Cheng Han was een Chinese staat die van 303 tot 347 in het huidige Sichuan lag en als hoofdstad Chengdu had.
Samenvatting Het land werd door de historicus Cui Hong (478–525) in zijn Lente- en herfstannalen van de Zestien Koninkrijken gerekend tot de Zestien Koninkrijken. Dat waren staten die tussen 304 en 439 in noord-China waren gevormd door voornamelijk niet-Han-Chinezen. Chronologisch gezien was Cheng Han de eerste van die Zestien Koninkrijken, maar vergeleken met die andere, door ruiternomaden gevormde staten kent het ontstaan van Cheng Han een afwijkend karakter. De regerende dynastie van Cheng Han wordt vaak tot de Di () gerekend, maar behoorde feitelijk tot de Cong (), afstammelingen van het Ba-volk in oost-Sichuan. Men verklaarde zich in 303/304 onafhankelijk van de Jin-dynastie (265-420). Bij de vestiging speelde de taoïstische beweging van de "Weg van de Hemelse Meesters" (, Tianshi dao) een grote rol. Oorspronkelijk heette de staat dan ook Da Cheng (, "Grote Perfectie"), in 338 werd de naam gewijzigd in Han (). De gunstige ligging en een stabiel bestuur hebben tot economische bloei geleid. De belangrijkste keizer was Li Xiong (, r.304-334). Na een periode van politieke onrust werd het land in 347 veroverd door de (Oostelijke) Jin-dynastie.
Politieke ontwikkelingen Achtergrond thumb|Territoria van krijgsheren aan het einde van de Han-dynastie In de loop van de eerste eeuw (n.Chr.) vestigde Zhang Daoling (traditioneel: 34-156 [sic!]) in de vlakte van Chengdu in het huidige Sichuan de taoïstische beweging van de "Weg van de Hemelse Meesters" (, Tianshi dao). Zijn kleinzoon, Zhang Lu (, †216) breidde de invloedssfeer uit naar het noorden en vestigde rond 200 in de Hanzhong-vallei de staat Hanning (). Dat was een half onafhankelijk gebied dat volgens taoïstische principes werd bestuurd, wat het land tot een aantrekkelijke vestigingsplaats maakte, met name voor leden van gemarginaliseerde niet-Han minderheden. Hieronder bevond zich ook een groep Cong (, afstammelingen van het volk van Ba, de oorspronkelijke bewoners van Sichuan) onder leiding van Li Hu (). Zijn familie was afkomstig uit oostelijk Sichuan en behoorde tot de vroegste aanhangers van de "Weg van de Hemelse Meesters". In 216 werd het gebied veroverd door Cao Cao, de op dat moment machtigste krijgsheer. Veel bewoners werden door hem verplaatst naar het noordwesten, Li Hu kwam met ongeveer 500 families terecht in Tianshui, in het huidige Gansu, waar hij en zijn nakomelingen gedurende de derde eeuw militaire functies vervulden.
Vestiging van Cheng Han
Rond 290 werd Gansu verschillende jaren achter elkaar getroffen door ernstige droogte, sprinkhanenplagen en epidemieën. De gevolgen voor de bevolking zijn beschreven in juan 26 van het Boek van de Jin: "Veel mensen leden honger, verkochten zich zelfs aan elkaar, talloze mensen trokken weg" (, ren duo ji fa, geng xiang yu mai, ben beng liu yi, buke sheng shu). In 294 en opnieuw in 296 ontstond een rebellie van de daar woonachtige Xiongnu, gevolgd door een nog grootschaligere opstand van Di en Qiang, onder leiding van Qi Wannian (, †299). De centrale regering was machteloos, leden van de keizerlijke familie Sima () waren verwikkeld in een onderlinge strijd, de Oorlog van de Acht Prinsen (291-306). Een stroom van mogelijk 200.000-300.000 ontheemden ging op zoek naar voedsel en een nieuwe woonplaats. Zij stonden onder leiding van Li Te (, ca.240-303), Li Xiang (, 247-301) en Li Liu (, 248-303), drie broers en kleinzonen van Li Hu. De groep trok van de Guanzhong-vlakte (, centraal Shaanxi), eerst zuidwaarts naar Hanzhong en vervolgens richting Chengdu. De prefect van de provincie Yi (, Sichuan), Zhao Xin (, †301) en zelf een taoïst, opende in eerste instantie de graanschuren voor hen, maar keerde zich in 301 tegen de Li-leiders. Hij bracht Li Xiang, zijn zoon Li Hong () en meer dan tien clanleden om het leven. Hierop viel Li Te het leger van Zhao Xin aan. Die vluchtte, maar kon gevangengenomen worden en gedood.
