De Antwerpse tram vormt de ruggengraat van het openbaar vervoer in de stad Antwerpen. Het tramnetwerk is 75 kilometer lang en omvat veertien tramlijnen in zeven van de tien districten en vijf aangrenzende gemeenten van de stad Antwerpen. De trams doorkruisen Antwerpen, Boechout, Beveren-Kruibeke-Zwijndrecht, Mortsel, Wijnegem en Wommelgem. Daarmee vormt het het tweede grootste tramnetwerk van België, na dat van Brussel.
Sinds 1873 rijden trams ononderbroken in de stad, eerst paardentrams en vanaf 1902 elektrische trams. Vanaf 1960 werden stapsgewijs vooroorlogse tweeassers vervangen door PPC's en in 1975 opende het eerste deel van de premetro. Sinds 1991 wordt het net geëxploiteerd door de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn waarna de eerste lagevloertram in 1999 ging rijden. Op zondag 28 mei 2023 werd het 150-jarig bestaan van de tram gevierd met een tramparade vanaf het Havenhuis via de Londenbrug naar de Amsterdamstraat (deels traject lijn 24) en aansluitend een statische tentoonstelling op de Amsterdamstraat en rondritten door de Antwerpse binnenstad.
Het Antwerpse tramnet heeft een spoorwijdte van 1000 mm, de bovenleidingspanning is 600 volt. Het tramnet is alleen geschikt voor eenrichtingtrams door het ontbreken van overloopwissels en tegenspoorseinen in de premetro. Enkel op tramlijn 12 en tramlijn 24 rijden er tweerichtingstrams.
Geschiedenis Stadstram (sinds 1873) thumb|Het tramnet van Antwerpen in 1949.
De eerste aanvraag voor een paardentram oftewel Tramway Américain, zoals die toen genoemd werd, werd aan het stadsbestuur gericht door E. Paujaurd'hui en A. Edvard op 27 juni 1865. Deze aanvraag werd echter geweigerd, en pas op 14 maart 1871 stond de gemeenteraad de aanleg van tramlijnen op het grondgebied van Antwerpen toe. De eerste paardentram reed op 25 mei 1873 tussen de Meir en de kerk van Berchem, op het huidige traject van tramlijn 7. Tegen het einde van de eeuw waren er al negen verschillende paardentramlijnen en een omnibusdienst in Antwerpen, die door negen aparte bedrijven werden onderhouden.
De paardentrambedrijven werden op 1 januari 1900 overgenomen door de Compagnie Générale des Tramways d'Anvers (CGTA). Deze maatschappij stelde zich tot doel het tramnet te elektrificeren, te uniformiseren en te moderniseren. Ook de omnibuslijn zou verbouwd worden tot een tramlijn. Op 12 maart 1902 kreeg de maatschappij toestemming van het stadsbestuur om haar net te elektrificeren. Na testritten reed de eerste elektrische tram in normale dienst vanaf dinsdag 2 september 1902. Eerst was er een gemengde dienst met paardentrams, maar na verloop van tijd verdwenen alle paardentrams uit de Antwerpse straten.
In diezelfde periode begon men ook met de uitbreiding van het tramnet buiten de Brialmontomwalling (de huidige Ring). In 1913 waren de meeste van de nog bestaande lijnen al in gebruik, zij het vaak in een lichtjes andere versie. Een kaart uit dat jaar vermeldt de volgende lijnen: in tegenstelling tot de latere gewoonte betekenden de doorgestreepte nummers dus juist langere ritten, geen verkortingen. Lijn Traject 1913 Daarvan nog in gebruik (2022) 1 Entrepot – Bank – Zuidstatie Vervangen door tram 1 (Rooseveltplaats – Bolivarplaats), tram 10 (Rooseveltplaats – Bres) en bussen 13 en 14 (volledig) 2 Werf – Statie – Van Rijswijcklaan Schelde – Plantin vervangen door premetro, Plantin – Van Rijswijcklaan nog in gebruik 3 Zuidstation – Groenplaats – Statie – Schijnpoort (3/: Merksem) Vervangen door premetro (Groenplaats – Astrid), tram 4 (Bolivarplaats – Groenplaats) en bus 23 (Centraal Station – Schijnpoort) 4 Groenplaats – Brederodestraat – Kiel (4/: Hoboken) Nog volledig in gebruik 5 Groenplaats – Lozanastraat – Dikke mee (5/: Wilrijk) Vervangen door bus 22 6 Pothoek – Werf – Zuidstation Vervangen door bus 30 (werd van 1938 tot 1964 ook met trolleybussen geëxploiteerd) 7 Tolhuis – Bank – Berchem (7/: Oude God) Nog volledig in gebruik 8 Meir – Bank – Borsbeeksepoort (8/: Gitschotel) Overgenomen door tram 4 9 Van Schoonbekeplein – Park – Berchem Statie Bestaat niet meer (tram 9 gebruikt slechts het stuk tussen Plantin en Zurenborg) 10 Melkmarkt – Statie – Zoo – Borgerhout (10/: Deurne) Overgenomen door tram 24 (Melkmarkt – Turnhoutsepoort) 11 Melkmarkt – Statie – Zoo – Dageraadplaats Nog volledig in gebruik 12 Statie Waas – Justitiepaleis Bestaat niet meer 13 Zuidstatie – Pyrotechnie – Petrooltanks Bestaat niet meer (werd van 1929 tot 1931 ook met trolleybussen geëxploiteerd) Na de paardentrambedrijven hebben de volgende maatschappijen de Antwerpse stadslijnen geëxploiteerd: Compagnie Générale des Tramways d'Anvers (C.G.T.A.) vanaf 1 januari 1900; Tramways d'Anvers (T.A.) vanaf maart 1927; Tramwegen van Antwerpen en Omgeving (T.A.O.) vanaf 1 januari 1946; Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Antwerpen (MIVA) vanaf 1 januari 1963; Vlaamse Vervoermaatschappij "De Lijn" vanaf 1 januari 1991.
