Het Federal Bureau of Investigation (FBI) is een Amerikaanse veiligheidsdienst. Het is een van de federale instellingen voor wetshandhaving in de Verenigde Staten. De FBI werd vooral bekend onder J. Edgar Hoover, directeur van 1924 tot 1972, die de dienst ook politiek activisten liet onderzoeken. Pas sinds 1935 heet het bureau daadwerkelijk FBI, daarvoor heette het Bureau of Investigation (BOI).
De FBI treedt tegenwoordig op als misdaadonderzoeksdienst voor terrorisme, drugsdelicten, georganiseerde misdaad, spionage, forensisch onderzoek, computercriminaliteit, geweldsmisdrijven, witteboordencriminaliteit en zet zich in voor misdaadpreventie. Sinds 2002 heeft terrorismebestrijding de hoogste prioriteit. De FBI heeft in totaal 35.104 werknemers waarvan er 13.412 FBI-agenten zijn. De agenten die niet in de Verenigde Staten werken, zijn gestationeerd in Amerikaanse ambassades en bij internationale organisaties zoals Interpol, Europol, de Europese Unie en de NAVO.
Geschiedenis thumb|Charles Bonaparte Charles Joseph Bonaparte was een Amerikaanse politicus die zich actief inzette voor landelijke hervormingen. Hij was een kleinzoon van Jérôme Bonaparte, de jongste broer van Napoleon I Bonaparte, de keizer van Frankrijk. Zijn ouders zijn de stichters van de Amerikaanse tak van de familie Bonaparte.
Na afgestudeerd te zijn aan Harvard University en Harvard Law School, ging hij direct na zijn studie werken als advocaat, maar hij zag later in dat hij zich toch meer in de politiek wilde inzetten. In 1905 koos president Theodore Roosevelt hem als minister van marine en van 1906 tot en met 1909 was hij minister van Justitie van de Verenigde Staten. In 1908 introduceerde president Roosevelt een concept voor een eenheid van speciale agenten, die voornamelijk zou bestaan uit oude spionnen. Na goedkeuring van dit plan werd bekend dat Bonaparte de leider van deze eenheid werd.
Voordat deze speciale eenheid er was, was het erg moeilijk voor de federale overheid om onderzoek te doen naar bepaalde gebeurtenissen of personen. Het Ministerie van Justitie was toen nog vaak afhankelijk van de United States Secret Service. Deze 'geheime dienst' viel onder het ministerie van Financiën en had als kerntaak het bestrijden van geldvervalsing. Het ministerie van Justitie moest dan aan medewerkers van de Secret Service vragen of ze onderzoek wilden doen naar bepaalde gebeurtenissen voor het ministerie. Deze medewerkers hoefden geen verantwoording af te leggen aan het ministerie (en daardoor ook niet aan de minister van Justitie), maar moesten dit doen aan het hoofd van de Secret Service, waardoor de informatie weer moeilijker bij het ministerie aankwam en er meer kans was dat de informatie vervormd werd. Bonaparte vond dit erg frustrerend als minister van Justitie en hij wilde de volledige controle over de onderzoeken die onder zijn jurisdictie vielen. Het Congres, het Amerikaanse parlement, was het met hem eens en op 27 mei 1908 nam het Congres een wet aan die verhinderde dat het Ministerie van Justitie beroep zou doen op medewerkers van de Secret Service en keurde het plan van Bonaparte en Roosevelt goed om een speciale eenheid op te richten van eigen speciale agenten, naast de Secret Service.
In juni 1908 stelde Bonaparte een eenheid van speciale agenten binnen het ministerie in. Tien voormalige werknemers van de Secret Service en enkele onderzoekers van het ministerie vormden deze eenheid in het begin. Wat men de start van de FBI noemt, is de dag waarop deze eenheid voor het eerst in opdracht van minister van Justitie Bonaparte hun bevindingen moesten rapporteren aan Stanley W. Finch.
Toen zowel de termijnen van minister van Justitie Bonaparte als president Roosevelt in maart 1909 afgelopen waren, adviseerden ze deze speciale eenheid een permanent onderdeel van het ministerie te maken. Onder Bonapartes opvolger, George Wickersham, werd de eenheid dit ook en op 16 maart 1909 hernoemde hij de eenheid naar Bureau of Investigation (BoI).
