Het kanaat Qazi-Qoemoech (Lak: Лакрал-Кану, Гъазигъумучиял ханлугъ; Lakral-Kanoe, Qaziqoemoetsjijal chanloeq) was een Lak-staat op het grondgebied van Dagestan vanaf het einde van de 16e - begin 17e eeuw. Vanaf 1789 was het kanaat officieel bekend als het Kjoera-Qazi-Qoemoech-kanaat.
De hoofdstad van het kanaat was Qoemoech. Een andere hoofdstad van het kanaat was Chosrech, waar de heersers van Qoemoech hun versterkte residentie hadden. De grootste nederzettingen waren de dorpen Qoemoech, Koeli en Chosrech. Het aantal inwoners in de 19e eeuw wordt geschat op 47 tot 108 duizend mensen. Opgeheven in 1859, werd het grondgebied van kanaat een deel van het gebied van Dagestan als de okroeg Kazikoemoech.
Stichting van het kanaat
Uit Turkse documenten van 1581-1586 blijkt dat het vorstendom werd gevormd aan het einde van de 16e eeuw.
Alibek I wordt beschouwd als de grondlegger van het Qazi-Qoemoech-domein. In Russische historische bronnen van de late 16e- vroege 17e eeuw verschijnt hij als vorst Alibek van Kazi-Koemoech.
Onder Alibek scheidde zich het Qazi-Qoemoech-domein aan het einde van de 16e eeuw af van het Koemukse sjamchalaat. Het centrum van het bezit van Alibek was het Laken-dorp Qoemoech in Dagestan. Alibek wordt door Russische bronnen afgeschilderd als een zeer invloedrijke eigenaar in Dagestan. In 1610 beloofde hij samen met zijn neven trouw aan Moskou.
Alibek I werd opgevolgd door zijn zoon Toechalav. In 1642 werd Alibek II, zoon van Toechalav, verkozen tot heerser van Qazi-Qoemoech.
Strijd tegen Iran De onvrede van de bevolking van Sjirvan over de macht van de sjiitische Safawieden leidde tot een opstand. In 1707 viel de bevolking van Dzjari en Tsachoer, geleid door hun oudsten, Sjemacha aan, de residentie van de heerser van Sjirvan. In 1708 trokken Iraanse troepen onder het bevel van Imam Quli Khan vanuit Kachetië en onderdrukten de opstand. In 1710 vormde Soerchaj-Chan I het leger van Qazi-Qoemoech.
Aanval op Sjirvan Op 21 juli 1721 vielen Soerchaj-Chan I en Chadzji-Davoed Sjemacha binnen, het belangrijkste handels- en economische centrum van Sjirvan. Met de hulp van lokale soennieten namen de Dagestani's Sjemacha in. Campagne van Peter I In 1722 trok een 112.000 man sterk leger van Peter I Dagestan binnen. Soerchaj-Chan I, aan het hoofd van het Qazi-Qoemoech-leger, verzette zich tegen Peter I, maar er was geen directe confrontatie. Kolonel A. K. Komarov schreef: “Op 12 september 1723 stond sjah Tahmasp de hele Kaspische regio van Astrabad tot Soelak af aan Rusland, maar Qazi-Qoemoech was hier niet bij. De betekenis in Dagestan van Qazi-Qoemoech heeft een hoog niveau bereikt.”
In 1724 weigerde Soerchaj-Chan I het Verdrag van Constantinopel te erkennen, volgens welke Sjirvan van Perzië naar Turkije ging. Soerchaj-Chan I eiste van Turkije de overdracht van Sjirvan naar zijn bezittingen. Turkije weigerde, maar droeg Sjirvan later toch over aan Soerchaj-Chan I.
Inname van Sjirvan In 1725 (volgens een andere versie 1728), vaardigde Turkije een firman uit, volgens welke Soerchaj-Chan I werd beschouwd als de heerser van Sjirvan als Turkse provincie. Soerchaj-Chan I, die de titel kan van Sjirvan en Qazi-Qoemoech had gekregen, maakte van Sjemacha zijn residentie, bouwde forten en wegen, en opende soennitische scholen. In Sjemacha werden munten van Soerchaj-Chan I geslagen.
In juli 1730 bood Nader Afshar Soerchaj de positie aan van gouverneur van Sjemacha, als een vazal van Iran. Soerchaj-Chan weigerde. In 1733 versloeg Nader, als opperbevelhebber van de Perzische troepen, het Turkse leger bij Bagdad. Het Verdrag van Bagdad werd gesloten, volgens welke Turkije zijn provincies aan Perzië overdroeg, waaronder Sjirvan.
