Het Amsterdamse Bos, oorspronkelijk aangelegd als het Boschplan, is een groot stadsbos en landschapspark ten zuidwesten van Amsterdam, grenzend aan de Amsterdamse wijk Buitenveldert. Het ligt grotendeels binnen de gemeente Amstelveen en omvat bospercelen, graslanden, waterpartijen, natuurgebieden en omvangrijke voorzieningen voor sport en recreatie. De gemeente Amsterdam is eigenaar en beheerder van het gebied.

De aanleg begon in 1934 als onderdeel van het Boschplan, een grootschalig recreatieproject voor de groeiende stad. De werkzaamheden werden in de jaren dertig voor een belangrijk deel uitgevoerd in het kader van de werkverschaffing. De aanleg was in 1964 in hoofdzaak voltooid; in 1970 werd het oorspronkelijke aanlegproject symbolisch afgesloten met het planten van de laatste bomen op de Heuvel.

Ligging en bestuur Het Amsterdamse Bos ligt op het grondgebied van de gemeenten Amsterdam, Amstelveen en Aalsmeer. In historische en gemeentelijke documentatie wordt voor het gebied een oppervlakte van circa 935 hectare genoemd. De beheerorganisatie gebruikt in haar publieksinformatie een afgerond oppervlak van 1.000 hectare.

Het overgrote deel van het Bos ligt in Amstelveen. De gemeentegrens met Amsterdam loopt aan de noordzijde ongeveer parallel aan de Bosbaan. Aan de westzijde wordt het gebied begrensd door de Ringvaart. Aan de zuidwestzijde vormt de Bosrandweg de grens met Aalsmeer; verder oostelijk behoren onder meer de omgeving van de Legmeerdijk, Noorddammerlaan, Handweg, Landscheidingskade en Amsterdamseweg tot de begrenzing van het Amstelveense plangebied.

Een deel van het zuidelijke Bos behoorde tot 2002 tot de gemeente Aalsmeer. Bij een grenswijziging kwam de gemeentegrens tussen Amstelveen en Aalsmeer bij de Bosrandweg te liggen. Het later aangelegde Schinkelbos, ten zuidwesten van het oorspronkelijke Boschplan, ligt op Aalsmeers grondgebied en wordt als ecologische uitbreiding van het Amsterdamse Bos beschouwd.

Het Amsterdamse gedeelte vormt in de statistische indeling van de gemeente Amsterdam de buurt Amsterdamse Bos (KQ01), behorend tot de wijk Buitenveldert-West. Deze statistische buurt omvat slechts het Amsterdamse deel van het veel grotere bosgebied.

Geschiedenis thumb|Kaart van het Boschplan Amsterdam uit 1937.

Ontstaan van het Boschplan Een vroege pleitbezorger voor een groot groengebied ten zuiden van Amsterdam was natuurbeschermer Jac. P. Thijsse. Rond 1900 uitte hij zijn zorgen over het verdwijnen van groen rond de groeiende stad en wees hij op het gebied ten zuiden van de Nieuwe Meer als geschikte plaats voor de aanleg van een bos.

In de jaren twintig kregen de plannen concretere vorm. De Amsterdamse gemeenteraad besloot in 1928 tot aanleg van een groot recreatiegebied ten zuiden van de stad. Het Boschplan werd ontwikkeld binnen de gemeentelijke Dienst der Publieke Werken. Vooral de stedenbouwkundigen Cornelis van Eesteren en Jacoba Mulder speelden een belangrijke rol in het ontwerp; bij de planvorming waren ook biologen en natuurexperts betrokken, onder wie Thijsse en A.J. van Laren.

Het in 1931 uitgewerkte Boschplan werd tevens onderdeel van het in 1935 vastgestelde Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam. Het bos vormde daarin de grootste van de groene gebieden die vanuit het ommeland tot diep in het stedelijke gebied moesten doordringen en die later bekend werden als de Amsterdamse groene scheggen.

Het landschap bestond vóór de aanleg grotendeels uit laaggelegen polders en voormalige veenweiden. Het noordelijke deel lag in onder meer de Buitendijkse Buitenvelderse polder en de Rietwijkeroorder polder. Het later aangelegde zuidelijke deel lag in de Kleine Noordpolder en de Schinkelpolder. Het oorspronkelijke veengebied was voor een belangrijk deel afgegraven voor turfwinning en vervolgens drooggemalen. Restanten van het oudere veenlandschap bleven onder meer bestaan langs de Nieuwe Meer en rond de Amstelveense Poel.

