Jheronimus Bosch ('s-Hertogenbosch, circa 1450 – aldaar begraven, 9 augustus 1516), postuum ook Jeroen Bosch of Hiëronymus Bosch genoemd, geboren als Jheronimus van Aken, was een Nederlands kunstschilder behorend tot de Noordelijke renaissance.

Hij ging de geschiedenis in als 'den duvelmakere' (de schepper van duivels) en als schilder van satirische voorstellingen, maar hij is vooral van betekenis als vernieuwer van de beeldtraditie. Hij gaf op fantasievolle wijze invulling aan gangbare (religieuze) motieven en bedacht een reeks van nieuwe voorstellingen. Het gevolg hiervan is dat de precieze betekenis van een deel van zijn werk onbekend is gebleven. Hoewel hij al tijdens zijn leven een beroemd schilder was en hij opdrachten van het hertogelijk hof in Brussel kreeg, is er vrij weinig over hem bekend.

Tegenwoordig worden er ongeveer 25 schilderijen met zekerheid aan Bosch toegeschreven, samen met acht tekeningen. Zijn schilderijen werden veelvuldig geïmiteerd en gekopieerd. Een van zijn meest bekende werken is het drieluik De tuin der lusten.

Leven Jheronimus Bosch was het vierde kind van de schilder Anthonis van Aken. Volgens Karel van Mander werd hij in 's-Hertogenbosch geboren. Zijn geboorte is echter niet gedocumenteerd. Mogelijk werd hij geboren in het huis van zijn grootvader, Jan van Aken, aan de Vughterstraat. Afgaande op de achternaam kwamen zijn voorouders uit de Duitse stad Aken. Nadere gegevens hierover ontbreken echter. De vroegst bekende voorouder van Jheronimus, zijn overgrootvader Thomas van Aken, wordt in 1404 voor het eerst vermeld in Nijmegen.Van Dijck (2001): p. 13. Zijn grootvader trok kort voor 1427 van Nijmegen naar 's-Hertogenbosch.Mogelijk na een kort oponthoud in Grave. Van Dijck (2001): p. 15.

thumb|Stadsbrand in de hel. Een detail uit een beroemd schilderij van Bosch, De tuin der lusten Toen Jheronimus geboren werd, was de familie Van Aken in 's-Hertogenbosch een toonaangevende schildersfamilie. Vrijwel alle mannelijke familieleden en één vrouwelijk familielid van Jheronimus waren schilders, inclusief zijn oudste broer, Goessen. Hij groeide op in het huis dat zijn vader in 1462 aan de oostzijde van de Markt kocht en dat hij volgens de archivaris Jan Mosmans ‘In Sint Thoenis’ noemde. Een plaquette aan de buitenmuur van dit pand herinnert hieraan. Over zijn jeugd is verder niets bekend. In 1463 woedde er een grote brand in 's-Hertogenbosch, die Bosch als kind mogelijk heeft aanschouwd. Bij deze brand gingen 4000 huizen in vlammen op. In het latere werk van Bosch komen vaak stadsbranden voor.

Opleiding Aangenomen wordt dat Jheronimus Bosch opgeleid werd in het atelier van zijn vader in 's-Hertogenbosch. Toen Bosch opgroeide, was er in 's-Hertogenbosch sprake van een bescheiden en niet erg vernieuwingsgezinde, lokale kunsttraditie. In een enkel geval is de Bossche invloed ook daadwerkelijk merkbaar in zijn werk. Zo is zijn Calvarie met schenker gebaseerd op een fresco uit 1444 in de Sint-Jan, dat in verband wordt gebracht met zijn grootvader, Jan van Aken.De Tolnay (1984): p. 10-11. Er zijn aanwijzingen dat Bosch daarna een vervolgopleiding volgde, al dan niet buiten 's-Hertogenbosch. Jheronimus Bosch wordt op 26 juli 1474 voor het eerst in een document genoemd: dan leent Bosch samen met zijn vader een vrij groot bedrag zonder daar een directe aanleiding voor te hebben, zoals trouwplannen of een verhuizing. Ook ontbreekt zijn naam na die datum zo’n 6 à 7 jaar in de Bossche archieven.Van Dijck (2001): p. 73.