Nader stuurde zijn koerier naar Soerchaj-Chan I, die over Sjirvan regeerde, en eiste dat hij Sjirvan zou verlaten. Soerchaj-Chan I schreef een brief aan Nader, waarin hij hem informeerde dat Sjirvan was veroverd door de kracht van Dagestaanse zwaarden en niet door Turkije als een geschenk aan hem was aangeboden, en dat noch de sultan van Turkije, noch Ahmed van Bagdad en anderen enig recht hebben om te eisen dat hij dit gebied overgaf.
Eerste Perzische invasie Op 17 augustus 1734, veroverde Nader de steden Sjemacha, Chatsjmaz, Kabalaka en Derbent. Het leger van Soerchaj-Chan I ontmoette Nader in Deva-Batan, niet ver van Kabalaka, waarbij de hooglanders en Turken door de sterke vijandelijke artillerie werden verslagen. Nader's artillerie rukte verder op, bestormde gedurende drie dagen de posities van Soerchaj-Chan I nabij de Kojsoe-rivier, en arriveerde in Qazi-Qoemoech. De Russische opperbevelhebber Vasili Levasjov schreef dat "Soerchaj het grote kanonvuur niet kon weerstaan". Soerchaj-Chan I trok zich terug in het Avaars kanaat. Nader ging toen tegen Abdullah Pasha in, die met Turkse troepen bij Jerevan stond.
De kan van de Krim Qaplan I Giray zette op bevel van de Turkse sultan de Koemukse sjamchal Chasboelat af en benoemde Eldar-Bek, een bondgenoot van Soerchaj-Chan I, tot nieuwe heerser van het sjamchalaat. Deze gebeurtenissen provoceerden Nader's tweede campagne in Dagestan.
Tweede Perzische invasie
In november 1735 veroverde Nader Dzjari, Derbent, Tabasaran, Koerach en Achty. In december trok Nader naar Madzjalis. De Azerbeidzjaanse schrijver Bakichanov merkte op dat "De mensen van Akoesja verdedigden zich koppig, maar werden verslagen". Perzische troepen veroverden het fort van Kala-Korejsj.
Nader trok met zijn leger naar Qazi-Qoemoech. Soerchaj-Chan I versterkte zich in een kloof nabij de stad, waar 30.000 troepen van Nader vochten met 10.000 troepen van Soerchaj-Chan I. Na een bloedige strijd werd Qazi-Qoemoech verwoest, en Soerchaj-Chan I trok zich terug in Avarië. Nader, die de voorraden van de Laken had geplunderd, zag er met het oog op de winter af om naar Avarië te gaan.
Het Russische militaire bestuur in de Noord-Kaukasus rapporteerde de bouw van Ahmed-Chan en Soerchaj-Chan van tien stenen vestingwerken uitgerust met wapens. Vanaf het Perzische hof meldde Ivan Kaloesjkin aan de Senaat in Moskou dat "Soerchaj-Chan het Fort van Derbent verwoestte en het leger van Mechti-Chan verbrak, en Sjemacha aanviel".
In januari 1736 werd Nader verkozen tot de sjah van Perzië. Nader Sjah benoemde Ibrahim-Chan als opperste heerser van Sjirvan en Dagestan. Ibrahim-Chan onderwierp Sjirvan aan zijn macht en nodigde vervolgens de heersers van Dagestan uit voor een vergadering, maar deze weigerden. In 1738, tijdens het innen van belastingen, kwam de bevolking van Dzjari in opstand tegen de Perzen. Ibrahim-Chan trok met het leger van de sjah tegen de Dzjari's. De Tabassaranen en de Chinaloeg kwamen de Dzjari's te hulp, en de versloegen de troepen van de sjah .
Derde Perzische invasie Op 2 juli 1741 viel Nader Sjah aan het hoofd van een 100.000 man-sterk leger Dagestan binnen, en verklaarde: “Ik nam Hindoestan, het land van Toeran en Iran onder mijn heerschappij. En nu wilde ik het koninkrijk Qoemoech veroveren met een enorm en ontelbaar leger. Nader Sjah's geschiedschrijver Mirza-Mehdi Astarabadi schreef: "De vaandels die de wereld veroverden, verlaten Iran en trekken op naar Dagestan".
De Perzen voerden zware gevechten in Basjly, Bedjoek, Tabasaran, Kajtag en Dzjengoetaj. De eerste colonne van de Perzen, geleid door Nader Sjah, leed in het zuiden van Dagestan zware verliezen. De historicus Moechammad Gazim schreef dat "gedurende twee uur stopten Soerchaj's detachementen niet met schieten met geweren, en alle 20.000 Khorasaanse en Turkestaanse schutters van Nader Sjah verlieten deze wereld". Hierop executeerde Nader Sjah enkele van zijn commandanten. Half augustus trok Soerchaj-Chan I zich terug in het fort van Qazi-Qoemoech, maar gaf zich een week later over. Zijn zonen, Moertazali-Bek en Moechammad-Bek, gingen met een leger van 5.000 man naar Avarië om nieuw verzet te organiseren.
