De periodisering van de Chinese geschiedenis gaat over de verschillende onderverdelingen van de geschiedenis van China die door historici worden toegepast om daarmee een periodisering, een ordening in het verloop van de geschiedenis te kunnen aanbrengen.
Interpretatie De geschiedenis van China kan vanuit verschillende gezichtspunten worden beschreven. Er worden in dit artikel vier stromingen beschreven: de Chinese historiografie, de westerse historiografie over China, de periodisering door Japanse historici en de marxistische periodisering.
Traditionele Chinese periodisering Geen lineaire chronologie De traditionele Chinese geschiedschrijving kende geen lineaire, doorlopende chronologie. De kalender werd per dynastie opnieuw vastgesteld. Jaren werden geteld per regeringsperiode of zelfs per gedeelte van een regeerperiode. Die kregen ieder een eigen naam: de 'jaartitel', nianhao, 年號. Als eerste jaar van de regeerperiode van een nieuwe heerser werd steeds het jaar beschouwd dat volgde op het laatste jaar van de voorafgaande heerser.
Dynastieke cycli De nadruk op regeerperiodes en de verplichting die elke dynastie zichzelf oplegde om een geschiedenis van de voorafgaande dynastie te schrijven, bevorderde de periodisering in dynastieën. De historische ontwikkeling van de dynastieën wordt in de traditionele Chinese geschiedschrijving beschreven volgens het vaste patroon van een steeds terugkerende dynastieke cyclus. De eerste keizer verkrijgt wegens zijn kwaliteiten het 'Hemels Mandaat' (tianming, 天命). Zijn opvolgers bezitten steeds minder kwaliteiten en de laatste keizer ten slotte wordt als gevolg van wanbestuur afgezet. Hij verliest het Hemels Mandaat, dat komt toe aan de eerste keizer van de nieuwe dynastie, die zo de nieuwe Zoon des Hemels wordt. Deze ontwikkelingsgang is voor het eerst beschreven onder de Zhou-dynastie, die daarmee hun machtsovername van de Shang-dynastie wilden rechtvaardigden.
Legitimiteit, eenheid en continuïteit In de traditionele Chinese historiografie spelen de Confucianistische idealen van eenheid en continuïteit een grote rol. Het gelijktijdig bestaan van legitieme keizers of van legitieme dynastieën is in deze visie niet mogelijk. Het Hemels Mandaat kon immers niet tegelijkertijd aan meer personen worden overgedragen. In de latere geschiedschrijving worden daarom dynastieën òf na elkaar geplaatst (Drie Verhevenen en Vijf Oerkeizers, Xia, Shang en Zhou) òf wordt slechts een van de gelijktijdig voorkomende dynastieën als legitiem erkend: Binnen de periode van de Drie Koninkrijken werd het koninkrijk Wei door de Jin-dynastie beschouwd als directe voorganger. Het Hemels Mandaat zou daarom via Wei overgedragen zijn van Han naar Jin. De beide andere staten, de koninkrijken Shu en Wu, werden als niet-legitiem beschouwd. De Jin-dynastie en de vier kortdurende zuidelijke dynastieën werden geplaatst tegenover de als niet-legitiem beschouwde zestien koninkrijken, die tussen 316 en 439 Noord-China beheersten. Tussen 907 en 960 staan de legitieme vijf dynastieën in het noorden tegenover de niet-legitieme dynastieën van de 'Tien Koninkrijken' in het zuiden. De discussie welke van de noordelijke dynastieën uiteindelijk tot legitieme opvolger van de Tang-dynastie werden verklaard, is te volgen in de 'Oude Geschiedenis van de Vijf Dynastieën' (Jiu Wudaishi), de onder de Song-dynastie samengestelde officiële dynastieke geschiedenis voor die periode. De legitieme Song-dynastie werd geplaatst tegenover de Jin, Westelijke Xia en Liao-dynastie, die als niet-legitiem worden gezien, maar wel de noordelijke helft van het traditioneel tot het rijk gerekend gebied beheersten. De Zuidelijke Ming beschouwden zichzelf tussen 1644 en 1683 als voortzetting van de Mingdynastie, maar werden door de Mantsjoes gezien als opstandelingen.
