De Cité van Carcassonne (Occitaans: Ciutat de Carcassona) is een middeleeuwse citadel, gelegen in de Franse stad Carcassonne in het departement Aude, in de regio Occitanië. Het is gelegen op de rechteroever van de rivier de Aude, ten zuidoosten van de huidige stad.
Deze middeleeuwse vestingstad, waarvan de oorsprong teruggaat tot de Gallo-Romeinse periode, dankt haar roem aan de dubbele omwalling, bijna 3 km lang en met 52 torens, die hoog boven de vallei van de Aude uitsteekt. De stad omvat ook een kasteel (het Château Comtal) en een basiliek (de basiliek Saint-Nazaire).
De Cité van Carcassonne werd behoed voor vernietiging door het optreden en de vasthoudendheid van de archeoloog Jean-Pierre Cros-Mayrevieille en werd in de 19e eeuw op soms controversiële wijze gerestaureerd onder leiding van Viollet-le-Duc en vervolgens door Boeswillwald. Sinds 1997 staat het op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO. Het Château Comtal, de vestingwerken en de torens zijn van de staat en worden beheerd door het 'Centre des monuments nationaux', terwijl de omwalling naar het kasteel en de rest van de Cité deel uitmaken van de gemeente.
Geografische ligging miniatuur|Vluchtige schets van Eugène Viollet-le-Duc die de ligging van de Cité laat zien De Cité van Carcassonne ligt op de rechteroever van de Aude bij de stad Carcassonne die ten westen ligt. Het bevindt zich tussen de Montagne noire en de Pyreneeën op de verbindingsweg tussen de Middellandse zee en de Atlantische oceaan. Deze twee bergen vormen de ‘gang van Carcassonne’, een naam die vaak gebruikt wordt wanneer klimatologen het hebben over de wind die door deze ‘gang’ waait. Deze ligging is dus een strategische plek in het zuiden van Frankrijk die het mogelijk maakt om de belangrijkste verbindingsweg in de gaten te houden: in het noorden in de richting van de Montagne noire, in het zuiden in de richting van Les Corbières, in het westen in de richting van de Plaine du Lauragais en in het oosten de wijnbouwvlakte in de richting van de Middellandse Zee.
De Cité is gebouwd op een kleine vlakte die ontstaan is door het uitdiepen van de Aude, op ongeveer 150 meter hoogte boven ‘la ville basse’ (de benedenstad). De eerste omwalling, die gebouwd is door de Visigoten, volgt de zinkgaten van het gebied. Deze vlakte komt los van het massif des Corbières in de gemeente Palaja op 260 meter hoogte, komt op 148 meter hoogte door de Cité en eindigt zijn route in de Aude op 100 meter hoogte. Aan de westkant is de helling vrij steil, waardoor de Cité moeilijk toegankelijk is voor potentiële aanvallers. In het oosten is de helling minder steil en is de plaats makkelijk toegankelijk voor goederen, maar ook voor aanvallers. De belangrijkste verdedigingsmechanismen bevinden zich dan ook aan deze kant van de stad.
Historisch Geschiedenis van de stad De Cité was achtereenvolgens een protohistorische stad, een Gallo-Romeinse stad, een versterkte vesting van de Visigoten, een graafschap, daarna een burggraafschap en uiteindelijk een rechtsgebied van een seneschalk. Deze fases tussen de Romeinse tijd en de middeleeuwen hebben allemaal een stempel gedrukt op de gebouwen die deze stad vormen.
Van de Gallo-Romeinen tot de Visigoten Bij archeologische opgravingen zijn resten blootgelegd van een versterkte burcht, de burcht Carcaso, vlak bij de huidige Cité. Uit de overblijfselen van Campaans aardewerk en kruiken blijkt dat deze plek toen al een kruispunt was op een handelsroute. Rond 300 voor Christus nemen de Volques Tectosagen, de regio in bezit en versterken ze de burcht van Carcasso. Plinius de Oudere vermeldt de burcht al in zijn geschriften onder de naam Carcaso Volcarum Tectosage. Ze haalden al goud uit de Salsigne-mijn om offers te brengen aan hun goden.
