De oestereetster is een werk van de in Oostende geboren en gestorven kunstenaar James Ensor. Hij maakte het olieverf op doek in 1882. Het werk behoort tot de collectie van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen.
Context Een Oostendse krant signaleerde in de loop van juli 1882 dat James Ensor, een jonge plaatselijke kunstenaar, De oestereetster naar de driejaarlijkse tentoonstelling in Antwerpen zou sturen. De catalogus van die tentoonstelling vermeldt echter geen schilderij onder die naam. Het vermeldt wel Au pays des couleurs. Vermoedelijk gaat het om hetzelfde werk en wilde Ensor zijn werk onder een sprekende titel tentoonstellen. Het werd echter geweigerd door de organisatoren van de tentoonstelling. Een jaar later weigerden de organisatoren van L’Essor het werk opnieuw. Het was een kring van oud-leerlingen van de Brusselse academie, waar Ensor zelf ook lid van was. Als reactie op de weigering stapten Ensor en enkele progressieve medeleden enkele maanden later uit de kring. Ze stichtten Les XX, waar De oestereetster uiteraard wel welkom was.Herwig Todts, in Het Museumboek. Hoogtepunten uit de verzameling, 2003, p. 162; https://www.kmska.be/nl/collectie/highlights/De_Oestereetster.html; Els Maréchal, in Vouwblad Educatieve Dienst Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen. James Ensor, p. 3.
De reden van de weigering was voornamelijk te wijten aan de vermeende immoraliteit van De oestereetster.Topstukken, 2007. Het was volgens toenmalige toeschouwers ongepast dat een jonge burgervrouw zomaar genoot van de goede dingen des levens. Zeker omdat die goede dingen wijn en belangrijker, oesters waren. Oesters waren een gekend afrodisiacum, een lustopwekkende voedselsoort die bovendien het vrouwelijke geslachtsorgaan symboliseerde. Ensor zelf had er ook iets rond te zeggen. "Misschien", zei hij, "had ik beter een democratische en poëtische mosseleetster geschilderd."Herwig Todts, in Het Museumboek. Hoogtepunten uit de verzameling, 2003, p. 162.
Beschrijving Een jonge vrouw geniet van een gastronomisch festijn aan een tafel die voor twee personen gedekt is. Het is de zus van Ensor, Mitche (Mariette). De afwezigheid van haar tafelgenoot is niet onrustwekkend. De achteloos achtergelaten servet suggereert dat hij nog maar net de tafel heeft verlaten. Misschien was het de kunstenaar zelf, die het tafereel wou uitbeelden. Hij plaatste zijn ezel rechts, dicht bij de tafel. Het tafereel speelt zich af in hun ouderlijke woning te Oostende, dat vandaag nog te bezoeken is als het Ensor-huismuseum. Het werd gebouwd in 1874 en zag eruit zoals de meeste burgerwoningen uit die tijd. Het had twee winkels op de begane grond en een paar kamers te huur. Het meubilair met enkele boeken maakt nog steeds deel uit van het huidige Ensor-huismuseum.Herwig Todts, in Moderne Meesters in het Koninklijk Museum, 1992, nr. 20; Norbert Hostyn, in James Ensor, 1990, p. 129.
De oestereetster behoort tot de reeks die hij Het burgersalon doopte. Dat was een serie momenten uit het leven van de kleinsteedse burgerij. Ten opzichte van vroegere werken valt de rijkere stofdifferentiatie op.Els Maréchal, in Vouwblad Educatieve Dienst Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen. James Ensor, p. 3. In De oestereetster ging Ensor met lichte kleuren aan de slag. De illusie van zonneschijn wordt verwekt door de rode, gele en oranje tinten uit het werk.https://www.kmska.be/nl/collectie/highlights/De_Oestereetster.html Het is het heldere koloriet van zijn rijpe jaren. Al snel wordt duidelijk dat de kunstenaar geen ondubbelzinnig portret van zijn zus in haar vertrouwde omgeving wou maken. Hij lijkt zich immers te verliezen in het eindeloos variëren, nuanceren, herhalen en contrasteren van kleuren. De ene keer strijkt hij de verf dun en soepel uit, de andere keer opteert hij voor zware, gemetselde vlekken die hij aanbrengt met een paletmes.
Appreciatie Een eigentijdse criticus bemerkte de wankele compositie. Volgens hem leek het alsof de figuur elk moment uit haar schilderij kon vallen. Echter, wanneer het werk vanop een afstand wordt bekeken, stelde hij, lijkt de compositie terug tot zijn recht te komen. Vanop een afstand bewaart de compositie het karakter van een fragment, maar blijft het tegelijkertijd rustig en afgewogen. Zelfs de op het eerste zicht willekeurige vormgeving is solide.Herwig Todts, in Moderne Meesters in het Koninklijk Museum, 1992, nr. 20. Iemand die meteen enthousiast was over het schilderij, was criticus Emile Verhaeren. Volgens hem was De oestereetster het eerste “heldere” schilderij in de Belgische kunst, waarover hij het volgende schreef:Topstukken, 2007; Herwig Todts, in Het Museumboek. Hoogtepunten uit de verzameling, 2003, p. 162.
