Maarten Harpertszoon Tromp (Den Briel, circa 23 april 1598 – Slag bij Ter Heijde (Scheveningen), 10 augustus 1653) was een Nederlands zeevaarder en luitenant-admiraal in de Nederlandse marine. Tromp geniet faam als zeeheld in de Nederlandse geschiedenis.

De Nederlandse marine heeft verschillende schepen naar hem vernoemd.

Levensloop Jonge jaren Maarten Tromp werd op 23 april 1598 juliaanse kalender, 3 mei gregoriaanse kalender, gedoopt in de gereformeerde Sint-Catharinakerk van Den Briel als oudste kind van zeeofficier Harpert Maertenz en Jannetgen Barentsdochter Quack. Zijn vader, volgens een latere overlevering een naar zee weggelopen zoon van de Delftse regentenfamilie Van der Wel, zou zich vanaf 1607 "Van der Tromp" gaan noemen; wellicht in verband met het hieronder genoemde schip – de herkomst van de naam is onzeker en zij werd meestal ingekort tot een eenvoudig "Tromp". Tot 1606 bleef het gezin aan het Kolfslop te Brielle wonen; daarna verhuisde het naar de Gaperstraat in Rotterdam. Dit hing samen met de promotie, in mei 1606, van zijn vader tot kapitein bij de Admiraliteit van de Maze. Het is niet bekend welke opleiding Maarten genoot, maar hij leerde in ieder geval lezen, schrijven en rekenen.

Op zijn negende ging Tromp naar zee als scheepsjongen op de Olifantstromp, het fregat van zijn vader, dat in 1607 meedeed aan het offensief dat leidde tot de Slag bij Gibraltar. De Olifantstromp deed niet mee aan die slag zelf, maar was deel van het dekkingseskader dat op volle zee bleef kruisen. Tot in 1610 bleven vader en zoon Tromp patrouillediensten uitvoeren, meestal op Het Kanaal. Dat jaar werd aan Tromps vader eervol ontslag verleend wegens het Twaalfjarig Bestand.

Die zomer nog voer Tromp met zijn vader, die inmiddels koopman was geworden, naar Guinee. Onderweg raakte hun schip slaags met zeven zeeroversschepen. Zijn vader werd gedood door een kanonskogel, waarna het schip geënterd werd en de bemanning zich ondanks aansporingen van Tromp de strijd voort te zetten, overgaf. Tromp werd slaaf te Salé maar na twee jaar door Easton vrijgemaakt. Over de precieze omstandigheden van zijn slavernij is niets bekend. Later werd het meestal zo voorgesteld dat de "Easton" in kwestie de beruchte Britse piraat Peter Easton zou zijn geweest, en dat Tromp bij de piraten als kajuitsjongen gediend had terwijl ze Salé als basis gebruikten, totdat ze voor Savoye gingen werken. In feite gebruikte Peter Easton in die tijd echter Bristol en Newfoundland als basis en deed zijn afscheid van het piratenleven zich pas in 1614 voor. Omdat er verder geen zeerover Easton bekend is, heeft men wel verondersteld dat het ging om een, overigens ook onbekend, schip de Easton.

Na thuiskomst, in 1612 of 1613, ging Tromp tegen zijn zin tijdelijk werken op een Rotterdamse werf om zijn moeder en drie zusters te onderhouden; in 1614 moest hun huis verkocht worden. In 1616 was hij weer terug op de koopvaart en maakte, misschien voor eigen rekening, een tocht naar Rouen, samen met schipper Cornelis Cornelissen de Haes uit Rotterdam. In 1617 nam hij voor acht gulden per maand als kwartiermeester dienst bij de marine, onder Lambert Hendricksz (Mooy Lambert) op de konvooivaart. In 1618 ging hij met Hendricksz mee op een expeditie tegen Algiers en Tunis. Hij werd op die tocht bevorderd tot stuurman. Daarna in mei 1619 zijn carrière weer zoekend in de koopvaart, op de Tuchthuis van schipper Hendrick Thijszoon, werd hij op weg naar huis na zijn ontslag in 1621 opnieuw voor een jaar gevangengenomen, nu door de Tunesiërs. De bey van Tunis, Joessoef Reis (ofwel John Ward), bood hem een positie in zijn vloot aan, maar die weigerde Tromp, welke standvastigheid de bey bewoog hem vrij te laten. In de zomer van 1622 reisde hij via Londen weer naar huis.

