Het Korps Mariniers is het marine-infanteriekorps van de Koninklijke Marine en een van de oudste onderdelen van de Nederlandse krijgsmacht. De wortels van het korps zijn te herleiden tot het Regiment der Marine dat op 10 december 1665 op initiatief van raadpensionaris Johan de Witt en luitenant-admiraal Michiel de Ruyter werd opgericht. Van oudsher lag het voornaamste werkterrein van het Korps Mariniers buiten het moederland: aanvankelijk vooral op de vloot; later ook in de koloniën. Dit komt tot op heden tot uiting in de wapenspreuk: Qua patet orbis (Zo wijd de wereld strekt).
In de eenentwintigste eeuw is het korps een expeditionaire snellereactie-eenheid met de doelstelling dat ze overal ter wereld binnen 48 uur kan worden ingezet. Het uitvoeren van amfibische en speciale operaties behoort tot de kerntaken van het korps. Daarnaast zijn mariniers gespecialiseerd in het uitvoeren van operaties in arctische, bergachtige, jungle en woestijnomgevingen. Inzet van mariniers geschiedt vaak op en vanaf oorlogsschepen, op de grens van land en water. Het korps wordt sinds 1990 ook in toenemende mate ingezet bij operaties op land, veelal in het kader van vredesoperaties en crisisbeheersing. De kern van de operationele eenheden wordt gevormd door twee Marine Combat Groups (MCG's), elk ter grootte van een bataljon, en verschillende gevechtsondersteunende en logistieke elementen. Daarnaast fungeert Netherlands Maritime Special Operations Forces (NLMARSOF) als de speciale eenheid binnen het korps.
Sinds de oprichting in de zeventiende eeuw zijn mariniers ingezet in talrijke oorlogen en conflicten waaronder de Engels-Nederlandse oorlogen, de Spaanse Successieoorlog en de Tweede Wereldoorlog. Na 1992 zijn mariniers ingezet in het kader van stabilisatiemissies in onder meer Bosnië, Irak, Afghanistan en Mali. Daarnaast leverde het korps een belangrijke bijdrage aan de bestrijding van Somalische piraterij in de Golf van Aden door de inzet van zogeheten Vessel Protection Detachments (VPD's) aan Nederlandse koopvaardijschepen en boarding teams. Het Korps onderhoudt nauwe banden met de Royal Marines, het United States Marine Corps en het Seebataillon.
Geschiedenis Algemeen In de klassieke oudheid was de zeeoorlog vaak een voortzetting van de landoorlog, met dien verstande dat krijgshandelingen ter zee werden verricht door dezelfde soldaten als te land. Schepen probeerden elkaar te enteren, waarna soldaten het vijandelijke schip overmeesterden.
Omdat in de oudheid schepen in de Middellandse Zee meestal roeischepen (zoals de Trireem) waren, waren de bemanningen zowel roeier als soldaat. Later kwam er een functiescheiding tussen roeiers en soldaten. In sommige gevallen werden slaven of gevangenen gebruikt om galeien te roeien. Ook na de constructie van de ramsteven, waardoor het mogelijk werd andere schepen door rammen tot zinken te brengen, bleef het enteren van belang.
Met de komst van scheepsgeschut in de late middeleeuwen veranderde de zeeoorlog van karakter en verdwenen de soldaten van de schepen.
Nederland thumb|De Tocht naar Chatham in 1667, de eerste actie waaraan het Korps Mariniers deelnam In de 17e eeuw ging de Republiek ertoe over enkele infanterieregimenten onder gezag van de vloot te stellen. De infanteristen kregen de taak landingen op vijandelijk grondgebied uit te voeren. In 1627 werden op initiatief van luitenant-admiraal Philips van Dorp 1000 soldaten over schepen verdeeld, om vijandelijke schepen te kunnen enteren. Na de Vrede van Münster in 1648 verdwenen deze soldaten echter weer van de vloot.
Nadat een verzoek tot oprichting van een regiment zee-infanteristen in 1663 was afgewezen, werd in 1665 alsnog een regiment soldaten aan de marine toegewezen. Dit gebeurde op initiatief van raadpensionaris Johan de Witt en luitenant-admiraal Michiel de Ruyter. De eerste commandant was Willem Joseph van Ghent naar wie de Van Ghentkazerne in Rotterdam is vernoemd. 10 december 1665 wordt gezien als oprichtingsdatum van het Korps.
