miniatuur|De lezende Nescio aan de Rijksstraatweg te Ubbergen (Ronald Tolman, 1991) Jan Hendrik Frederik Grönloh (Amsterdam, 22 juni 1882 – Hilversum, 25 juli 1961), pseudoniem NescioEen kennelijke toespeling op de term nomen nescio, in de literatuur gebruikt als de auteur van een geciteerd werk onbekend is. (Latijn voor "Ik weet (het) niet"), was een Nederlandse schrijver van neoromantische verhalen in een deels op Multatuli geïnspireerde stijl. Zijn bekendste titels zijn de drie novellen De uitvreter (1911), Titaantjes (1915) en Dichtertje (1918).
Levensbeschrijving Jan Hendrik Frederik Grönloh werd op 22 juni 1882 in de Amsterdamse Reguliersbreestraat 49 geboren als oudste van vier kinderen van een eveneens Jan Hendrik Frederik Grönloh (1856-1928) genaamde winkelier en smid en Martha Maria van der Reijden (1856-1935). Zijn roepnaam was Frits. Na zijn geboorte verhuisde het gezin naar Amsterdam-Oost, waar hij vanaf februari 1888 de openbare lagere school in de 1ste Van Swindenstraat bezocht en in 1894 naar de driejarige HBS ging aan de Mauritskade te Amsterdam. Van 1897 tot 1899 zat hij op de Openbare Handelsschool aan de Keizersgracht. Vanaf 1899 vervulde hij verschillende kantoorbaantjes, om te beginnen bij de Twentsche Bontweverij in Hengelo, waar hij het drie maanden uithield. De aanzet tot een nooit voltooide roman "De voetreiziger" wordt aan deze periode gelinkt.Lieneke Frerichs: Nescio. Leven en werk van J. H.F. Grönloh. Later werkte hij nog een jaar in Oldenzaal en twee jaar in Rheine bij Münster. In 1904 trad hij in dienst van de exportfirma Holland-Bombay Trading Company, en in de jaren daarna klom hij daar op tot directeur.
Van 1901 tot 1903 was hij betrokken bij de idealistische kolonie Tames, die hij met een aantal vrienden had opgericht in de buurt van Huizen. Dit was in navolging van de kolonie Walden, opgericht door Frederik van Eeden. Nescio was lid van de SDAP. Hij was dus duidelijk een idealist, al had hij zich in het dagelijks leven neergelegd bij de plichten van de moderne maatschappij.
De onbereikbaarheid van idealen was een belangrijk thema in zijn literaire werk. De vrienden van de Tames stonden model voor Bavink, Bekker en Kees Ploeger, die in het werk Titaantjes van Nescio een grote rol spelen.
In 1906 trouwde hij met Aagje Tiket (1883-1974). Het echtpaar kreeg vier dochters. Ze woonden eerst op de Ringkade, die later Transvaalkade ging heten, maar verhuisden verschillende keren binnen Amsterdam; naar de Laanweg in Noord, de Middenweg en het Linnaeushof in Oost. Nescio verbleef ook enige tijd aan de Achterweg 22 in Groet.
In zijn werk vormt Amsterdam meestal het decor. Nescio kon zich nogal opwinden over de veranderingen in de stad. In het emotioneel geladen slot van De uitvreter wordt in een bijzin nog stelling genomen: "Den winter bracht ik in Amsterdam door, waar ze druk bezig geweest waren, mooie huizen af te breken en er leelijke voor in de plaats te zetten, al tobbende." Behalve de stad Amsterdam speelt ook het platteland rondom de hoofdstad en rondom Nijmegen een zeer belangrijke rol in Nescio's werk. Zijn beschrijvingen van het weer, de natuur en het landschap van dit gebied vormen een belangrijk deel van zijn literaire nalatenschap.
Nescio overleed op 79-jarige leeftijd in ziekenhuis Zonnestraal te Hilversum en werd begraven op begraafplaats De Nieuwe Ooster in Amsterdam. Hoewel hij in 1954 de Marianne Philipsprijs ontving, volgde pas na zijn dood werkelijke erkenning voor zijn belangrijke bijdrage aan de Nederlandse literatuur.