Aanleg en werkverschaffing thumb|start=0:04|thumbtime=0:16|Vakantieactiviteiten in het Amsterdamse Bos in 1948, Polygoonjournaal.

Op 30 april 1934 begonnen de werkzaamheden. Een van de eerste grote werken was het uitgraven van de Bosbaan. Vanwege de hoge werkloosheid tijdens de crisisjaren werd de aanleg opgezet als werkverschaffingsproject. De uitvoering stond onder leiding van de Nederlandse Heidemaatschappij. Alleen al tussen 1934 en 1940 werkten ongeveer 20.000 mensen aan het Boschplan.

Een groot deel van het grondwerk werd met schop en kruiwagen verricht. Niet alleen handarbeiders, maar ook werkloos kantoorpersoneel werd tewerkgesteld. Het project werd daarmee een van de omvangrijkste Amsterdamse werkverschaffingsprojecten van de jaren dertig.

In 1938–1940 werden in het Boschplan twee noodlandingsterreinen voor vliegtuigen aangelegd. Aanleiding waren noodlandingen en vliegtuigongelukken in de omgeving van het nabijgelegen Schiphol. Het noordelijke terrein kreeg later een recreatieve bestemming en is sinds 1988 de locatie van Geitenboerderij Ridammerhoeve. Het zuidelijke terrein werd bekend als het Land van Bosse en werd in 2011 ingericht als evenemententerrein.

Tweede Wereldoorlog Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de aanleg van het Bos op kleinere schaal voortgezet. De Duitse bezetter richtte in en rond Amsterdam afzonderlijke werkverruimingsobjecten voor Joodse mannen in. Volgens het Stadsarchief Amsterdam lagen daarvan vier in het Amsterdamse Bos en één op Schiphol-Oost. De term werkkamp betekende daarbij niet steeds dat de arbeiders ter plaatse verbleven; verschillende locaties waren zogenoemde heen-en-weerobjecten, waarbij de mannen na hun werk naar huis terugkeerden.

In 1941 en 1942 werkten Joodse Amsterdammers in tientallen ploegen aan het Boschplan. Zij verrichtten onder meer grond-, kade- en oeverwerk, groeven en verbreedden sloten en werkten aan sluizen, bruggen, paden en wegen. Vanaf begin 1942 waren groepen werkzaam in de Oeverlanden aan de zuidzijde van de Nieuwe Meer. Een groep verzamelde zich bij de sluis van de Nieuwe Meer en werd per boot naar Polder Meerzicht gebracht, waar waarschijnlijk twee overblijflokalen met een keuken stonden. Een andere groep verzamelde zich bij de Koenenkade, waar vermoedelijk eveneens een overblijflokaal aanwezig was.

De tewerkstelling vormde een onderdeel van de vervolging en isolatie van Joodse Nederlanders. Voor velen was zij een voorstadium van deportatie. In de loop van 1942 werden veel Joodse arbeiders uit Amsterdam naar werkkampen elders in Nederland overgebracht of via Westerbork gedeporteerd.

In 1944 werden opnieuw Joodse mannen tewerkgesteld, ditmaal voornamelijk mannen ouder dan 45 jaar die met een niet-Joodse partner waren gehuwd. Een van de werkobjecten lag aan de zuidzijde van de toenmalige Burgemeester Colijnweg, waar grondwerk werd verricht; de schaftlokalen lagen noordelijker bij de Ringvaart. In april 1944 werden deze mannen overgebracht naar werkkampen bij 't Zand en Havelte. Voor het merendeel van hen kwam aan de gedwongen tewerkstelling een einde rond Dolle Dinsdag, 5 september 1944.

Ook politieke gevangenen van niet-Joodse afkomst werden in het Bos tewerkgesteld. Voor hen bevond zich bij de Ringvaart, in de omgeving van het gemaal, een werkkamp. Vanwege de strategische betekenis van het nabijgelegen Schiphol werden in het Bos Duitse geschutsopstellingen en zoeklichten aangelegd. Voor het luchtdoelgeschut werden stroken jonge bosaanplant gekapt. Tijdens de Hongerwinter van 1944–1945 werd daarnaast veel hout uit het Bos gekapt door inwoners van Amsterdam die brandstof zochten.

Voltooiing en latere ontwikkeling Na de oorlog werkten aanvankelijk nog arbeiders van de Dienst Uitvoering Werken (DUW) aan het Bos. Daarna namen aannemers met machines de uitvoering geleidelijk over. In 1955 was ook het grondwerk voor het jongste, zuidelijke gedeelte gereed. De aanleg van het Bos was in 1964 in hoofdzaak voltooid.