Het Regiment de Marine speelde een prominente rol tijdens de Tocht naar Chatham, de Nederlandse aanval op de Engelse oorlogsvloot en scheepswerven in juni 1667 tijdens de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog. De Nederlandse vloot bestond uit ongeveer zestig schepen en omvatte zo'n duizend mariniers. De Nederlanders stonden onder het bevel van admiraal Michiel de Ruyter met direct toezicht van Gedeputeerde te velde Cornelis de Witt, operationele voorbereidingen werden uitgevoerd door Willem Joseph van Ghent, kolonel der mariniers en luitenant-admiraal. Tijdens de slag bombardeerden de Nederlanders Sheerness, voeren de Theems op tot Gravesend, zeilden hierna de Medway op tot in Chatham, sinds 1560 de belangrijkste Engelse marinebasis, alwaar ze drie grote en tien kleine schepen tot zinken brachten en de HMS Unity en HMS Royal Charles, de trots en het vlaggenschip van de Engelse vloot, enterden en meesleepten naar Nederland. Het was het grootste verlies ooit voor de Engelse marine.
De mariniers vochten ook mee in de Derde Engels-Nederlandse Oorlog en Hollandse Oorlog. Op 29 juni 1672 werd na de Slag bij Solebay twee derde van de mariniers uit de vloot onttrokken en overgeplaatst naar een brigade om zo de inefficiënte landstrijdkrachten, die grotendeels uit huurlingen bestonden, te versterken in voorbereiding op een Engelse invasie. Deze mariniers keerden op tijd terug bij hun schepen om een Engelse invasie af te slaan door bij de Slag bij Kijkduin, op 21 augustus 1673, een Engels-Franse invasiemacht te verslaan. Onder leiding van Gerolf van Isselmuyden leverden mariniers bij de Slag bij Seneffe in 1674 wederom strijd tegen de Fransen.
thumb|left|300px|Het bombardement van Algiers, ter ondersteuning van het ultimatum tot vrijlating van blanke slaven, 26-27 augustus 1816 In 1704 waren de mariniers onderdeel van een Engels-Nederlandse vloot die onder leiding van Prins George van Hesse-Darmstadt Gibraltar veroverde en succesvol verdedigde. Deze samenwerking met het Koninkrijk Groot-Brittannië werd in 1816 nogmaals herhaald bij de Bombardementen op Algiers.
De Nederlandse steun voor Amerikaanse onafhankelijkheid leidde tot de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog alwaar de mariniers bij de Slag bij de Doggersbank in 1781 dienden.
Net als haar Britse evenknie is het korps gedurende meerdere periodes tijdelijk opgeheven. Zo werd het korps gedurende de Franse bezetting van Nederland, die duurde van 1810 tot 1813, tijdelijk opgeheven. Een nieuwe marinierseenheid werd op 20 maart 1801 opgericht onder de Bataafse Republiek en op 14 augustus 1806 werd onder koning Lodewijk Napoleon het Korps Koninklijke Grenadiers van de Marine opgericht. Het korps in haar hedendaagse gedaante dateert uit 1814 en ontving haar huidige naam in 1817.
Het korps heeft bijgedragen aan verschillende koloniale operaties van het Nederlandse Rijk, voornamelijk in Nederlands-Indië. De geleidelijke verovering van de kolonie en de consolidatie van de Nederlandse heerschappij vond ruwweg plaats vanaf de jaren 1850 tot vlak voor aanvang van de Eerste Wereldoorlog. De krijgsverrichtingen van de Atjehoorlog (1873-1914) en Bali worden vermeld op de vaandelopschriften.
De Tweede Wereldoorlog miniatuur|200px|'Zwarte duivels', komend van de Maasbruggen, na de capitulatie Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bevonden zich eenheden in Nederland, Nederlands-Indië, de Nederlandse Antillen en Suriname. Vooral bij de verdediging van de Maasbruggen in Rotterdam hebben mariniers een imponerende rol gespeeld. Een marinierseenheid die zich voorbereidde om naar Nederlands-Indië te worden uitgescheept verdedigde met succes de bruggen over de Maas en voorkwam hiermee dat de Fallschirmjäger konden aansluiten bij de conventionele Duitse infanterie.