Binnen de periode van de Zuidelijke en Noordelijke Dynastieën vormden de Noordelijke Wei-dynastie (386-534) en de vier noordelijke opvolgers een uitzondering. Hoewel zij naast de legitieme zuidelijke dynastieën bestonden, werden ook de Noordelijke Dynastieën door de Sui-dynastie (581-618) als legitiem beschouwd. De eerste keizer van de Sui was zelf afkomstig uit het noorden. Wel bestond er onduidelijkheid via welke dynastieën de rechtmatige opvolging van Noordelijke Wei naar Sui had gelopen. In het 'Boek van de Wei' (Weishu), de officiële dynastieke geschiedenis van de Noordelijke Wei liep het Hemels Mandaat van de Noordelijke Wei via de Oostelijke Wei naar de Noordelijke Qi-dynastie. Daarentegen zagen de heersers van de Sui en Tang-dynastie niet de Noordelijke Qi, maar de Westelijke Wei en de Noordelijke Zhou als de rechtmatige opvolgers van de Noordelijke Wei. Net als Sui en Tang hadden ook zij Chang'an als hun hoofdstad.
Nadelen van een dynastieke periodisering De belangrijkste nadelen van een dynastieke periodisering zijn: Bij een dynastieke periodisering lijkt het dat er steeds sprake is van eenheid en van centraal gezag. Binnen de traditionele periodisering werd dan ook steeds gesproken over periodes van eenheid, afgewisseld door donkere periodes van verdeeldheid. Regionale of lokale situaties die die eenheid relativeren worden zo over het hoofd gezien. Dit geldt duidelijk voor bijvoorbeeld de Jin-dynastie, maar kan net zo goed worden toegepast op de Han of de Tang-dynastie. Tijdens de Oostelijke Han-dynastie was de feitelijke macht in handen van regionale grootgrondbezitters. Het centraal gezag van de Tang-dynastie over de provincies was na de opstand van An Lushan niet meer dan nominaal. De feitelijke macht lag vanaf dat moment in handen van regionale militaire commandanten. Door de dynastieke periodisering worden gebeurtenissen aan het hof te veel benadrukt en te sterk uitvergroot. Intriges of wisselingen van keizers en van dynastieën lijken daardoor gebeurtenissen te zijn geweest die diep ingrepen in de Chinese geschiedenis. Ontwikkelingen die niet parallel liepen met regeerperiodes van keizers of dynastieën, werden niet, of in het beste geval, slechts versnipperd beschreven. Hierbij gaat het vooral om sociale en economische, maar ook om culturele en technische ontwikkelingen. Zo wordt om sociaal-economische redenen de 8e eeuw beschouwd als de overgang naar de vroegmoderne tijd. Dit viel midden in de regeerperiode van de Tang-dynastie. Door steeds één dynastie als legitiem te erkennen werd beïnvloeding van geschiedenis en cultuur door andere regio's, volkeren en staten nauwelijks opgemerkt. Dit versterkte het sinocentrisme.
Periodisering door Westerse historici Toepassing dynastieke periodisering De dynastieke onderverdeling van de traditionele Chinese historiografie is ook in het westen het tot nu toe meest gebruikte systeem van periodisering van de Chinese geschiedenis. Soms worden dynastieën samengevoegd (Sui en Tang), of worden verduidelijkingen toegevoegd (bijvoorbeeld de Duitse sinoloog Herbert Franke (1914-2011): Ming: bloeiperiode van de Mandarijnen-maatschappij of Song: het bureaucratische China).
Oudheid, middeleeuwen en moderne tijd De in de Europese historiografie gangbare onderverdeling in oudheid, middeleeuwen en nieuwe tijd probeerde men ook toe te passen op de Chinese geschiedenis, meestal in combinatie met de dynastieke periodisering. Om verwarring te vermijden werd dan vaak het woord Chinees toegevoegd. Dit gold voor Chinese oudheid, maar vooral voor het begrip Chinese middeleeuwen. Westerse historici meenden in de val van het eenheidsrijk van de Han-dynastie als gevolg van invallende barbaren een parallel te zien met de val van het West-Romeinse Rijk, de Grote Volksverhuizing en het begin van de Europese middeleeuwen. Over het tijdstip waarop deze periode in China eindigde verschilden de meningen dan weer. De Duitse sinoloog Otto Franke (1863-1946) liet in zijn Geschichte des chinesischen Reiches de Chinese middeleeuwen voortduren tot de val van het keizerrijk in 1912. Het meest gangbare tijdvak voor de Chinese middeleeuwen, gebaseerd op de politieke geschiedenis, is de periode tussen 200 en 600, de periode van staatkundige verdeeldheid. Op basis van sociaal-economische ontwikkelingen wordt de 8e eeuw beschouwd als overgang van middeleeuwen naar vroegmoderne tijd.