« Quelle joie, quelle fête, quelle liesse de couleurs répandues sur la table où la mangeuse a pris place! Bouteilles, verres, assiettes, citrons, vins, liqueurs s’influencent, se pénètrent de lueurs, entrent pour ainsi dire les uns dans les autres et maintiennent quand même, triomphantes, la solidité et la rigueur de leur formes. Et cette admirable note rouge que jette la reliure d’un livre placé sur une tablette dans le fond de la toile! Et la belle chair vivante des mains et du visage. Et les plis bleuâtres de la nappe, et tout enfin ».Norbert Hostyn, in James Ensor, 1990, p. 129.
Provenance In 1907 wou Ensor zijn Oestereetster verkopen aan het Stedelijke museum van Luik. Vrienden en liefhebbers van Ensors kunst verdedigden de aankoop, maar een meerderheid van de gemeenteraadsleden verwierpen het voorstel. In 1909 wilde Ensor het werk aan de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België in Brussel verkopen, maar ook die deal ging niet door. Uiteindelijk waren het de in Antwerpen gevestigde, maar uit Luik afkomstige dokter Albin en Emma Lambotte die het werk kochten. Ze behoorden tot de grootste liefhebbers van Ensors kunst en stonden aan de basis van een enorme verzameling. De belangrijkste werken daaruit werden in 1927 door het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen aangekocht. thumb|Portret van Emma Lambotte door Henry De Groux
Exhaustieve bibliografie
Ensor als auteur ENSOR, James, ‘Lettres de James Ensor à Emma Lambotte-Protin’, ENSOR, James; LAMBOTTE, Emma; DEREY-CAPON, Danielle, Lettres à Emma Lambotte, 1904-1914, Tournai: Renaissance du livre, 1999, noot p. 70, noot p. 72, p. 127, p. 139, noot p. 148, p. 153, noot p. 154, p. 155, p. 156, noot p. 157, p. 159, p. 161, noot p. 161, p. 163, p. 164, p. 165, p. 166, p. 168, noot p. 171, p. 180, p. 185, noot p. 187, p. 204, noot p. 204, p. 205, p. 212, noot p. 212-213, p. 214, p. 216, p. 221, p. 222, noot p. 222, afb. [ongep.], noot p. 226, p. 236, p. 236-237, p. 238, noot p. 239, p. 240, p. 241, p. 243, p. 284, p. 285, p. 288, p. 298, p. 304 ENSOR, James, ‘Ma Vie en Abrégé, James Ensor : catalogue de l'exposition, Anvers: Van de Velde, 1992, p. 2 ENSOR, James, ‘Mi vida, en pocos palabras’, GIMENEZ, Carmen, SERRALLER, Francisco Calvo ; ENSOR, James, James Ensor, Madrid: Banco Bilbao Vizcaya, 1996, p. 66 ENSOR, James, ‘Mijn leven, beknopt weergegeven’, DELEVOY, Robert, L., Ensor, voorafgegaan door : Ensortilèges van Pierre Alechinsky, Antwerpen: Mercatorfonds, 1981, p. ENSOR, James, ‘Voici, en abrégé, l’histoire de la vie du peintre Ensor, par lui-même’, SCHWOB, Lucien, ENSOR, James, Ensor, Paris: Art et technique, 1936, [ongep.] [p. 6], afb. XIX, afb. detail XX ENSOR, James, Lettre à Franz Hellens, Liège: Editions Dynamo, 1949, p. 9 ENSOR, James, Lettres à André de Ridder, Anvers: Librairie des arts, 1960, p. 56, p. 59 ENSOR, James; LAMBRICHS, Colette (ed.), Dame peinture toujours jeune, Paris: Différence, Collection Minos vol. 74, 2009, p. 19, p. 75, afb. p. 107 ENSOR, James; MARTIN, Hugo [ed.], 'Mes écrits ou les suffisances matamoresques', La collection Espace Nord, Bruxelles: Labor, vol. 158, 1999, p. 15, p. 42, p. 82, p. 94, p. 250 ENSOR, James; TRICOT, Xavier, ‘Lettres’, Archives du future, Bruxelles: Labor, 1999, p. 45, noot 1 p. 45, p. 50, noot 1 p. 50, noot 3 p. 50, noot 1 p. 51, p. 52, p. 120, noot 1 p. 120, p. 131, p. 190, noot 7 p. 190, p. 192, p. 196, p. 263, noot 6 p. 263, p. 269, noot 1 p. 269, noot 4 p. 349, p. 351, p. 371, noot 3 p. 371, p. 373, noot 2 p. 373, p. 374, noot p. 376, p. 402, noot p. 402, p. 404, noot 1 p. 404, noot 1 p. 450, p. 461, noot 2 p. 461, p. 