De Grote Brand van Londen was een grote stadsbrand die vanaf zondag 2 september tot en met donderdag 6 september 1666 door de centrale delen van Londen raasde.

De brand verwoestte niet alleen 87 parochiekerken; St. Paul's Cathedral en een groot deel van de overheidsgebouwen, maar ook 13.200 huizen en daarmee het onderdak voor 70.000 van de 80.000 Londenaren. De brand leek ook een gevaar te vormen voor de sloppenwijken in de voorsteden; het district Westminster; Whitehall; het Paleis van Karel II, maar bereikte deze niet.

Het aantal doden is niet precies bekend, maar vanouds dacht men dat dit laag was, aangezien maar zes sterfgevallen officieel zijn vastgesteld en geregistreerd. Deze redenatie werd en wordt door sommige historici aangevochten met het argument dat de dood van armlastigen en de middenklasse niet werd geregistreerd; bovendien kan de hitte van het vuur veel slachtoffers hebben gecremeerd waardoor geen herkenbare menselijke resten zijn achtergebleven. Een gesmolten stuk aardewerk dat in het Museum van Londen wordt tentoongesteld en door archeologen gevonden werd in Pudding Lane, de plaats waar de brand begon, laat zien dat de temperatuur 1250 °C bereikte."Pottery" in de online collectie. Gearchiveerd op 21 juni 2023.

Oorsprong en gevolgen van de brand De grote brand startte kort na middernacht, op zondag 2 september in het bakkershuis van Thomas Faryner op Pudding Lane, en breidde zich razendsnel uit naar het westen, dwars door de City van Londen. Volgens veel schrijvers ontstond de brand doordat Faryner was vergeten het vuur in zijn oven te doven voor hij naar bed ging. Kort na middernacht zouden smeulende asresten een stapel hout in brand gezet hebben. Hijzelf beweerde echter dat het vuur in zijn benedenhuis ontstaan was. Faryner werd rond één uur door de brand wakker.

De belangrijkste techniek in die tijd om brand te bestrijden was om door middel van sloop brandgangen te creëren; dit werd echter aanzienlijk vertraagd dankzij de besluitloosheid van Sir Thomas Bloodworth, de burgemeester van Londen. Tegen de tijd dat er zondagavond opdracht tot grootschalige sloop werd gegeven, had de wind het vuur van de bakkerij aangewakkerd tot een vuurzee die dergelijke maatregelen teniet zou doen.

's Maandags verspreidde het vuur zich naar het noorden, naar het hart van de stad. Er brak wanorde uit op straat toen geruchten de ronde deden dat verdachte buitenlanders de boel in brand hadden gestoken. De angst van de ontheemden richtte zich op de Fransen en Hollanders, de vijanden van Engeland in de aanhoudende Tweede Engels-Nederlandse Oorlog; deze aanzienlijke groepen immigranten werden het slachtoffer van lynchpartijen en straatgeweld. Op dinsdag had het vuur zich over bijna de hele City verspreid, waarbij St. Paul's Cathedral compleet verwoest was en de vonken over de rivier de Fleet een bedreiging vormden voor het Hof van Koning Karel II in Whitehall. Intussen kwamen gecoördineerde inspanningen om de brand te bestrijden op gang. Het succes in de strijd om het vuur te doven wordt toegewezen aan twee factoren: de sterke oostenwinden namen af en het garnizoen van de Tower van Londen gebruikte buskruit om effectieve brandwegen te creëren om verdere verspreiding naar het oosten een halt toe te roepen.

De sociale en economische problemen die de ramp veroorzaakte waren overweldigend. Karel II moedigde sterk aan om te evacueren vanuit Londen en zich elders te vestigen, omdat hij vreesde voor een Londense opstand tegen de bezitloze vluchtelingen. Ondanks talrijke radicale voorstellen werd Londen herbouwd naar in wezen hetzelfde stratenplan als van voor de brand.