In 1947 had de Amsterdamse gemeenteraad het Boschplan officieel de naam Amsterdamse Bos gegeven. Op 25 maart 1970 werd de uitvoering van het oorspronkelijke aanlegplan symbolisch afgesloten. Tijdens de nationale boomplantdag plantten schoolkinderen de laatste bomen op de zuidelijke helling van de Heuvel.

Vanaf 1999 werd aan de zuidwestzijde het Schinkelbos aangelegd; een tweede aanlegfase volgde in 2005. Het natuurgebied vormt een uitbreiding van het Amsterdamse Bos en maakt deel uit van de Groene AS.

In 2009 werd het 75-jarig jubileum van het begin van de aanleg gevierd. Rond het jubileum werden verschillende activiteiten georganiseerd en verscheen het boek Een bos zonder weerga van Jan Ebbinge, met foto's van Marijke Mooy.

Ontwerp en landschap Het Amsterdamse Bos werd niet opgevat als productiebos, maar als een groot gebruiksbos waarin natuurbeleving, ontspanning en sport gecombineerd konden worden. Het ontwerp verenigt kenmerken van de Engelse landschapsstijl met ideeën uit de Duitse Volksparken.

De Engelse landschapsstijl is herkenbaar in de glooiende grasvelden, verspreide boomgroepen, gebogen bosranden en kronkelende waterpartijen. Lange zichtlijnen, hoogteverschillen en zogenoemde verdwijnpunten werden bewust ontworpen om een indruk van ruimtelijkheid te creëren en het landschap groter te laten lijken dan het feitelijk is.

Uit de Duitse Volksparktraditie kwam het uitgangspunt dat een park niet alleen voor wandelen en natuurbeleving moest dienen, maar ook ruimte moest bieden voor actieve recreatie. Sportvelden, speelweiden, maneges, de Grote Vijver en andere voorzieningen werden daarom voor een belangrijk deel langs een min of meer noord-zuid gerichte activiteitenzone geconcentreerd. Andere delen van het Bos konden daardoor een rustiger karakter houden.

Het padenstelsel en het watersysteem maken integraal deel uit van het ontwerp. Rechte en brede routes worden afgewisseld met smallere, slingerende paden. Voor voetgangers, fietsers en ruiters werd een uitgebreid en grotendeels gescheiden netwerk aangelegd. De talrijke sloten, vijvers en andere waterpartijen kruisen dit padennet op veel plaatsen, wat mede leidde tot de aanleg van 116 bruggen.

Sinds het einde van de jaren zestig wordt het Bos doorsneden door de A9. Een deel van het noordelijke Bos ligt bovendien onder de aanvliegroute van de Buitenveldertbaan van Schiphol.

Natuur en ecologie Het Amsterdamse Bos kent een afwisseling van aangelegd bos, graslanden, rietlanden, veenrestanten, poelen, sloten en grotere waterpartijen. De beheerorganisatie vermeldt ongeveer 200.000 bomen en circa 19 hectare moeras en moerasbos. Een omvangrijk bos op overwegend kleibodem is in Nederland relatief bijzonder.

Tot de natuurgebieden behoren onder meer de zuidelijke oeverlanden van de Nieuwe Meer, Polder Meerzicht, de Amstelveense Poel, Vogeleiland en het Schinkelbos. De oeverlanden van de Nieuwe Meer en de omgeving van de Amstelveense Poel bevatten nog restanten van het veenlandschap dat vóór de aanleg van het Boschplan aanwezig was.

Tot de fauna behoren onder meer eekhoorns, verschillende soorten spechten en roofvogels, amfibieën, ijsvogels en boommarters. Op delen van het terrein wordt begrazing toegepast met Schotse hooglanders en Exmoorpony's. In de oeverlanden komen onder meer rietorchis, welriekende nachtorchis en ronde zonnedauw voor.

Het Bos is tevens een belangrijk leefgebied voor de ringslang. In de voor deze soort aangelegde en bijgehouden broeihopen komen volgens de beheerorganisatie jaarlijks ongeveer duizend ringslangeieren uit.

Waterhuishouding Het Bos is voor een belangrijk deel aangelegd in voormalige veen- en poldergebieden. Het noordelijke deel ligt onder meer in de Buitendijkse Buitenvelderse polder en de Rietwijkeroorder polder; delen ten zuiden daarvan liggen in de Kleine Noordpolder en de Schinkelpolder. Door vervening en drooglegging ligt een groot gedeelte aanzienlijk beneden zeeniveau.