Stanley W. Finch Stanley Finch (1872-1951) staat bekend als de allereerste directeur van BoI. Hij kwam voor het eerst in contact met het Ministerie van Justitie toen hij in 1893 'hulpje' bij het ministerie werd. Daarna heeft hij voor 50 jaar een relatie met het ministerie gehad. Van 1893 tot 1908 was hij hoofd van de onderzoeksafdeling bij het ministerie en in 1909 werd hij (automatisch) directeur van het Bureau of Investigation. In 1912 legde hij zijn functie neer, ten gunste van zijn opvolger Bielaski, om commissaris te worden.
Expansie van BOI Ten tijde van de grondlegging van BOI waren er weinig federale misdaden. BOI onderzocht voornamelijk zaken die te maken hadden met het nationale bankwezen, faillissementen, naturalisatie, antitrustwetgeving en landfraude. Pas in 1910 begon de uitbreiding van de jurisdictie van het bureau, toen het bureau de Mann Act (of, zoals hij vaker genoemd wordt, White-Slave Traffic Act) door het Congres kreeg. Deze wet zorgde ervoor dat vrouwenhandel (en in het algemeen het vervoer van vrouwen en meisjes voor prostitutie en andere 'immorele doeleinden') een federale misdaad werd.
Door de jaren heen breidde het bureau uit met meer dan 300 nieuwe speciale agenten en met 300 extra ondersteunende werknemers. Door heel het land werden kleinere bureaus opgezet, die onder leiding stonden van een speciale agent die rechtstreeks verantwoordelijk was aan Washington. De meeste van deze lokale bureaus lagen in de grote steden, echter een groot aantal bureaus werden ook gevestigd langs de Mexicaanse grens. Hun taak was het tegengaan van smokkelen, neutraliteitsschendingen en het verzamelen van Amerikaanse staatsinformatie; veel van deze werkzaamheden werden geactiveerd door de Mexicaanse Revolutie.
Toen de Verenigde Staten in april van het jaar 1917 onder leiding van president Woodrow Wilson mee gingen vechten in de Eerste Wereldoorlog, kreeg het bureau in één klap meer werk voorhanden. Het bureau werd nu ook verantwoordelijk voor spionage en sabotage en stond het Ministerie van Arbeid bij, om onderzoeken te doen naar vijandige vreemdelingen. Tijdens deze periode groeide het aantal speciale agenten met algemene onderzoekskwaliteiten en een goede kennis van bepaalde talen.
Op 1 juli 1919 werd het voormalige hoofd van de geheime dienst, William Flynn (1867-1928), directeur van BOI. Flynn was de directeur van het bureau tot 21 augustus 1921. In dat jaar werden alle nieuwe bevoegdheden die het bureau kreeg door de oorlog die eindigde in 1909 (1919?), weer verwijderd, want dankzij president Warren Harding werd de buitenlandse politieke status van de Verenigde Staten weer neutraal.
De jaren tussen 1921 en 1933 waren erg criminele en anarchistische jaren. Dit tijdperk staat bekend als het gangstertijdperk (lawless years) waarin het aantal misdaden explosief toenam en ook de georganiseerde misdaad bloeide (o.a. de maffia). Dit tijdperk was niet echt belangrijk voor de groeiende jurisdictie van het bureau, aangezien veel van de gepleegde misdaden niet onder hun jurisdictie vielen, maar onder de controle van het Ministerie van Financiën. De meeste misdaden waren witwaspraktijken en belastingontduiking.
Omdat het bureau dus een gelimiteerde jurisdictie bezat, moesten zij erg creatief omgaan met zaken die een landelijke urgentie bezaten, maar een lokale jurisdictie. Zo werd Al Capone onderzocht als "vluchtende federale getuige". Door deze creatieve aanpak van onderzoeken, maar ook door traditionelere onderzoeken als neutraliteits- en antitrustschendingen, kreeg het bureau een hoge status.
Tijdperk Hoover Toen William J. Burns, een voormalige eigenaar van een detectivebedrijf, directeur van het bureau werd in 1921, benoemde hij J. Edgar Hoover als zijn assistent. Hoover was destijds 26 jaar oud en werkte pas 4 jaar bij het bureau. Zijn hoge status had hij toen bereikt door het feit dat hij in de Eerste Wereldoorlog de operaties rondom 'vijandige vreemdelingen' leidde en assisteerde bij de Algemene Inlichtingendienst die onderzoeken deden naar verdachte anarchisten en communisten.