Londen halverwege de 17de eeuw Halverwege de 17de eeuw was Londen veruit de grootste stad van Groot-Brittannië en werd het inwonertal geschat op een half miljoen. John Evelyn (auteur), die Londen vergeleek met de barokke pracht van Parijs, noemde het een 'houten, noordelijke, ongekunstelde opeenstapeling van huizen' en drukte zijn bezorgdheid uit over het brandgevaar van hout en de opeenstapeling. Met ongekunsteld bedoelde Evelyn ongepland en geïmproviseerd, het gevolg van organische groei en ongeregelde stedelijke wildgroei. Londen was vier eeuwen lang een Romeinse nederzetting geweest en was gaandeweg meer overbevolkt geraakt binnen de beschermende stadsmuren. Het had zich ook naar buiten toe uitgebreid, buiten de muren, in vieze sloppenwijken zoals Shoreditch, Holborn en Southwark en was ver genoeg genaderd om de onafhankelijke City van Westminster te omvatten. Tegen het einde van de 17de eeuw was de City zelf – het gebied dat begrensd werd door de stadsmuur en de rivier de Theems – slechts een deel van Londen. Het besloeg zo'n 700 hectare (2,8 km²; 1,1 vierkante mijl) en was de thuisbasis van ongeveer 80.000 mensen, een zesde van het inwonertal van Londen.

De City werd omringd door een ring van buitenwijken, waar de meeste Londenaren woonden. De City was toen, net als nu, het commerciële hart van de hoofdstad, en had de grootste markt en drukste haven van Engeland, gedomineerd door de handels– en productieklasse. De aristocratie probeerde de stad te vermijden en woonde op het platteland, buiten de sloppenwijken, of in de exclusieve wijk Westminster (het huidige West End), de locatie van het hof van Karel II, in Whitehall. De rijken gaven er de voorkeur aan op gepaste afstand van de City te wonen, die vervuild, ongezond en verstopt was door het verkeer, vooral nadat hij getroffen was door een verschrikkelijke uitbraak van de builenpest in het pestjaar 1665.

De relatie tussen de City en de Kroon was vaak gespannen. Tijdens de burgeroorlog (1642-1651) was de City een bolwerk van republikeinse gezindheid geweest, en de rijke en economisch dynamische hoofdstad was nog steeds een potentiële dreiging voor Karel II, zoals verschillende republikeins gezinde opstanden in Londen hadden aangetoond rond 1660. De Magistraten van de City behoorden tot die generatie die had meegevochten in de Burgeroorlog, en ze konden zich nog herinneren hoe Karel I greep naar de absolute macht, wat tot dat nationale trauma had geleid. Zij waren vastbesloten om iedere vergelijkbare neiging in zijn zoon tegen te gaan, en toen de Grote Brand een gevaar vormde voor de City, weigerden ze het aanbod van soldaten en andere hulpmiddelen.

Zelfs in een dergelijke noodsituatie was het idee van impopulaire koninklijke troepen in de City als een politieke bom. Tegen de tijd dat Karel het bevel van de incapabele burgemeester van Londen had overgenomen, was de brand al erg uit de hand gelopen.

Brandgevaar in de City thumb|Voorbeeld van huis met steigers in Godmanchester De City was hoofdzakelijk middeleeuws in zijn stratenplan; een overbevolkt gebied met smalle, kronkelende en geplaveide steegjes. Voor 1666 waren er al verschillende Grote Branden geweest, waarvan de laatste in 1632. Het was al eeuwenlang verboden om te bouwen met hout en een dak te bedekken met riet, maar men bleef deze goedkope materialen gebruiken. Het enige met stenen bebouwde gebied van betekenis, was het rijke centrum van de City waar de herenhuizen van de handelaren en makelaars op ruime kavels stonden, omringd door een binnenring van overvolle, armere parochies, waarvan elke centimeter ruimte gebruikt was om de snelgroeiende bevolking te huisvesten.

In de parochies bevonden zich werkplekken waarvan veel een brandgevaar vormden – gieterijen, smederijen, glazenmakers ̶ die officieel illegaal waren in de City, maar in de praktijk gedoogd werden. De huizen waren tot barsten toe vol. Vermengd met deze hittebronnen, vonken en vervuiling, en hun constructie verhoogde dit het brandgevaar. De typische zes en zeven verdiepingen tellende etagewoningen hadden steigers (uitstekende bovenverdiepingen). Ze hadden een smal 'loopoppervlak' op de begane grond, maar maakten maximaal gebruik van de grond, door zich, zoals een toeschouwer uit die tijd het uitdrukte "zich in de straat op te dringen met de geleidelijk groter wordende afmeting van de bovenste verdiepingen".