Werk miniatuur|Reijer Stolk, ontwerpschets en proefdruk band Dichtertje, De uitvreter, Titaantjes (1918) Nescio debuteerde in januari 1911 met het verhaal De uitvreter in het literaire tijdschrift De Gids. Het tijdschrift wees een tweede verhaal, Titaantjes, af vanwege de uitbarstingen waarin God ter sprake kwam. Nadat redacteur J.N. van Hall voorstelde om in plaats van het woord God in de afsluitende passage maar de naam Zeus af te drukken, had Nescio er genoeg van.Frerichs (1986), 205 In 1915 verscheen Titaantjes, zijn tweede verhaal, in Groot Nederland. Samen met een derde verhaal, Dichtertje, werden ze in 1918 als boek uitgebracht bij de kunsthandelaar J.H. de Bois, uitgever van de Haarlemsche kunstboekjes, met een omslagontwerp door Reijer Stolk. De oplage van 500 verkocht langzaam, vermoedelijk niet alleen vanwege de hoge prijs en het gebrek aan belangstelling dat het publiek had voor novellen, maar ook vanwege de originele stijl en de vrijpostigheid. Een tweede druk verscheen in 1933, een derde in 1947 en de vierde druk uit 1956 werd vermeerderd met het verhaal Mene tekel uit 1946.
Door de overeenkomst in stof en sfeer horen deze verhalen bij elkaar, al vormt elk een afgeronde eenheid. Het gaat steeds om een jonge vriendengroep van onpraktische artistiekelingen, die achteraf worden geportretteerd met de nostalgie die toegenomen mensenkennis en levenservaring meebrengt, zonder dat aan dat latere gezichtspunt grotere wijsheid of anderszins superioriteit wordt toegekend.Stuiveling en Van Bork (1985), 407-408
In die tweede druk, uitgegeven bij uitgeverij J.H. de Bois te Haarlem, onthulde Nescio zijn naam J.H.F. Grönloh, in het voorbericht: VOORBERICHT BIJ DEN TWEEDEN DRUK In `Vermomde Nederlandsche en Vlaamsche schrijvers', verschenen, ik meen in 1928, wordt mijn werk abusievelijk toegeschreven aan een ander. Ik heb mij daardoor min of meer gedwongen gevoeld, bij dezen tweeden druk mijn naam te publiceeren. Amsterdam, 22 Juli 1933 J.H.F. GRÖNLOH
Dit alles naar aanleiding van het boek: Vermomde Nederlandsche en Vlaamsche schrijvers, Aefke de Kempenaer, (1883-1973), 1928, uitgever: Leiden, A.W. Sijthoff.Aanvraagnummer KB: LHO OD.A 12 NL AAF
De uitvreter In het verhaal De uitvreter staat Japi centraal ("Zijn achternaam heb ik nooit geweten"). Japi heeft slechts één ideaal en wel dat van de volmaakte bohemien te zijn. Hij wil niet eens een kunstenaar zijn. "Ik ben Goddank helemaal niks", aldus Japi. Via schilder Bavink komt hij in contact met Koekebakker, ook wel bekend als Erik de Man, de ik-persoon van het boek. Japi staat al snel te boek als een profiteur, "die je sigaren oprookte" en "paraplu's leende die hij nooit terugbracht". Vandaar zijn bijnaam: de uitvreter.
Japi, Bavink (die een niet-succesvol schilder is) en Koekebakker, een journalist, verzetten zich tegen de maatschappij, waarin mensen worden uitgebuit en zij zweren langzaam maar zeker het werken af. Van hun idealen komt echter niets: Koekebakker blijft werkzaam bij zijn kantoortje en verdient daar een aardig salaris, maar verliest wel al zijn idealen. Bavink wordt een steeds tragischer figuur, die Japi op een voetstuk zet maar zelf "mal" wordt. Japi zelf weet zich ook geen blijf. Hij trekt naar Friesland, België en Frankrijk, maar vindt nergens de betekenis en bevestiging die hij zoekt. Als zijn onbereikbare liefde Jeanne sterft en hij geen ideaal meer te verwezenlijken ziet, trekt hij naar Nijmegen. Het slot van De Uitvreter:
Wonderlijke kerel De bekendste zin van Nescio is de zin waarmee De uitvreter begint:
In 1961, precies een halve eeuw na de eerste publicatie van het verhaal, werd ontdekt wie de man was die de Sarphatistraat de mooiste van Europa vond.Lieneke Frerichs, 'Nawoord', in Lieneke Frerichs (red.), Over Nescio. Beschouwingen en interviews. Uitgeverij BZZTôh, 's-Gravenhage 1982, p. 308. De schrijver en Walden-oprichter Frederik van Eeden beschreef de Sarphatistraat als een voorbeeld van negentiende-eeuwse wansmaak, al dacht hij daar ooit anders over: "Als den dag van gisteren heugt het mij hoe ik de Sarphatistraat de mooiste straat van Amsterdam vond."Geciteerd bij Jan van Houts, Nescio en - Van Eeden, in Frerichs 1982, p. 199. Van Eeden schreef dit in een recensie van Lodewijk van Deyssel, Een liefde, die in april 1888 in De Nieuwe Gids was verschenen.Van Houts in Frerichs 1982, p. 196. Nescio heeft alleen van Amsterdam Europa gemaakt.