Familieatelier Van Aken thumb|Jheronimus Bosch. De tuin der lusten, buitenzijde. Ca. 1480-1490. Madrid, Prado. In het boekjaar 1480-1481 wordt Bosch in een rekening ‘Jeroen die maelre’ genoemd, dus was hij uiterlijk op dat moment zijn loopbaan begonnen. Twee jaar daarvoor, in 1478, overleed zijn vader. Mogelijk zetten Jheronimus en zijn broer Goessen het familieatelier voort. Dit atelier was gevestigd ‘In Sint Thoenis’, dat zeker tot 1523 in het bezit van de familie Van Aken was. Na Goessens' overlijden, tussen 1495 en 1499, bleef zijn weduwe Katelijn Priem (overl. tussen 1523 en 1526) ‘In Sint Thoenis’ wonen. Ook Katelijn en haar zoon Anthonis (overl. 1516) waren schilders, wat doet vermoeden dat zij het familieatelier voortzetten.

Een van de eerste werkstukken van de gebroeders Van Aken is mogelijk een verloren gegaan retabel voor het hoofdaltaar van de toenmalige Sint-Janskerk met als onderwerp de Schepping van de Wereld. Op 30 juni 1481 beloofde Goessen dat hij tussen die datum en aanstaande Bamis (1 oktober) twee vleugels voor het hoogaltaar van de Sint-Janskerk zou beschilderen. Veel later, in 1610, wordt dit altaarstuk in Jean-Baptiste Gramayes Taxandia omschreven als ‘opus creationis hexameron mundi’ (het werk van de schepping van de wereld in zes dagen). Bovendien wordt het daar niet als werk van Goessen van Aken genoemd, maar als dat van Jheronimus Bosch.Koldeweij, Vandenbroeck en Vermet (2001): p. 66, 69. Deze Schepping van de Wereld wordt tegenwoordig in verband gebracht met De tuin der lusten, dat aan de buitenzijde hetzelfde onderwerp bevat. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat Bosch de hem zo kenmerkende manier van schilderen al vrij vroeg ontwikkelde binnen de context van een familieatelier.

Huwelijk Op 15 juni 1481 blijkt Bosch getrouwd te zijn met Aleid van de Meervenne (ca. 1452/1453-1522/1523), een telg uit de Oirschotse patriciërsfamilie Van den Meervenne. Met dit huwelijk trouwde Bosch boven zijn stand, zowel in financieel opzicht – zijn vrouw bezat een huis en wat landerijen – als in intellectueel opzicht – zo had Aleid een zwager die in Keulen gestudeerd had. Dit betekende echter niet dat Bosch nu een rijk man was. In het begin van hun huwelijk moest zijn vrouw zelfs een deel van haar landerijen verkopen om rond te komen. Pas in 1487 ging het zo goed dat Bosch in staat was om zelf geld uit te lenen.Van Dijck (2001): p. 47-48. Van de overgebleven landerijen, waaronder het leengoed Roedeken in Oirschot, kon het echtpaar comfortabel leven. Toch is hij nooit rijk geworden. Na zijn dood liet hij – voor zover bekend – niet veel na.Van Dijck (2001): p. 49.

Eigen schildersatelier Via zijn huwelijk kwam hij in het bezit van het prestigieuze huis Inden Salvatoer, aan de noordzijde van de Markt, vlak bij het stadhuis. Waarschijnlijk stichtte Bosch hier een nieuw atelier. Het bood in ieder geval de ideale omstandigheden voor een schilder: de levendigheid van de markt aan de zuidzijde en stilte en het juiste licht om in te werken aan de noordzijde. Bovendien deed Bosch op 3 januari 1481 afstand van zijn deel van het ouderlijk huis ten gunste van zijn broer Goessen, nadat zijn broer Jan en zus Herbertke hetzelfde hadden gedaan.Van Dijck (2001): p. 47.

Hoe Bosch’ atelier precies georganiseerd was, is niet duidelijk. Volgens een van de eerste biografen van Bosch, Felipe de Guevara, had hij een leerling die bijna even getalenteerd was als zijn meester en aan wie hij de Zeven Hoofdzonden toeschreef. Mogelijk was deze leerling identiek aan de Brusselse schilder Gielis Panhedel, die omstreeks 1522 in de stijl van Bosch twee zijvleugels van het Mariaretabel van de Lieve Vrouwe-Broederschap in de Sint-Jan schilderde. Dat Bosch leerlingen c.q. assistenten had, is vrijwel zeker. In 1503-1504 wordt melding gemaakt van meerdere ‘Jheronimus knechten’.Van Dijck (2001): p. 57.