In 122 voor Christus hebben de Romeinen de streek geannexeerd, die deel zou gaan uitmaken van de Narbonne-nederzetting die in 118 voor Christus werd gesticht. De Romeinen zijn er al bekend, omdat hun kooplieden al tweehonderd jaar door de streek reizen. Tijdens de Pax Romana wordt het Gallo-Romeinse stadje Carcaso de voornaamste plaats van de nederzetting Julia Carcaso en floreert het waarschijnlijk door de wijnhandel en de ligging op de verbindingswegen. Het grenst namelijk aan de Romeinse weg van Narbonne naar Toulouse terwijl de platbodems op de Atax varen, aan de voet van de burcht. De burcht is vergroot door ophoging van straten en steegjes met een stelselmatig stratenplan, maar geen enkele openbare plaats of religieus monument is nu nog te zien. Deze agglomeratie loopt langs de Romeinse weg, aan de voet van de burcht.
Vanaf de derde eeuw verschuilt de stad zich achter een aantal vestingmuren. In 333 na Christus wordt in geschriften van een pelgrim het castellum van Carcassonne genoemd. Deze muren zijn nog steeds zichtbaar in sommige delen van de omwalling en dienen als fundering voor de huidige muren. De torens van La Marquière, Samson en Moulin d'Avar zijn gedeeltelijk intact en zijn een bewijs van deze primitieve omwalling. Deze muur beschermt de stad tegen aanvallen van buitenaf en laat tegelijkertijd de controle toe over de lagergelegen Romeinse doorgangswegen.
Halverwege de vijfde eeuw nemen de Visigoten bezit van de Languedoc, waarschijnlijk dankzij de overwinning van Athaulf tijdens zijn mars naar Toulouse. Tussen 413 en 435 wordt de stad waarschijnlijk afwisselend bezet door het Romeinse leger en het Visigotische leger, afhankelijk van de allianties en hun wijzigingen. De stad komt beetje bij beetje tot een relatieve politieke rust die duurt tot het bewind van Alarik II. Deze rust blijkt uit het grote aantal munten van de Visigotische vorsten uit die periode. In 507 verdrijven de Franken de Visigoten uit Aquitanië, maar deze laatste behouden Septimanië, waarvan de stad Carcassonne deel uitmaakt. In 508 doet Clovis, tevergeefs, een aanval op de Cité. In 585 doet Gontran, Frankische koning van Bourgondië, wel een succesvolle aanval op de stad. Maar de Visigoten nemen kort daarna de stad over en blijven over de Cité heersen tot 725. In de loop van de zesde eeuw wordt Carcassonne samen met Agde en Maguelonne een bisdom. Er wordt dan een Visigotische kathedraal gebouwd, waarvan niet bekend is waar die precies lag.
In 725, tijdens de invasie van Septimanië door de Saracenen, neemt moslim-wali Ambiza Carcassonne in beslag. De Cité blijft tot 759 in islamitische handen, daarna wordt het ingenomen door de Franken onder leiding van Pepijn de Korte. De legende van Madame Carcas uit de 16e eeuw is op deze gebeurtenis geïnspireerd.
Het feodale tijdperk Het begin van de feodaliteit gaat gepaard met de uitbreiding van de stad en de verdedigingswerken. Het wordt ook gekenmerkt door de bouw van de kathedraal vanaf 1096 en de bouw van het Château Comtal in de 12e eeuw. Oorspronkelijk bestaat dit kasteel uit twee hoofdgebouwen. In 1150 wordt een kapel toegevoegd, waardoor rond de centrale binnenplaats een u-vorm ontstaat. Rond 1240 komt er een tweede verdieping op het kasteel. Het is ook de periode van de graven van Carcassonne. De eerste graaf die benoemd wordt door de Karolingen is Bellon. Hij wordt opgevolgd door Oliba II. De graven leiden de streek namens het Karolingische koninkrijk. In de negende eeuw komt de Latijnse term Cité de Carcassonne regelmatig voor in teksten en officiële handvesten. Door problemen van het huis van Barcelona, de rechtmatige eigenaar van de stad, krijgt het huis Trencavel de kans om de stad in 1082 in te nemen. De Trencavel-dynastie voegt de stad bij een groot gebied dat zich uitstrekt van Carcassonne tot Nîmes.