Voor de derde maal bij de marine miniatuur|Gravure van Maarten Harpertszoon Tromp Op 23 juli 1622 ging Tromp bij de vloot als luitenant op de brik Bruynvisch bij de Admiraliteit van de Maze, onder kapitein Cornelis Cornelissen de Bagijn. Dat jaar en in 1623 was dit schip betrokken bij aanvallen op de Spaanse kust. Op 1 januari 1624 werd Tromp overgeplaatst naar een schip, van kapitein Dirck Gerritszoon Verburgh, dat deel uitmaakte van de blokkadevloot tegen Duinkerke. Op 7 mei 1624 huwde hij, na een ondertrouw op 14 april, in Brielle Dignom Cornelisdochter de Haes, de in 1599 geboren dochter van bovengenoemde schipper. Het echtpaar ging aan de Voorstraat in Brielle wonen en kreeg drie zonen: Harpert (1627), Cornelis (1629) en Johan (1632).

Op 6 juni 1624 werd Tromp kapitein op het jachtschip de St. Antonius, tot spijt van viceadmiraal Mooy Lambert die hem graag als opperstuurman op zijn eigen vlaggenschip had willen hebben. Dat jaar beschermde hij haringbuizen en werd berispt toen hij zes weken te vroeg naar huis voer omdat hij t'eijnde van sijne kaes was geweest. In februari 1625 werd hij kapitein van het fregat Gelderland, een veel groter schip van 24 kanonnen, in de blokkadevloot tegen Duinkerke. Dat jaar en in 1626 begeleidde hij troepentransporten uit Frankrijk en de gebruikelijke handelsvloten. In de zomer van dat laatste jaar werd hij ernstig ziek maar herstelde weer. Op 31 december kocht hij een veel duurder huis aan de Leuvehaven in Rotterdam. Op 29 maart 1627 sloeg hij bij Plymouth een aanval van vijf Duinkerker kapers op een konvooi af, zijn eerste belangrijke gevecht als kapitein. In 1628 ging het begeleiden verder.

De Kleine Visserij deed een verzoek Tromp te benoemen als commandeur van hun beschermingsschepen, maar in april 1629 werd hij luitenant-admiraal en Piet Heins vlaggenkapitein op de Vliegende Groene Draeck. Hein had hem speciaal voor die functie uitgezocht omdat Tromp volgens hem de enige officier was waarin werkelijk geen enkele fout te ontdekken viel: Dat hij veele kloekmoedige kapiteijnen hadt gekent, doch in deselven altijdt eenigen misslagh gevonden, maer nooit in Tromp, in wien hij alle deughden erkende, die in een zeeoverste worden vereischt. De samenwerking duurde echter niet lang: het kwam in juni tot een slag met een flottielje Oostender kapers, waarbij Hein sneuvelde. Tromp zette het gevecht voort en veroverde drie schepen; hiervoor kreeg hij van de Staten van Holland een gouden ereketen.

In juli 1629 koos Tromp, nog steeds op de Vliegende Groene Draeck terwijl er geen nieuwe luitenant-admiraal benoemd was, weer zee onder viceadmiraal Jasper Liefhebber om de haringvloot te beschermen. Tromp veroverde dat jaar twee Duinkerkers. Dit soort successen maakte grote indruk – de meeste kapiteins plachten in hun hele carrière niet één kaper te vangen – en de admiraliteit gaf Tromp nog eens een gouden keten, van driehonderd gulden. Toen Liefhebber voorstelde om de Draeck maar voorlopig zijn vlaggenschip te laten zijn, wezen de Rotterdamse raden dat af; het zou wel heel dom en ondankbaar zijn een Capiteijn van soo goet beleijt ende couragie, als wij der één in dienst sijn hebbende, het ongelijck soude doen van hem van sijn onderhebbende schip af te stellen. Liefhebber voelde zich hierdoor als een jonghen ofte bengel behandeld en legde de zaak voor aan de Staten-Generaal. De Admiraliteit van de Maze verdedigde haar beslissing met de stelling dat Tromp om sijn goede exploicten met het voorsegde schip alreede gedaen, van alle de werelt bemind ende gerespecteerd wert. De Staten-Generaal beslisten ten gunste van Tromp en deze werd zelfs commandeur van een eigen kruiseskader om in een winteroffensief tegen de Duinkerker kapers te patrouilleren, terwijl Liefhebber voorlopig thuisbleef om zijn schip de Prins Hendrik gevechtsklaar te maken. Tromp was die winter weer zeer succesvol; zijn eskader nam vijf Duinkerkers. Hij deed daarvan, een grote eer, in het voorjaar van 1630 persoonlijk verslag bij de Staten-Generaal die hem met een derde gouden ereketen beloonden. Grote promotie zat er echter niet meer in; de onbekwame edelman Filips van Dorp was onder politieke druk van stadhouder Frederik Hendrik opnieuw tot, voorlopig waarnemend, luitenant-admiraal benoemd. Als troostprijs benoemde Frederik Hendrik, die daartoe als admiraal-generaal het recht had, Tromp op eigen initiatief tot gewoon kapitein; een van de zestig kapiteins in vaste dienst.