Door het keizerlijk hof werd Luo Shang () benoemd tot de nieuwe prefect van Yi. Hij gaf het bevel dat de migranten moesten terugkeren naar het noordwesten, waar ze vandaan kwamen. Toen Li Te dat weigerde, viel Luo Shang hem aan. Li Te overwon Luo Shang, die zich terugtrok in Chengdu. Li Te omsingelde de stad. Hij beheerste nu de vallei van Chengdu en benoemde zichzelf tot hoofdcommandant (da dudu ), hoogste generaal (da jiangjun ) en prefect van de provincie Yi. Verder verving hij de wetgeving van de Jin door drie op het Taoïsme gebaseerde wetsartikelen. Er zou in 303 ook een nieuwe jaartitel, Jianchu () zijn aangenomen, maar dit kan ook na 304 met terugwerkende kracht zijn gebeurd. Soms wordt daarom het jaar 303 beschouwd als het begin van de onafhankelijkheid van de staat Cheng Han. Andere historici plaatsen dat moment in 304 met de proclamatie van het koninkrijk Chengdu.
Keizerrijk Da Cheng Proclamatie Luo Shang leidde later in 303 vanuit Chengdu onverhoeds een tegenaanval op Li Te. Die werd daarbij met zijn broer Li Fu () gedood. Hun lichamen werden verbrand nadat Luo Shang eerst hun afgehakte hoofden naar de Jin-hoofdstad Luoyang had gezonden. Een andere broer van Li Te, Li Liu () nam de positie van Li Te over, maar liet vanwege zijn leeftijd de belangrijkste beslissingen over aan zijn jongere neef Li Xiong (, †334), een zoon van Li Te. Die wist Chengdu in te nemen, maar Luo Shang kon daarbij ontkomen. Hij vestigde zich in Jiangyang (het huidige Luzhou in oostelijk Sichuan).
Li Xiong was nog voor de inname van Chengdu in contact gekomen met Fan Changsheng (, †318). Dat was de leider van een taoïstische gemeenschap op de heilige berg Qingcheng Shan, ten noordwesten van Chengdu. Zijn steun aan het leger van Li Xiong was essentieel voor de inname van Chengdu. In datzelfde jaar 303 overleed Li Liu aan een ziekte en volgde Li Xiong hem op. Op aanraden van Fan Changsheng nam die in 304 de titel "koning van Chengdu" () aan en koos als jaartitel, jianxing (, "Gevestigde opkomst", 304-306). Hij maakte de taoïstische leider tot zijn geestelijke raadsman en benoemde hem tot kanselier (chengxiang, ). Twee jaar later, in 306, nam Li Xiong de keizerstitel aan. Hij noemde zijn keizerrijk Da Cheng (, "Grote Perfectie"), naar een dichtregel uit het Boek der Liederen (II,3,5, zhan ye dacheng , "die groot is en nobel geboren"). Dat was een verwijzing naar Taiping dao (, "Weg van de Grote Vrede"), de taoïstische beweging gesticht door Zhang Jue in de tweede eeuw (n.Chr.). Fan Changsheng ontving de titel tiandi taishi (, "Grote Meester van Hemel en Aarde"), een verwijzing naar de taoïstische beweging Tianshi dao (, "Weg van de Hemelse Meesters"). Hij zou kanselier blijven tot zijn overlijden in 318 en daarna worden opgevolgd door zijn zoon Fan Ben (, †349).
Li Xiong (304-334)
Toen Li Xiong in 306 het keizerrijk Da Cheng uitriep, nam hij een nieuwe jaartitel aan, Yanping , "rust en vol vrede" (306-310). Hij verving de drie wetten van Li Te door zeven wetsartikelen. Zijn overgrootvader Li Hu () ontving als postume naam "Hertog Huan van Ba" () en zijn grootvader Li Mu () werd "koning Xiang van Longxi" (). Zijn vader, Li Te, ontving postuum eerst de titel "Koning Jing van Chengdu" () die later werd veranderd in "Keizer Jing" (). Zijn tempelnaam werd Shizu (). Zijn oom en directe voorganger Li Liu () werd postuum "Koning Wen van Qin" ().