506, noot 1 p. 506, p. 507, p. 516, p. 517, noot 6 p. 517, p. 536, noot 2 p. 536, p. 559, noot 6 p. 559, p. 560, noot 1 p. 560, p. 561, p. 562, p. 564, p. 566, p. 569, p. 571, p. 576, p. 577, p. 581, p. 582, p. 583, noot 1 p. 583, p. 584, noot 1 p. 584, p. 585, noot 2 p. 585, p. 586, noot 3 p. 586, p. 587, noot 2 p. 587, p. 588, noot 3 p. 588, p. 590, p. 591, p. 592, noot 1 p. 592, p. 594, noot 1 p. 594, p. 595, noot 1 p. 595, p. 600, p. 608, noot 3 p. 608 , p. 632, noot 3 p. 632, p. 633, noot 1 p. 633, p. 635, p. 636, p. 637, noot 1 p. 637, p. 638, noot 1 p. 638, p. 639, p. 641, noot 2 p. 641, p. 642, noot 6 p. 642, p. 643, p. 644, p. 645, noot 1 p. 645, p. 647, noot 1 p. 647, p. 648, p. 649, p. 650, noot 4 p. 650, p. 702, noot 12 p. 702, p. 706, noot 15 p. 706, p. 716, noot 15 p. 716, p. 730, noot 2 p. 730, p. 735, noot 4 p. 735, p. 752, noot 1 p. 752, p. 800, p. 801-811 ENSOR, James; TRICOT, Xavier [ed.]; PERQUY, Michel [vert.], Picturale pennevruchten. Geschriften, Antwerpen: Houtekiet, 1990, p. 16, p. 24, p. 50, p. 53, p. 55, p. 62, p. 125
Algemeen AVERMAETE, Roger, ‘James Ensor’, Monographieën over Belgische kunst, Antwerpen: De Sikkel, vol. 1:4, 1947, p. 8, p. 10, afb. 3 AVERMAETE, Roger, ‘James Ensor’, Monographies de l'art belge, Anvers: De Sikkel, vol. 1: 4, 1947, p. 8, p. 10, afb. 3 AVERMAETE, Roger, ‘James Ensor’, Belgian art monographs, London: Rockliff, vol. 1951: 1, 1951, p. 8, p. 10, afb. 3 BECKS-MALORNY, Ulrike, James Ensor 1860-1949: les masques, la mer et la mort, Köln: Taschen, 1999, p. 28, afb. p. 29, p. 39 , p. 94 BERNARD, Charles, ENSOR,James, ‘James Ensor’, Etudes d'art contemporain, Anvers: Revue d'art, vol. 1, 1929, p. 5, p. 9, afb. [ongep.] BONNE, Karen,’De perfecte toets’, Ensor Research Project, http://www.kmska.be/nl/Onderzoek/Ensor/ERP_DePerfecteToets.html?_language=nl, Antwerpen: Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, 2014 BONNE, Karen,’The Perfect Touch’, Ensor Research Project, http://www.kmska.be/en/Onderzoek/Ensor/ERP_DePerfecteToets.html, Antwerpen: Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, 2014 BOWN-TAEVERNIER, Sabine, ‘Het stilleven – een stijloefening’, OLLINGER-ZINQUE, Gisèle [ed.], Ensor, Wommelgem: Blondé, 1999, p. 33 BROWN, Carol [ed.]; CANNING, Susan M. ; HOOZEE, Robert ; HYMAN, Timothy, James Ensor, 1860-194. Theatre of masks, London: Barbican Art Gallery, 1997, p. 136, p. 137 CANNING, Susan M., ‘James Ensor: Carnival of the Modern’, SWINBOURNE, Anna [ed.], James Ensor, New York: Museum of Modern Art, 2009, p. 31 CANNING, Susan M., ‘Vervreemding en expressionistische visie: Ensor, Les Vingt en de kritiek’, SCHOONBAERT, Lydia M. A., CARDYN-OOMEN, Dorine, James Ensor, Brussel: Museumfonds, 1983, p. 35, p. 36 CANNING, Susan, M., ‘The Social Subtext of James Ensor’s Religious Imagery’, BROWN, Carol [ed.]; CANNING, Susan M. ; HOOZEE, Robert ; HYMAN, Timothy, James Ensor, 1860-194. Theatre of masks, London: Barbican Art Gallery, 1997, p. 63 CARDYN-OOMEN, Dorine, ‘Chronologie’, BUROLLET, Thérèse; SCHOONBAERT, Lydia M. A., James Ensor, Paris : Paris-Musées, 1990, p. 15 CORNETTE, A. H., L'oeuvre de James Ensor, Paris: Gauthier-Villars, 1932, p. 9, afb. [ongep.] CUYPERS, Firmin, James Ensor. Aspects & Propos de James Ensor, Brugge: Les editions A. G. Stainforth, 1946, p. 30, p. 37 CUYPERS, Firmin, James Ensor. L’homme & l’oeuvre, Paris: Les Ecrivains Reunis, 1925, p. 9 DE BODT, Saskia, ‘Een venijnig polemist. De teksten van Ensor over kunst’, DE BODT, Saskia ; HARDEMAN, Doede ; TODTS, Herwig, James Ensor : universum van een fantast, Den Haag: Gemeente Museum, Antwerpen : Ludion, 2011, p. 73, afb. p. 74