Caelestiventus is een geslacht van uitgestorven pterosauriërs, behorend tot de Macronychoptera, dat tijdens het Laat-Trias leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika. De enige benoemde soort is Caelestiventus hanseni.
Vondst en naamgeving In 2007 werd door Daniel J. Chure en George F. Engelmann in het noordoosten van Utah een beenderbed van kleine gewervelden aangetroffen, de Saints & Sinners Quarry. Deze Lagerstätte wordt sinds 2009 uitgegraven en leverde in 2016 reeds 11 500 specimina op; in 2018 was het gestegen tot achttienduizend. Tot de meest bijzondere vondsten behoort een zeldzaam skelet van een pterosauriër dat in 2015 in de literatuur gemeld werd. Het was toen pas het achtentwintigste pterosauriërspecimen uit het Trias, waarvan de meeste ook nog eens bestaan uit zeer fragmentarische resten. Geen enkel zeker pterosauriërfossiel was nog uit het Trias van Noord-Amerika aangetroffen.
In 2018 werd de typesoort Caelestiventus hanseni benoemd en beschreven door Brooks Bradley Britt, Fabio Marco Dalla Vecchia, Daniel Joseph Chure, George F. Engelmann, Michael F. Whiting en Rodney Dwayne Scheetz. De geslachtsnaam is een combinatie van het Latijn caelestis, 'hemels', en ventus, 'wind', als verwijzing naar de vliegende levenswijze van pterosauriërs. De soortaanduiding eert Robin L. Hansen, geoloog van het Bureau of Land Management, die de Saints & Sinners Quarry vrijgaf voor onderzoek.
Het holotype BYU 20707 is gevonden in een laag van de Nugget Sandstone die vermoedelijk dateert van de grens tussen het Norien en Rhaetien, ongeveer 208 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet met schedel. Bewaard zijn gebleven: het linkerbovenkaaksbeen verbonden met het jukbeen, het rechterbovenkaaksbeen, het schedeldak met hersenpanindrukken, beide onderkaken, het vierde kootje van de vierde vinger van de rechtervleugel en drie niet te determineren fragmenten. De botten werden gevonden op een oppervlakte van één vierkante meter, meer precies: vijfendertig bij negentig centimeter. Ze lagen niet in verband maar wel min of meer bijeen. Ze waren echter gemengd met honderden andere botfragmenten. Men nam aan dat het om één individu ging wegens de zeldzaamheid van pterosauriërfossielen en het gebrek aan overlappende elementen. Verwarring met botten van andere groepen achtte men uitgesloten wegens de typische dunte van pterosauriërbotten. Het betreft wellicht een jongvolwassen dier daar de botnaden niet overal zijn gesloten. De beenderen zijn niet sterk platgedrukt. De fossielen maken deel uit van de collectie van de Brigham Young University. Van de schedel werd een model gemaakt dat echter in 2018 al weer als verouderd werd beschouwd.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken De vleugelspanwijdte van Caelestiventus is, gebaseerd op een vergelijking met Dimorphodon, geschat op minstens anderhalve meter. Extrapolatie uit het vleugelkootje alleen zou zelfs een vlucht van twee meter opleveren maar de schedel wijst op een wat kleinere omvang. Ook een schatting van anderhalve meter zou het de grootste bekende pterosauriër uit het Trias maken. Een dier met een spanwijdte van twee meter zou ongeveer tien kilogram wegen.
De beschrijvers stelden verschillende onderscheidende kenmerken vast. Het jukbeen heeft een vierkant profiel en is hoog, waarbij de onderrand van de oogkas half zo hoog is als de achterrand van de fenestra antorbitalis, terwijl de binnenzijde versterkt wordt door een schuine richel die doorboord wordt door een pneumatische opening. De oogkas is klein en schuin naar voren en bezijden gericht. Het schedeldak is breder lang en heeft aan de achterzijde een dwarskam met een C-vormig profiel in bovenaanzicht welke een driestralige structuur vormt met richels voor de sluitspieren die krommend samenlopen op een punt in het midden van de dwarskam. De voorste tak van het neusbeen loopt schuin naar boven. De tanden in het bovenkaaksbeen zijn bladvormig en overdwars afgeplat met verticale middenrichels op zowel de buitenzijde als binnenzijde. Onder de opgaande tak van het bovenkaaksbeen en aan de achterste tak hebben de tanden tussenruimten die veel korter zijn dan de kroonbreedte terwijl de tanden aan de voorste tak veel verder uit elkaar staan. De binnenzijde van de onderkaak heeft een kleine ovale fossa Meckeliana. De eerste twee tanden van de onderkaak zijn groot en worden gevolgd door achtendertig kleine tandjes met overdwars afgeplatte driehoekige symmetrische kronen die naar achteren in de reeks in grootte afnemen.