De eerste komma in de openingszin komt in Nescio's manuscript niet voor. Die fout is pas opgetreden nadat het manuscript op de redactie van De Gids was aangekomen. Een andere fout staat nog consequent in De Uitvreter. Japi's favoriete liedje zou over de Nancy Brick gaan. Dat was een verschrijving. Er had Nancy Brig moeten staan. Het liedje van Plumpton, op tekst van W.S. Gilbert, ging over een brig (brigantijn) die schipbreuk leed, waarna de bemanning kannibalistisch werd. Deze shop song was een persiflage op de geschiedenis van het vlot van de Medusa. Volgens Nescio-kenner Enno Endt was het Grönlohs favoriete liedje.
Over wie Japi (de uitvreter) zelf zou zijn geweest, bestond lang onzekerheid. Grönloh wilde er weinig over kwijt en beweerde dat de figuur niet op een bestaand persoon was geënt. In twee teruggevonden brieven uit 1908 blijkt dat het gedrag van de schrijver zelf, tijdens zijn bezoek aan Zeeland en met name Veere, veel overeenkomsten vertoont met dat van Japi.
Titaantjes De bekende openingszin van Titaantjes luidt:
In Titaantjes blikt Koekebakker terug op de tijd dat hij en zijn vrienden idealen hadden en vertelt hij hoe het hen is vergaan. Bavink schildert een meesterwerk en snijdt dit vervolgens aan reepjes als hij ontdekt dat hij door dit schilderij in feite heeft bereikt wat hij altijd al had afgezworen, namelijk een succesvol en rijk man worden en hij komt in een gesticht terecht. De rest van zijn vriendengroep heeft zich aangepast aan de maatschappij die ze ooit afzwoeren. Aan het eind van het verhaal gaat het alleen Koekebakker voor de wind. Hij wordt een succesvol journalist en verdient daarmee een goed belegde boterham. In feite kunnen zijn idealen hem niet meer zo schelen. Hoewel Titaantjes het vervolg is op de De uitvreter en voor een groot deel over dezelfde personages gaat, wordt er niet naar Japi (de uitvreter) verwezen.
Het boek heeft als moraal dat ieder mens zich uiteindelijk ten koste van zijn idealen aanpast aan de maatschappij en, ondanks zelfs de grootste walging van maatschappelijke eisen, hij daar toch altijd aan toegeeft, of hij wil of niet. De twee werken zijn dan ook een groot protest tegen de maatschappij, maar geven ook de tweestrijd weer tussen Nescio (de schrijver) en Grönloh (directeur van de Holland-Bombay Trading Company), die in een en dezelfde persoon wordt uitgevochten. Dit thema vinden wij ook terug in de boeken van Willem Elsschot, die deze tegenstelling schrijver-zakenman in zijn Laarmans-Boorman boeken laat terugkomen. Nescio en Elsschot worden mede hierom vaak met elkaar vergeleken.
Dichtertje De novelle Dichtertje uit 1918 behandelt op ironische en ontluisterende wijze het als burgerlijk bestempelde huwelijk, gekoppeld aan de tegenstelling dichter-burger. Bekende Nescio-themata als de tegenstelling tussen verlangen en plichten, de strijd tussen "droom en daad" (in bewoordingen van Elsschot) en de uiteindelijke teleurstelling komen in dit verhaal op een andere wijze terug. Hoofdpersoon van het verhaal is de kantoorbediende Eduard ("Ee"), die in stilte het verlangen koestert een artiest te worden. "Een groot dichter zijn en dan te vallen". Zoals bij Nescio te verwachten, loopt het niet erg goed af. Edu schrijft zijn meesterwerk en wordt daarna krankzinnig (vergelijk het tragische lot van Bavink in Titaantjes).
Tijdens het schrijven hielp Nescio's vrouw hem als corrector. Zij las dus al zijn manuscripten. De teksten van Dichtertje waren, begrijpelijk, voor haar niet al te plezierig om te lezen. In Dichtertje speelt Nescio op de hierdoor ontstane huiselijke twist in, aan het begin van hoofdstuk zes:
Mene Tekel