Bernard Ato IV Trencavel, burggraaf van Albi, Nîmes en Béziers heeft de stad doen bloeien en vele gebouwen neergezet. In deze periode vestigt een nieuwe religie, het katharisme, zich met succes in de Languedoc. De burggraaf van Trencavel geeft in 1096 toestemming om de Sint-Nazaire basiliek te bouwen. De stenen die hiervoor gebruikt worden, worden ingezegend door paus Urbanus II. In 1107 willen de inwoners van Carcassonne niets meer weten van de suzereiniteit van Bernard Ato, die beloofd had de stad terug te geven aan de oorspronkelijke eigenaar Raimond-Bérenger III van Barcelona en ze geven gehoor aan de oproep van de graaf van Barcelona om hem te verjagen. Maar Bernard Ato neemt met hulp van Bertrand van Toulouse de macht over de Cité over. In 1120 komen de inwoners van Carcassonne opnieuw in opstand, maar Bernard Ato herstelt enkele jaren later de orde. In 1130 geeft hij opdracht tot de bouw van het Château Comtal, dat bekend staat als palatium en tot het herstel van de Gallo-Romeinse vestingmuren. Vanaf dat moment wordt de Cité van Carcassonne omringd door haar eerste volledige vestingwerk.
miniatuur|Paus Innocentius III, initiatiefnemer van de Albigenzische kruistocht in 1208
In dat tijdperk is de Cité rijk en heeft het tussen de 3.000 en 4.000 inwoners, met daarbij inbegrepen de bewoners van de twee dorpen die onder de stadsmuren zijn gebouwd: het dorp Saint-Vincent ten Noorden en Saint-Michel ten zuiden van de porte Narbonnaise. In 1192 krijgt de stad een consulaat, bestaande uit notabelen en burgers, dat belast is met het besturen van de stad en vervolgens in 1229 gewoonterecht krijgt.
In 1208 roept paus Innocentius III, die geconfronteerd werd met de opkomst van het katharisme, de feodale heersers uit het Noorden op om een Albigenzische kruistocht te beginnen. De graaf van Toulouse, die beschuldigd is van ketterij, en zijn vazal de burggraaf van Trencavel zijn het doelwit van de aanval. Op 1 augustus 1209 wordt de stad belegerd door de kruisvaarders. Raimond-Roger Trencavel geeft zich zeer snel over, op 15 augustus, in ruil voor het leven van zijn inwoners. De dorpen rond de stad zijn vernietigd. De burggraaf sterft op 10 november aan dysenterie in de gevangenis van zijn eigen kasteel. Andere bronnen spreken van een door Simon van Montfort georganiseerde moord, maar dat is niet zeker. Vanaf dat moment dient de stad als hoofdkwartier van de kruisvaarders.
Het land wordt aan Simon van Montfort gegeven, hoofd van het kruisvaarders-leger. Hij overlijdt in 1218 tijdens de belegering van Toulouse en zijn zoon, Amaury VI van Montfort, neemt bezit van de stad, maar blijkt niet in staat deze te besturen. Hij geeft zijn rechten af aan Lodewijk VIII van Frankrijk, maar Raymond VII van Toulouse en de graven van Foix bundelden hun krachten tegen hem. In 1224 neemt Raimond II Trencavel na de ontsnapping van Amaury bezit van de stad. In 1226 wordt een tweede kruistocht ondernomen door Lodewijk VIII en Raimond Trencavel moet vluchten. De stad Carcassonne maakt nu deel uit van het staatsbezit van de koning van Frankrijk die er een seneschalk benoemt. In de stad ontstaat een periode van terreur. Met de vestiging van de inquisitie en de jacht op de Katharen, neemt het aantal brandstapels en aanklachten die in het wilde weg gedaan worden toe. Het huis van de inquisitie is nog steeds te zien binnen de stadsmuren.
Het koninklijke tijdperk miniatuur|Bezoekers op de omwalling die gebouwd is in het koninklijke tijdperk