Het brandgevaar werd goed ingeschat toen de bovenste steigers elkaar bijna raakten over de smalle steegjes heen, 'zoals het een vuurzee vergemakkelijkt, zo belemmert het ook de aanpak', schreef een toeschouwer, maar 'de hebzucht van de burgers en de medeplichtigheid (corruptie) van de Magistraten (rechters) werkte in het voordeel van de aanlegsteigers.'

In 1661 vaardigde Karel II een proclamatie uit die overhangende ramen en steigers verbood, maar dit werd door het stadsbestuur grotendeels genegeerd. Karels volgende, scherpere boodschap in 1665 waarschuwde voor brandgevaar in de smalle straatjes en stond zowel gevangenneming van ongehoorzame aannemers als sloop van gevaarlijke gebouwen toe. Ook dat had weinig effect. De rand langs de rivier was belangrijk voor de verdere ontwikkeling van de Grote Brand. De Theems bood water voor brandbestrijding en een kans om per boot te ontsnappen, maar de armere wijken langs de rivieroever hadden opslagplaatsen en kelders met brandstoffen, die het risico voor brand vergrootten. Langs de kade waren de gammele houten huurhuisjes en papieren hutjes van de armen geperst tussen oude gebouwen van papier en de meest brandbare stoffen zoals teer, pek, hennep en vlas, dat daar allemaal in de buurt lag opgeslagen.

Londen lag ook vol zwart buskruit, vooral langs de rivieroever. Veel was achtergebleven in de huizen van burgers uit de tijd van de Engelse Burgeroorlog, omdat de voormalige leden van Oliver Cromwells New Model Army hun musketten hadden behouden inclusief het kruit waarmee ze ze laadden. In de Tower van Londen lag vijf- tot zeshonderd ton buskruit opgeslagen. De scheepsbevoorraders langs de kades hielden ook grote voorraden aan, die ze hadden opgeslagen in houten vaten.

Brandbestrijding in de 17de eeuw thumb|Voorhaken voor brandbestrijding Branden kwamen vaak voor in de overbevolkte, houten binnenstad, met zijn open haarden, kaarsen, ovens en voorraden brandstoffen. Er kon geen politie of brandweer worden opgeroepen, maar de plaatselijke burgerwacht van Londen, die bekend stond als Trained Bands, was in ieder geval in beginsel beschikbaar voor algemene noodgevallen. Het signaleren van een brand was een van de taken van deze wacht, die bestond uit duizend wachters of 'omroepers' die 's nachts door de straten patrouilleerden. Er waren zelfredzame procedures binnen de gemeenschap van kracht om met een brand om te gaan, en meestal waren die effectief. Waakzame burgers zouden door gedempte peals (manier van luiden) van de kerkklokken geattendeerd worden op een gevaarlijke brand in de stad en kwamen haastig bij elkaar om het vuur te bestrijden. De hiervoor beschikbare methoden waren gebaseerd op sloop en water. Volgens de wet moest de toren van elke parochiekerk hiervoor een uitrusting hebben: lange ladders, emmers van leer, bijlen en vuurhaken om gebouwen neer te halen (zie rechts op illustratie, zie ook pike stok). Soms werden hogere gebouwen snel en effectief met de grond gelijk gemaakt door middel van gecontroleerde buskruitexplosies. Deze ingrijpende methode om brandgangen te creëren werd tegen het eind van de Grote Brand steeds vaker gebruikt, en moderne historici zijn van mening dat dit uiteindelijk de doorslag gaf voor het succes.

Missers in de bestrijding van de brand thumb|London Bridge in 1616 thumb|een reclame-uiting voor een betrekkelijk kleine en wendbare 17de-eeuwse brandweerwagen op wielen: "Deze wagens (de beste in zijn soort) om Grote Branden te blussen; worden vervaardigd door John Keeling in Black Fryers (na jarenlange ervaring). London Bridge was de enige fysieke verbinding tussen de City en de zuidelijke oever van de rivier de Theems en was overdekt met huizen. In de brand van 1632 was hij aangemerkt als een levensgevaarlijk punt en 's zondags bij zonsopgang stonden deze huizen in lichterlaaie. Samuel Pepys sloeg de vuurzee vanaf de Tower of London gade en drukte grote bezorgdheid uit over vrienden die op de brug woonden.