Na de gevangenname van Soerchaj-Chan I werd zijn zoon Moertazali-Bek de kan van Qazi-Qoemoech en nam de functies van legerleider op zich. Strijd om Avarië Eind augustus 1741 naderde Nader Sjah het grondgebied van Avarië. Sogratl werd in die tijd het militaire centrum van de Dagestanen. Moertazali-Chan, aan het hoofd van zijn leger, versterkte zich in Avarië. Vier dagen en vier nachten duurden zware gevechten in het gebied van de dorpen Sogratl, Megeb, Tsjoch en Oboch. Het Perzische leger trok zich terug op het Toertsjidag-plateau.
Overwinning op de Perzen Op 12 september vond een beslissende slag plaats op het Toertsjidag-plateau, waarbij het grootste deel van het Perzische leger viel. Een andere colonne van Nader Sjah, die van Dzjengoetaj naar Avarië marcheerde, werd verslagen door kan Ahmad-Chan van Mechtoelin. De Franse diplomaat in St. Petersburg, Jacques-Joachim Trotti, markies de la Chetardie, schreef: “De nederlaag was des te belangrijker omdat Nader Sjah zich in de val liet lokken en in een kloof viel, waar aan beide kanten verborgen troepen een verschrikkelijk bloedbad verrichten over het grootste deel van zijn leger.” In de nacht van 28 september trok Nader Sjah zich terug en verloor volgens Ivan Kaloesjkin ongeveer 40.000 Perzen.
Moertazali-Chan achtervolgde de terugtrekkende Perzen tot aan Derbent.
Annexatie van het kanaat Sjirvan
In 1743 besteeg Moechammad-Bek, de zoon van Soerchaj-Chan I, de troon van Qazi-Qoemoech. De Safawidische prins Sam Mirza II arriveerde vanuit Turkije bij Moechammad-Chan. Moechammad-Chan besloot Sjirvan in bezit te nemen, en Sam Mirza te helpen de troon van Perzië te verkrijgen. Turkije beloofde hem te steunen, zoals de Turkse minister schreef: “Wanneer de genoemde prins zich vestigt op de hem gestolen troon van zijn voorouders, dan zal hij de regio's Sjemacha, Sjirvan, Gandzja, Tbilisi en Jerevan, die voornamelijk deel uitmaakten van onze staat, afstaan”.
Aan het einde van 1743 nam Moechammad-Chan, nadat hij een leger van Dagestani had gevormd, bezit van Koerach, Derbent en Sjabran, die onder de heerschappij van Perzië stonden. Abdal Gani Khan van Afghanistan, de commandant van Nader Sjah die het fort van Sjabran verdedigde, werd gedood. Moechammad-Chan trok verder en bezette de stad Achsoe, de nieuwe hoofdstad van het kanaat Sjirvan. In 1744 trok Nasrollah Mirza, de zoon van Nader Sjah, met het leger van de sjah tegen Moechammad-Chan in de buurt van Achsoe. Moechammad-Chan raakte gewond in deze strijd en keerde later terug naar Qazi-Qoemoech. De troepen van de sjah bezetten Derbent opnieuw.
In het voorjaar van 1747 namen Moechammad-Chan en zijn bondgenoten Derbent en Quba in bezit. De historicus Vladilen Gadzjiejev schreef dat in 1747 “de sjah besloot Moechammad-Chan koste wat het kost te straffen. Maar al snel, als gevolg van een staatsgreep, werd Nader Sjah zelf vermoord”. Soerchaj-Chan I stierf in 1748. In 1760 veroverde Moechammad-Chan Sjirvan opnieuw. Moechammad-Chan begon als heerser, net als zijn vader, de soennitische islam in Sjirvan nieuw leven in te blazen, en op zijn aanwijzing begon de soennitische religieuze literatuur in de lokale taal te worden vertaald, maar zijn ondernemingen werden onderbroken door politieke onrust veroorzaakt door de sjiieten. In 1762 dwong de anti-soennitische beweging Moechammad-Chan naar alle waarschijnlijkheid om Sjirvan te verlaten.
Al snel werden Sjemacha, Quba en Derbent ingenomen door Fatali-Chan. Op dat moment liepen Eldar-Bek en Sjachmardan-Bek van Qazi-Qoemoech, als gevolg van een ruzie met Moechammad-Chan, over naar Fatali-Chan. Moechammad-Chan gaf de voorkeur aan Soerchaj-Bek, geboren uit de dochter van Abdal Gani-Chan. In de daaropvolgende jaren kwam Fatali-Chan in conflict met de utsmi van de Kajtag, de nutsal van de Avaren en de kan van Qazi-Qoemoech. In 1774 vielen de Dagestani's het kanaat Quba aan. Er vond een groot gevecht plaats in de Gevdoesj-vallei, waar Fatali-Chan werd verslagen en zich terugtrok in de stad Saljan.
Russische invasie