Twee afwijkende periodiseringsschema's Twee recente westerse pogingen om te komen tot een periodisering die niet meer op de dynastieke cyclus was gebaseerd, zijn die van: Jacques Gernet (Le monde chinois, 1972). Hij koos voor een periodisering gebaseerd op een beschrijving van en veranderingen in de feitelijke politieke machtsstructuur. Gernet baseerde zich daardoor niet meer op het vaak fictieve centrale gezag van de keizerlijke dynastieën. Mark Elvin (The Pattern of the Chinese Past, 1973). Hij baseerde zijn periodisering op economische en technologische ontwikkelingen, omdat juist die ervoor zorgden dat het Chinese Rijk al die eeuwen heeft kunnen blijven voortbestaan.
Periodisering door Japanse historici Japanse historici die zich met China bezighielden, volgden tot aan het eind van de 19e eeuw de traditionele indeling die ook door Chinezen werd gehanteerd. Ook zij verdeelden de geschiedenis in dynastieke periodes, die begon met de 'Gouden Periode' van de drie dynastieën Xia, Shang en Zhou.
Daarentegen begonnen Japanse historici vanaf de tweede helft van de 19e eeuw de Chinese geschiedenis in te delen op basis van specifiek bepaalde verschijnselen: Op basis van cultuur. Naka Michiyo (1851-1908) kwam met een indeling van de dynastieën in drie periodes: de oudheid met als kenmerk een culturele start (Xia, Shang en Zhou); de middeleeuwen met culturele 'ingraving', gevolgd door voortzetting zonder een nieuwe culturele start (Han, Tang en Song); de moderne tijd met verdergaande culturele verfijning gevolgd door cultureel verval (Yuan, Ming en Qing). Naka Michiyo paste dit periodiseringsschema toe in zijn 'Algemene geschiedenis van China' (Shina tsūshi, 支那通史, Zhina tongshi), dat tussen 1888 en 1890 in Tokio was verschenen. Zijn werk was de eerste Japanse geschiedenis van China die in westerse stijl was geschreven en beïnvloedde de Chinese geschiedschrijving aan het begin van de 20e eeuw. Op basis van wel of geen Chinese etniciteit. Op basis van dit criterium verdeelde Kuwabara Jitsuzo (1871-1931) de Chinese geschiedenis in vier periodes: de oudheid (tot het einde van de Zhou-dynastie), Chinezen worden steeds machtiger, de middeleeuwen (tot het einde van de Tang-dynastie), Chinezen bezitten de hegemonie, de Mongoolse heerschappij gedurende de late middeleeuwen en herovering van de macht (tot het einde van de Ming-dynastie), het opdringen van de Europeanen gedurende de moderne tijd. Kuwabara kwam later in opspraak door uitspraken over onder andere kannibalisme die in China als uiterst beledigend en denigrerend werden ervaren.
Analyse van de relaties tussen centrum en randvolkeren. Naitō Torajirō (1866-1934, ook wel Naitō Konan) kwam zo tot de volgende indeling van de Chinese geschiedenis: oudheid, tot het midden van de late Han (tot de 2e eeuw n.Chr.): ontwikkeling en uitbreiding van de Chinese cultuur over de buurvolkeren. eerste tussenperiode, lopend van de tweede helft late Han tot Westelijke Jin (tot de 3e eeuw), waarin de verbreiding van de Chinese cultuur over de grensvolkeren tot stilstand kwam, de middeleeuwen (tot het midden van de Tang-dynastie, rond 800), culturele beïnvloeding van het centrum door de nu sterker geworden randvolkeren. tweede tussenperiode (tot en met de periode van de Vijf Dynastieën en Tien Koninkrijken, tussen 800 en 1000) waarin de Chinese invloed zijn grootste geografische omvang bereikte. Naito noemde dit tijdvak de Tang-Song overgangsperiode. moderne tijd (van Song tot en met Qing, tot 1912) met eerst hernieuwde uitbreiding van de Chinese invloed op de randvolkeren, maar daarna steeds verder opdringen van het buitenland. Uiteindelijk zou die periode resulteren in vernieuwing, net zo als dat in Japan was gebeurd.