Daarnaast zijn er twee kenmerken waarvan het niet zeker is of Caelestiventus ze eigenstandig heeft ontwikkeld. Aan de achterrand van de fenestra antorbitalis, op het jukbeen, bevindt zich een smalle uitholling. Dat is een zeer basaal kenmerk, wellicht ook aanwezig bij Carniadactylus rosenfeldi, waarvan het in principe mogelijk is dat het een symplesiomorfie betreft maar dat waarschijnlijker een terugkeer naar de voorouderlijke toestand vertegenwoordigt. Het vleugelkootje heeft een groeve in de achterrand voor aanhechting van het vleugelmembraan. Dat is juist een afgeleid kenmerk dat tot nu toe voor het eerst bij de Rhamphorhynchidae opdook. Hoewel Caelestiventus daar volgens de analyse van de beschrijvers niet direct aan verwant is, werd het voorzichtigheidshalve niet gegeven als autapomorfie.
Skelet Schedel thumb|upright=1.7|Het model van de schedel van Caelestiventus De schedel, zoals gereconstrueerd, heeft een lengte van achttien centimeter. Wellicht is hij relatief wat korter dan bij Dimorphodon. Een opvallende overeenkomst met die vorm is de grote hoogte. Terwijl de meeste pterosauriërs erg lage schedels hebben als de mogelijke schedelkam buiten beschouwing gelaten wordt, is de kop bij dimorphodontiden uitgesproken bol van profiel. Bij Caelestiventus was dit kenmerk, gezien de oplopende voorste tak van het neusbeen, wellicht extra sterk ontwikkeld. Bij het eerste model werd dit nog niet onderkend. In de schedel bevinden zich grote schedelopeningen. Als de snuit inderdaad zo bol was, impliceert dit dat het benige neusgat zeer groot was, ongeveer even groot als de fenestra antorbitalis en de oogkas samen. Het moet ongeveer het profiel van een haaienvin gehad hebben. Van het neusgat gescheiden door een lange dunne naar achteren hellende opgaande tak van het bovenkaaksbeen, is de volgende schedelopening de fenestra antorbitalis. Die opgaande tak is bewaard gebleven en daarmee is het profiel van dit venster vrij zeker: het vormt een grote driehoek met de punt naar boven gericht. De vorm van de oogkas is veel minder duidelijk. Bij een eerste reconstructie werd gedacht dat het profiel dat van een driehoek was met de punt naar beneden gericht maar later begreep men dat het jukbeen een hoog hoofdlichaam heeft wat betekent dat ook de oogkas hoog ligt en vrij klein is. Een eigenaardigheid is dat de oogkas iets schuin naar voren gericht is zodat een mate van binoculair zicht bestaan moet hebben. Hoewel dat zeer nuttig lijkt voor een vliegend dier, is dat kenmerk nooit eerder in de Pterosauria aangetroffen. Achter de oogkas bevindt zich een onderste slaapvenster. De voorrand daar van wordt gevormd door het jukbeen en is dus bekend maar de achterrand niet. Als het quadratum verticaal stond als bij Dimorphodon, kan de schedel zich niet ver naar achteren hebben voortgezet en was het onderste slaapvenster smal en hoog. In bovenaanzicht moet de schedel smal geweest zijn gezien de geringe breedte van het schedeldak en de geringe kromming naar binnen van de achterste onderkaken.