‘Meester Jheronimus’ Bosch' eigenlijke familienaam was dus Van Aken. Vanaf omstreeks 1490 signeerde hij zijn werk echter met ‘Jheronimus Bosch’. In 1504 wordt hij voor het eerst onder die naam vermeld in de hertogelijke boekhouding, namelijk als ‘Jeronimus Van aeken dit bosch paintre dem[eurant] au bois le duc’ (Jheronimus van Aken, genaamd Bosch, schilder, wonend te 's-Hertogenbosch).Koldeweij (1991): p. 5. en in 1510 in 's-Hertogenbosch als ‘Jheronimus van Aken [...] die hem selver scrift Jheronimus Bosch’. Het aannemen van de artiestennaam Bosch is een aanwijzing dat hij op dat moment buiten 's-Hertogenbosch bekend was, maar het zou er ook op kunnen wijzen dat hij enige tijd in een vreemde stad heeft gewoond. Opvallend is dat Bosch pas na zijn dood – in 1545-1546 – als meester vermeld wordt, terwijl zijn veel onbekendere broer in 1493 wel zo genoemd wordt.Van Dijck (2001): p. 56.

Illustre Lieve Vrouwe Broederschap In 1486-1487 trad hij toe tot de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, een voorname religieuze broederschap in 's-Hertogenbosch. In 1488 werd hij benoemd tot gezworen broeder van deze broederschap, wat betekent dat hij opgenomen was in de geestelijke stand – zij het in de laagste rang.Van Dijk (2001): p. 42. Zie ook de pagina BHIC/ILVB/Register 1485-1495/fol. 42v/regel 26-35 op Wikisource. Via de broederschap verwierf Bosch een aantal opdrachten, zoals de ‘deuren van der tafelen staende opt Onser liever Vrouwen autair' (luiken van het retabel staande op het Onze-Lieve-Vrouwe-altaar), die tegenwoordig in verband worden gebracht met de werken Johannes de Doper en Johannes de Evangelist. De twee luiken schilderde Jheronimus kort na 1489. Ze waren bestemd voor een retabel, dat de Utrechtse beeldsnijder Adriaen van Wesel in 1478 had vervaardigd.

Op het rechterpaneel zou hij zich, prominent boven zijn handtekening, als koorduivel hebben afgebeeld, een demon die alle zonden van de mens noteert en ze op de Dag des oordeels tegen hem zal gebruiken. Bewijs hiervoor ontbreekt, maar het is zeer van toepassing op Bosch, die veel misstanden die hij om zich heen zag, opnam in zijn werk. In 1493 of 1494 ontwierp hij een glas-in-loodraam voor de kapel van de Onze-Lieve-Vrouwebroederschap in de Sint-Jan, dat door de glazenier Willem Lombart werd uitgevoerd.

thumb|Jheronimus Bosch. Laatste Oordeel, buitenzijde. 1476-1516. Wenen, Akademie der bildenden Künste Wien.

‘Seer vermaerd schilder’ Jheronimus schilderde voor de Sint-Janskerk een voorstelling van de schepping van de wereld en een retabel met vier taferelen uit het leven van Esther en Judith (verdwenen). Jheronimus kreeg kerkelijke opdrachten en heel wat bestellingen van de stedelijke burgerij. Leden van de Nederlandse hoge adel behoorden tot zijn mecenassen. Hendrik III van Nassau, de oom van Willem van Oranje, was mogelijk de opdrachtgever van De tuin der lusten. Volgens kunsthistoricus Bernard Vermet is het op basis van stilistische kenmerken en de dendrochronologische datering van de panelen waarop De tuin der lusten is geschilderd echter waarschijnlijker dat Hendriks' oom Engelbrecht II de opdrachtgever was.

Vlak voor 1504 ontving hij van Filips de Schone de opdracht een altaarstuk te schilderen met als onderwerp le Jugement de Dieu (het Laatste Oordeel). Het gaat hier om een 248 bij 303 cm groot drieluik met als voorstelling de Dag des oordeels. De hertog betaalde Bosch een voorschot van 36 pond, maar het is niet bekend of het werk ook daadwerkelijk is opgeleverd. Het is niet onmogelijk dat het Laatste Oordeel-drieluik in Wenen een verkleinde kopie van dit werk is, al is het maar vanwege de heiligen Jakobus de Meerdere en Bavo, de patroonheiligen van Castilië en de Nederlanden, de belangrijkste erflanden van Filips de Schone, aan de buitenzijde. Jheronimus schilderde voor Filips de Schone ook een Sint-Anthoniustriptiek.