Op 10 mei 1924 werd Edgar Hoover tot directeur van het Bureau of Investigation benoemd door de nieuwe minister van Justitie, H. Fiske. Omdat Hoover door jarenlange trainingen het Progressivisme had omarmd, was het bureau er verzekerd van dat deze traditie bij hen in leven gehouden zou worden.
thumb|J. Edgar Hoover, de langstzittende directeur van de FBI aller tijden
Hoover professionaliseert Toen Hoover in 1924 directeur bij het bureau werd, had het ongeveer 640 werknemers, waaronder ongeveer 440 speciale agenten die werkten op lokale veldkantoren in negen verschillende steden. Aan het einde van de jaren twintig had het bureau circa 30 lokale kantoren met subhoofdkantoren in New York, Baltimore, Cincinnati, Atlanta, Portland, San Antonio, Kansas City, Chicago en San Francisco. Hoover was erg serieus in zijn werk, zo ontsloeg hij elke speciale agent die hij ongekwalificeerd vond. Met zaken zoals speciale regels omtrent promotie, sterke controles van de lokale kantoren en subhoofdkantoren en de introductie van badges op uniformen als beloning, begon hij het bureau te professionaliseren.
In januari 1928 zette hij een officiële training voor nieuwe speciale agenten op, waarbij hij als criterium opgaf dat de nieuwe agenten tussen de 25 en 35 jaar oud moesten zijn en een rechten of bestuurlijke achtergrond moesten hebben. Dit zorgde ervoor dat er een nieuwe lichting speciale agenten bij het bureau kwam, die een brede achtergrond hadden en daarom meer konden doen dan andere agenten.
In de vroege jaren van Hoovers bestuur werd een ook nu nog belangrijk instrument van het Amerikaanse justitiële apparaat ingevoerd, een divisie Persoonsidentificatie. Binnen deze divisie werden landelijke dossiers samengesteld, waarin onder andere vingerafdrukken van verdachten en misdadigers opgeslagen konden worden. Zo werd het gemakkelijker om misdadigers nationaal op te zoeken en te volgen.
Al in 1905 werd er een bureau opgericht door het Ministerie van Justitie, waarin persoonsidentificatie op een nationaal niveau verzameld kon worden. In 1907 werd dit bureau echter, om geldbesparende redenen, verplaatst naar het gevangeniscomplex Leavenworth. Het persoonsidentificatiebureau werd nu bemand door misdadigers en omdat de lokale politiekantoren door het hele land dit maar een verdachte en vreemde actie van het ministerie vonden, begonnen zij dit persoonsidentificatiebureau te negeren en een eigen collectie van vingerafdrukken bij te houden. Zij weigerden elke samenwerking met het bureau in Leavenworth en het hele systeem van centraal en nationaal één vingerafdrukkencollectie invoeren, werd hierdoor overbodig.
Tot 1924, toen het Congres besloot om alle collecties door het hele land en het centrale bureau in Leavenworth samen te voegen tot één groot bureau, onder leiding van het Bureau of Investigation. Het duurde 19 jaar, maar uiteindelijk bestond er toch één centraal systeem van persoonsidentificatie.
Aan het einde van de jaren twintig was BOI sterk geprofessionaliseerd. Er was een goede opleiding voor speciale agenten, het bureau was vertegenwoordigd door het hele land via lokale veldkantoren en er was een goed toezicht op die kantoren. Het bureau had de controle over een nationaal persoonsidentificatie archief, er was een handboek voor alle speciale agenten en er was al een concept ontwikkeld voor een technisch laboratorium. Het bureau was goed uitgerust om een einde aan de lawless years te maken.
FBI wordt gevormd De naam Bureau of Investigation werd op 1 juli 1932 veranderd naar United States Bureau of Investigation (USBOI). Precies een jaar later begon het Ministerie van Justitie met een experiment waarbinnen ze een eigen onderzoeksdivisie gingen opzetten. Omdat er nogal veel verwarring ontstond tussen de Ministeriële speciale agenten en de speciale agenten van USBOI, werden de twee samengevoegd en werd de naam in 1935 veranderd in Federal Bureau of Investigation.