Het voorste snuitbeen, de praemaxilla, is onbekend. Het zou normaal zijn als het vier tanden droeg en die zijn als zeer groot en lang gereconstrueerd zodat ze een grijporgaan vormden met de overeenkomende, wel bekende, lange tanden van de voorste onderkaak. Achter de praemaxilla bevindt zich de maxilla oftewel het bovenkaaksbeen. Dit is driestralig. Er is een vrij lange voorste tak naar de praemaxilla toe en het vormt daarmee een belangrijk deel van de achterste onderrand van het neusgat net als bij Dimorphodon maar anders dan bij typische basale pterosauriërs. De dunne opgaande tak helt onder een hoek van 125° tot 130° naar achteren. Een verticaal langwerpig foramen voor een aderkanaal doorboort de wat verbrede onderste basis van de tak. Ook dit is als bij Dimorphodon maar is mede te vinden bij de basale vorm Preondactylus. Aan de binnenkant van het bovenkaaksbeen liggen evenwijdig aan de rand van de fenestra antorbitalis meerdere ovale uithollingen. Een diepere uitholling ligt daar wat lager onder de basis van de opgaande tak, boven een naar achteren gekromde richel. Deze werden door de beschrijvers geïnterpreteerd als pneumatische structuren, gevormd door de uitlopers van de luchtzakken van het ademhalingssysteem. Meestal zijn die slecht waarneembaar doordat de fossielen zo platgedrukt zijn. Caelestiventus is daarmee de oudste pterosauriër die er eenduidig bewijs voor toont. Het jukbeen is hoger dan bij enige andere bekende pterosauriër; de vorige recordhouder was Parapsicephalus. Het hoofdlichaam is versterkt door een verdikte voorrand en door een diagonale dunne richel op de binnenzijde die van voren en beneden naar achteren en boven loopt. Die voorrand heeft ook een smalle hoge fossa, een verdieping van de buitenste zijde uit. De bovenrand van het jukbeen, tevens de onderrand van de oogkas, is hol en ligt op hetzelfde niveau als het midden van de opgaande tak van het bovenkaaksbeen. Dit impliceert dat de oogkas hoog ligt en rond is, anders dan bij Dimorphodon waar de orbita een punt naar beneden bezit. In eerste instantie werd de richel aan de binnenzijde aangezien voor de onderrand maar me kon niet verklaren wat dan de beenplaat daarboven kon zijn geweest; gezien de geringe compressie van de botten was het niet aannemelijk dat het om een intern schedeldeel ging, zoals een verbeend tussenschot van de oogkassen of de pterygoïde vleugel van het quadratum, of om een stuk van het jukbeen van de tegenzijde.
Het neusbeen is langwerpig en slank met een lange achterste tak richting voorhoofdsbeen. De voorste tak splitst zich en omvat de bovenste achterhoek van het benige neusgat. De voorste tak gaat aan de basis schuin omhoog wat een aanzienlijke bolling boven het achterdeel van het neusgat impliceert; volgens de beschrijvers was de snuitpunt dan juist weer wat minder bol dan bij Dimorphodon, ervan uitgaand dat die in een scherpe punt eindigde. De voorhoofdsbeenderen en wandbeenderen zijn tot één geheel vergroeid. In bovenaanzicht vormen ze samen een brede zeshoek. Het schedeldak is gewelfd. Op de middenlijn ligt een dunne lage kam. De voorhoofdsbeenderen worden vooraan V-vormig ingekeept. De beschrijvers nemen aan dat dit door de praemaxillae gebeurde, hoewel het bij zo'n basale vorm onzeker is of deze de neusbeenderen al van de middenlijn gedrongen hadden en de hoge voorste tak van het neusbeen het tegendeel suggereert. De dwarskam op het achterhoofd is hoog en van achteren hol gekromd. Boven iedere zijde ligt een richel waar de sluitspieren van de kaken aan bevestigd waren. Naar achteren lopen deze richels samen in een enkele kam die weer op de dwarskam aansluit. Vooraan heeft iedere richel een pneumatische opening. Een CAT-scan heeft onthuld dat die verbonden was met een kleine luchtkamer. Zulke foramina zijn ook aanwezig bij Allkaruen en Rhamphorhynchus en wijzen weer op pneumatisering. Het voorhoofdsbeen vormt een vrij korte bovenrand van de oogkas.