen van het bos waar deze soorten gemengd zijn met andere dennen en loofboomsoorten. Beuken domineren in een klein stuk in het noordoosten van het bos.
In het bos liggen een tweetal permanente open plekken: Een schraal graslandje genaamd 'Hertenkamp' (voormalige wildakker) en een heideveldje bij het 'Heilig Bergje'. Daarnaast worden in het bos middels groepenkap stukken tijdelijk opengehouden om inheemse boomsoorten door verbossing een kans te geven en zo de biodiversiteit te vergroten. Op deze plekken worden op beperkte schaal ook inheemse loofboomsoorten als haagbeuk, hazelaar, linde en wintereik aangeplant om de natuur een handje te helpen. Natuurmonumenten wil afhankelijk van de snelheid waarmee zich weer bos ontwikkelt op de open plekken elke 8 à 10 jaar een soortgelijke ingreep doen in het bos zodat er altijd ongeveer 5 hectare tijdelijke open plekken zijn. In de jaren 1990 en 2000 zijn stukken bos gedund, maar dit leverde geen extra biodiversiteit op, waarop Natuurmonumenten besloot om hiermee te stoppen. Invasieve soorten als Amerikaanse vogelkers en reuzenbalsemien (aan de bosranden) worden door Natuurmonumenten bestreden.
Vaste planten en heesters in het bos zijn onder andere bochtige smele, bosanemoon, bosbes, bosviooltje, braam, rankende helmbloem en zevenster.
In het bos groeien een groot aantal mossoorten. Hieronder bevinden zich ook borale soorten als appelmos en klein schoffelmos. Ook telt het bos ruim 200 soorten paddenstoelen en groeien er veel soorten varens.
Fauna Vogels In het bos broeden gemiddeld ruim 40 vogelsoorten. De meest voorkomende zijn de boomklever, boomkruiper, fitis, gekraagde roodstaart, goudhaan, grote bonte specht , houtduif, koolmees, merel, pimpelmees, roodborst, tjiftjaf, vink, winterkoning, zanglijster en de zwartkop. Bijzondere soorten zijn de houtsnip, groene specht, grauwe vliegenvanger, koekoek, matkop, nachtegaal, wespendief, wielewaal en de zwarte specht. Soorten die broeden in het naaldbos zijn de goudhaan, kruisbek, kuifmees en de zwarte mees. Het aantal zwarte mezen lijkt te zijn teruggelopen door de kap van delen van het naaldbos in de afgelopen decennia, maar zeker is dit niet. Daarentegen neemt het aantal houtsnippen en boompiepers juist toe door het creëren van open plekken in het bos.
In het bos leven verder roofvogels als buizerd, wespendief, havik, sperwer. Er bevindt zich soms een roestplaats voor ransuilen en soms voor bosuilen.
Zoogdieren In het bos leven onder andere reeën, dassen en roofdieren als boommarter, bunzing, steenmarter, hermelijn, vos en wezel. Voor de reeën is het noordelijk deel van het bos aangewezen als rustgebied.
Geschiedenis Archeologie en aardkundige waarden Het Noordlaarderbos ligt op de Hondsrug, een megaflute die ontstond tijdens het Saalien, de voorlaatste ijstijd, toen ook de Hunze en de Drentsche Aa ontstonden.
In het Weichselien (laatste ijstijd) werd de Hondsrug met dekzand bedekt. Ten oosten van het huidige bos ligt nog een zandverstuiving (de Kerkduinen) die hieraan herinnert. Ten zuiden hiervan ligt een pingoruïne met bijbehorende ringwal. Ook in het bos zijn op hoogtekaarten enkele ronde structuren zichtbaar. Dit zijn waarschijnlijk ooit met veen gevulde laagten, die door de wind zijn uitgestoven. Een andere belangrijke ontwikkeling in deze tijd was waarschijnlijk het verleggen van de Drentsche Aa naar het westen, waardoor deze niet langer aansloot op de Hunze. De Besloten Venen ten noorden van het bos wordt gezien als een restant van de oude stroomgeul, die zich vervolgens opvulde met veen. Aan zuidzijde van het huidige bos ligt een kleine voormalige smeltwatergeul die eveneens uit deze tijd stamt.