Li Xiong benoemde verwanten op belangrijke posten. Zo werd zijn oom Li Xiang (, †328, jongere broer van Li Te) taifu (, hoogste mentor), zijn oudere broer Li Shi (, †338) taibao (, hoogste bewaker), zijn neef Li Li (, †309) taiwei (, hoogste commandant), generaal Li Yun () situ (, minister van oorlog), generaal Li Huang () sikong (, minister van werken) en Li Guo () taizai (, hoge raadgever).
Het bestuur onder Li Xiong was stabiel. De vereenvoudigde en op taoïstische leest geschoeide wetgeving kende milde vormen van bestraffing. Belasting was beperkt tot drie schepels (, hu) graan voor elke man en anderhalve schepel voor iedere vrouw. Ook de verplichte afdrachten aan zijde en katoen waren beperkt. Onderwijs werd mogelijk gemaakt en aan het hof kwam een historisch bureau. Zeker vergeleken met de chaos van dat moment in Zhongyuan (de Centrale Vlakte) moet Sichuan onder Li Xiong toen een plaats van rust zijn geweest. Volgens het Boek van de Jin (juan 121) zou het er zo veilig zijn geweest dat 's nachts de deuren niet afgesloten hoefden te worden. Mede door de gunstige ligging van Sichuan werd Da Cheng welvarend. Pas onder de regering van keizer Li Shou (r.338-343) kwam hieraan een einde, veroorzaakt door een grootschalige verkwisting van belastinggelden.
Luo Shang, de door de Jin benoemde gouverneur van de provincie Yi, was na de inname van Chengdu door Li Xiong ontkomen naar oostelijk Sichuan. Daar bouwde hij versterkingen langs de oevers van de Yangtze, Min en Tuo rivier. Hij ondersteunde in 309 een opstand in Zitong () in noordoost Sichuan en gericht tegen Li Xiong. Daarbij sneuvelden twee generaals van Cheng Han, Li Li (, neef van Li Xiong) en Yan Shi (). In 310 brak een rebellie uit in Baxi (, het huidige Langzhong). Ook zij sloten zich aan bij Luo Shang en bedreigden Cheng Han. Aan dit gevaar kwam een einde toen Luo Shang medio 310 overleed. Begin 311 had Cheng Han het in de voorafgaande twee jaren verloren gebied terugveroverd.
Tijdens het machtsvacuüm dat ontstond na de val van de Westelijke Jin-dynastie in 311/313 wist Li Xiong zijn invloedssfeer verder uit te breiden. In 312 gaf de commandant van de commanderij Yinping (ten westen van het huidige Pingwu) zich over, waardoor Cheng Han de Yangtze-vallei ten westen van de Drie Kloven beheerste. Ook de inheemse leiders van Hanjia (het huidige Ya'an in Sichuan), Shushi (het huidige Zhaotong in Yunnan) en Jianning (het huidige Qujing in Yunnan) sloten zich aan bij Li Xiong. In 316 deden de commandanten van Pingyi (in Guizhou) en Pengle (in Guangxi) hetzelfde. In 323 werd Yuesui (het huidige Xichang) veroverd. In 328 overleed de belangrijkste generaal van Cheng Han, Li Xiang (), een oom van keizer Li Xiong. Hij ontving postuum de titel prins Xian van Han () en werd opgevolgd door zijn zoon Li Shou ( 300-343). Die leidde in 332 een veldtocht naar het zuiden en veroverde in 333 de gehele provincie Ningzhou (), de huidige provincies Yunnan en Guizhou. Het bestuur van de veroverde provincie kwam in zijn handen, hij verkreeg daarvoor de titel prins van Jianning ().
Li Xiong had in 324 zijn neef Li Ban (, 288–334), zoon van zijn oudere broer Li Dang (, †303) benoemd tot troonopvolger. Volgens hem waren zijn eigen vader Li Te en diens (tweede) zoon Li Dang de feitelijke stichters van Cheng Han geweest. De rechtmatige troonopvolger diende daarom een zoon van Li Dang te worden. Omdat twee oudere zonen van Li Dang, Li Han () en Li Zhi () in 323 waren gesneuveld, werd Li Ban de kroonprins.
Li Ban (334) In 334 werd keizer Li Xiong ernstig ziek. Hij leed mogelijk aan de builenpest en overleed in de zesde maand. Li Ban volgde hem op. Li Shou keerde terug naar de hoofdstad om de nieuwe keizer te ondersteunen. Die liet tijdens de rouwperiode alle politieke zaken aan hem over. Li Ban wordt verder omschreven als een geletterde man, die de hebzucht en het geweld van leden van de keizerlijke familie had bekritiseerd. Hij wilde hun macht inperken door een landhervorming.
Li Qi (334-338)