Teleurstellingen In de jaren daarna moest Tromp veel tegenspoed verduren. Een seizoen konvooidienst in 1630 leverde maar één Duinkerker schip op. In maart 1631 raakte Tromp slaags met twee Duinkerkers maar merkte toen tot zijn verbijstering dat viceadmiraal Liefhebber hem met zijn Prins Hendrik voorbij voer zonder assistentie te verlenen. Toen Tromp daarover protesteerde bij de stadhouder en de Staten-Generaal, bleek dat Liefhebber geheime orders van de admiraliteit gekregen had om voorrang te geven aan de begeleiding van een belangrijk konvooi. Om het goed te maken gaf men Tromp een vierde gouden keten, hoewel het gevecht niets had opgeleverd. In oktober van dat jaar werd Liefhebber zwaar ziek en raadde de Staten-Generaal aan Tromp tot waarnemend viceadmiraal te benoemen. Liefhebber genas weer voordat Tromp deze functie op zich kon nemen. In november liep de Draeck door een loodsfout op een zandbank bij Vlissingen en verging. Tromp moest hierdoor zes maanden aan wal blijven. Er waren twee zware schepen in aanbouw: de Aemilia en de Maeght van Dordrecht die als eerste klaar zou zijn; dit laatste schip werd aan Tromp toegezegd. Deze voorkeursbehandeling werd de admiraals echter te gortig. Van Dorp had Tromp alleen de Draeck gegund in afwachting van een eigen beter vlaggenschip; nu wilde hij niet langer wachten en ook geen tweede viool gaan spelen met Tromp als vlaggenkapitein. Uiteindelijk zou Van Dorp de Aemilia krijgen, Liefhebber de Maeght van Dordrecht en Tromp de oude Prins Hendrik. De jaren 1632 en 1633 verliepen zonder duidelijke successen, onder meer door politieke conflicten over de vraag of de hoofdtaak van de vloot de konvooidienst of de blokkade moest zijn.

Op 20 november 1633 overleed Tromps eerste vrouw; hij zou nog kapitein worden van het nieuwe schip de Swarte Leeuw maar verliet de marine plotseling op 30 mei 1634 en hertrouwde op 12 september 1634 met Alijth Jacobsdochter Arckenboudt, een in 1602 geboren dochter van een schepen en belastingontvanger uit Den Briel. Tromp werd diaken bij een kerk in Rotterdam.

miniatuur|Bronzen buste van Maarten Tromp in het Marinemuseum (Den Helder)

Druk om voor de vierde maal in zeedienst te gaan Het verlies van haar beste kapitein zat de Admiraliteit van Rotterdam helemaal niet lekker. Dat werd nog verergerd door een onverwachte crisis in augustus 1635; de Duinkerker kaperadmiraal Jacques Colaert glipte met twintig schepen langs de blokkadevloot en nam 89 haringbuizen. In de Hollandse steden brak een oproer uit en het huis van Liefhebber werd bijna geplunderd. In de nacht van 27 september werd Tromp door een delegatie van de Staten van Holland letterlijk van zijn bed gelicht. Ze voerden hem die ochtend naar de antichambre van, de afwezige, Frederik Hendrik bij de Statenzaal in Den Haag en poogden hem met smeekbeden, vleierijen en een beroep op zijn vaderlandsliefde hun aanbod te laten aanvaarden: Tromp zou viceadmiraal worden bij de Admiraliteit van de Maze, de Aemilia als vlaggenschip krijgen en een achterstallige rekening van 14.661 guldens aan victualiëngelden ("kostpenningen") zou meteen voldaan worden. Tromp weigerde echter, ook na een nieuw verzoek op 3 oktober waarvoor de Staten letterlijk carte-blanche hadden gekregen van de stadhouder – hij zond ze een lege ondertekende commissiebrief die ze zelf konden invullen; als ze wilden, mochten ze Tromp ook luitenant-admiraal maken – met als argument dat hij het Liefhebber en Van Dorp niet kon aandoen om met haere respective schepen in see te gaen ende haerluyden tot spott van de geheele werelt aen lant te laten wandelen. Van Dorp zei hierop: Soo Tromp dat versouck ende presentatie hadde aengenoemen, soude hem in 't schip comende de beenen aen stucken slaen.