Toen de Nederlandse capitulatie was getekend en de mariniers hun stellingen hadden verlaten was de lokale Duitse commandant verbaasd toen hij slechts een handvol troepen tevoorschijn zag komen in hun zwarte uniformen. Volgens sommige bronnen noemde de Oberleutnant de mariniers die schwarzen Teufel ('de zwarte duivels') vanwege hun donkerblauwe overjassen, zwartgeblakerde gezichten en moedige verzet.
Verdeeld in detachementen over de vloot, namen mariniers in 1942 deel aan de Slag in de Javazee, terwijl zij op Java als bataljon waren ingedeeld bij de 3e divisie. In pogingen de Japanners te weerstaan onderscheidden zij zich onder andere in de gevechten bij Kertosono.
Vanaf 1943 werd door het United States Marine Corps een nieuwe marinierseenheid, de Mariniersbrigade, naar Amerikaans model getraind en opgeleid op Camp Lejeune en Camp Davis in North Carolina, ter voorbereiding op amfibische landingen op het door het Japans Keizerrijk bezette Nederlands-Indië. In maart 1944 werden ongeveer 100 mariniers teruggestuurd naar Engeland en tijdelijk gedetacheerd bij de Prinses Irene Brigade, die onderbemand was. Deze eenheid ging op 6 augustus 1944 in Normandië aan land en nam deel aan de bevrijding van Zuid-Nederland. In juni 1945 werd de detachering opgeheven.Verrichtingen van de mariniers in de Tweede Wereldoorlog – zie 'beknopte Korpsgeschiedenis (PDF) De Japanners gaven zich over voor de amfibische landingen hadden kunnen plaatsvinden, nochtans werd de Mariniersbrigade, inmiddels volledig uitgerust en opgeleid, in 1945 met zes transporten naar Nederlands-Indië verscheept om de Indonesische nationalisten te bestrijden gedurende de Bersiap en latere Politionele Acties. De mariniers waren onderdeel van de A-Divisie, die bovendien geleid werd door een officier der mariniers.
thumb|left|170px|Wervingsaffiche voor de Mariniersbrigade
Ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog miniatuur|Landing van de Mariniersbrigade vanuit een Landing Ship Tank bij Pasir-Poetih, juli 1947 Van 1946 tot 1950 was het Korps Mariniers actief in Nederlands-Indië met de mariniersbrigade, een eenheid die ten tijde van haar grootste omvang circa 5000 man telde. Van november 1950 tot juli 1954 actief in Korea en vanaf november 1950 tot november 1962 was het korps ook actief in Nederlands Nieuw-Guinea, maar na de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië leek er geen bestaansrecht voor het korps meer te zijn.
Door het lidmaatschap van de NAVO, met daarin de nadruk op de beveiliging van de zeevaart op de Atlantische Oceaan, werd zelfs in de jaren 1960 gedacht het korps op te heffen. Door de oprichting van een koudweer-getraind peloton – het skipeloton – in het begin van de jaren 1970 werd dit voorkomen.Deze werd later geïntegreerd binnen de 45 Commando Royal Marines, als Whiskey Company Het skipeloton werd later uitgebreid tot volwaardige compagnie: de Whiskey Compagnie en werd geïntegreerd in de Britse 45 Commando Royal Marines, (1972 - 1991) onderdeel van 3th Commando Brigade Royal Marines. Hiermee kreeg het korps echter een nieuwe bestemming. Samen met troepen van NAVO-bondgenoten werden mariniers voortaan ingezet op de flanken van de NAVO. Aansluitend werd ook de 1e Amfibische Gevechtsgroep (AGGP)Amfibische Gevechtsgroep (AGGP) is de oude benaming voor een mariniersbataljon getraind voor optreden in Noorwegen en werd de 2e AGGP een onderdeel van de ACE Mobile ForceACE = Allied Command Europe, het Geallieerd Commando voor Europa, hoofdkwartier Bergen (België), onder bevel van een Amerikaans generaal en verantwoordelijk voor het grondgebied en het luchtruim van de Europese NAVO-landen, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. (Rapid Reaction Force).
Terrorisme in de jaren '70 miniatuur|Dienstplichtig marinier kijkt door het vizier van een Carl Gustav antitankwapen tijden NAVO-oefening Northern Wedding in 1978