In de Vijftig Bunder ten zuiden van het bos liggen een viertal grafheuvels die dateren van ongeveer 500 v. Chr. Ook liggen er een aantal raatakkers (omwalde akkertjes). In de loop der tijd verloren deze heuvels hun oorspronkelijke vorm als gevolg van gravende activiteiten van mens en dier. Begin 21e eeuw zijn ze hersteld.
Mogelijk al tegen het eind van de steentijd zou er een zandweg door het gebied gelegen kunnen hebben. In de middeleeuwen werd het gebruik van deze route intensiever: het was niet de hoofdroute van Coevorden naar Groningen, maar er liepen wel secundaire routes door het gebied. Tijdens natte perioden werd de bestaande veldweg vaak onbegaanbaar en maakte men nieuwe sporen parallel aan de oude. In de loop der tijd ontstond zo een breed uitwaaierend complex van karresporen. In droge tijden verwaaide het zand van de weg, waardoor stuifduinen ontstonden die tegenwoordig in belangrijke mate de ondergrond van het bos vormen. Uit het onderzoek uit de jaren 2010 bleek dat er vermoedelijk twee routes door het bos hebben gelopen: Een liep vanaf de Beslotenveenseweg en de Duinweg het bos in via het Heilig Bergje en een liep vanaf de Kampsteeg via de Kerkduinen door het zuidwestelijke deel van het bos. Beiden werden vervolgd naar het zuiden via de 50 Bunder.Schenk (2016), p. 25 De karresporen hebben een breedte van ongever 1,2 meter en houden mogelijk verband met wetgeving uit 1692 die het 'Hollandse Spoor' met een spoorbreedte van 1,28 meter verplicht stelde op herenwegen, maar in Drenthe de vrijheid liet om op nevensporen karren te gebruiken die hieraan niet voldeden.Schenk (2016), p. 28
Galgenbergje of Heilig Bergje thumb|Zijaanzicht van het Heilig Bergje
Langs deze vroegere route ligt midden in het tegenwoordige bos een langgerekte heuvel die ongeveer 3 meter boven het omringende gebied uitsteekt. Deze zandheuvel van 7,6 m +NAP en 10 bij 7 meter breed loopt aan noordzijde uit in een steil aflopend plateau. Het betreft waarschijnlijk een stuifduin die is ontstaan bij een zandverstuiving en vervolgens door mensenhanden is omgevormd tot een plateau. Er doen twee verhalen de ronde over de heuvel: Er zouden terechtstellingen plaatsgevonden hebben, waaraan de naam Galgenbergje ontleend is, maar ook zouden er preken gehouden zijn, waardoor hetzelfde bergje ook bekendstaat als Heilig Bergje. Het eerste verhaal wordt tegenwoordig in elk geval als niet erg aannemelijk gezien.Het verhaal over de galgenheuvel komt uit de Knapzakroute, die aangeeft dat de heuvel als zodanig werd aangeduid rond 1600. Dergelijke bronnen zijn echter niet bekend. Bron: Groenendijk, H.A., "Heilig Bergje Noordlaren en Urnengraf aan de Poorthofsweg in Haren", Historisch Jaarboek Groningen 2002. pp. 158-160. Er is ook wel verondersteld dat deze heuvel rond 1400 de plek was "waar men het vredeskruis placht te zetten"; ofwel de plek in de 'vrije mark' (het niemandsland tussen Noordlaren en Midlaren) waar de zuidgrens van het Gorecht zich bevond: Tot deze plek strekte zich de rechtspraak van het Gericht van Selwerd uit, die destijds door de bisschop van Utrecht aan de stad Groningen verpacht was.
Mogelijk werd de heuvel opgehoogd en verfraaid tot uitzichtpunt door Rudolf de Sitter, die tussen de markescheiding in 1848 en 1852 veel percelen in het midden van het huidige bos verwierf. De heuvel is begroeid met een rij dennen, die mogelijk in opdracht van hem zijn geplant, maar ook mogelijk in de jaren 1890 door de Geertsema's kunnen zijn geplant. In 2001 werd de heuvel aangewezen als het eerste gemeentelijk archeologisch monument van Groningen.
Late middeleeuwen