Na de overname van de dienst door de T.A.O. in 1946 telde het Antwerpse tramnet achttien tramlijnen en twee trolleybuslijnen (6 en 31). Vanaf de jaren 50 werden geleidelijk aan veel tramlijnen geschrapt of omgevormd tot een busdienst vanwege het dalende reizigersaantal. Lijnen 1, 5, 9, 13, 16, 17, 18 en 23 werden zo tussen 1952 en 1965 opgeheven en vervangen door autobusdiensten, die vaak een ander en langer traject volgden. Ook nieuwe autobusdiensten kwamen tot stand, zoals bus 20 naar Eksterlaar, bus 28 naar Merksem en bus 36 langs de Waaslandtunnel naar de Linkeroever.
In 1975 opende men het eerste deel van de westelijke premetrotak (Groenplaats – Centraal Station). Na de inkrimping van het net in de jaren 50 en 60 en de tijdelijke omleidingen door de premetrowerken in de jaren 70, kwamen in de jaren 80 de eerste beperkte uitbreidingen van het net. Op 3 september 1982 werd lijn 12 verlengd van het Bosuilstadion naar het Wim Saerensplein. Met 1.250 meter extra tramlijn was dit de eerste spooruitbreiding sinds 1944. Op 14 mei 1984 werd het eindpunt van de lijnen 2 en 4 in Hoboken verplaatst en met 150 meter verlengd van de Kioskplaats naar de Lelieplaats. Op woensdag 7 november 1984 werd een derde beperkte uitbreiding gerealiseerd. Tramlijn 24 werd 360 meter verlengd van de ingang van de begraafplaats Silsburg (huidige halte 'Dassastraat') tot net voor het kruispunt van de Herentalsebaan met de 'Militaire baan'. Het nieuwe eindpunt werd paradoxaal genoeg ook Silsburg gedoopt.
Op 1 januari 1991 ging de MIVA samen met de Gentse MIVG en het Vlaamse deel van de NMVB op in de Vlaamse Vervoermaatschappij 'De Lijn'.
Buurtspoorwegen (NMVB)(1885-1968) De buurtspoorwegen hebben, na de omsporing naar meterspoor omstreeks 1920, dezelfde spoorwijdte als de stadstram. De buurtspoorwegen hebben dan ook op sommige trajecten dezelfde sporen als de stadstram gebruikt. Vanaf 1935 zijn buurtspoortramlijnen doorgetrokken naar Rooseveltplaats. Op de Leien, Turnhoutsebaan en andere straten reden er ook buurtspoorwegtrams. Bij de latere verlenging van lijn 3 naar Keizershoek is de middenberm waar de buurtspoorwegtrams reden hergebruikt.
Vroegere tramlijnen op Linkeroever Vanaf 15 mei 1908 reed een stoomtram van de buurtspoorwegen vanaf het Vlaams Hoofd naar Hamme en vanaf 1 februari 1910 naar Baasrode Veer. Het Vlaams Hoofd lag op de Antwerpse Linkeroever bij het spoorwegstation Antwerpen-Linkeroever, waar de ingang van de latere Sint-Annatunnel ook bekend als voetgangerstunnel kwam. Op 1 september 1931 werd de buurtspoorweg geëlektrificeerd tot Temse en in 1937 tot Hamme. In 1959 werd de tramdienst als eerste buurtspoorweglijn rond Antwerpen afgeschaft. De huidige trams rijden sinds 1990 op de Blancefloerlaan nog voor een klein deel langs het oude traject van de buurtspoorwegtram H, zoals te zien op deze oude kaart van 1937 tot 1944.
In de jaren dertig van de twintigste eeuw werd er ook een tramlijn aangelegd van Vlaams Hoofd naar het Sint-Annastrand, de Sint-Anna Express tram. De Sint-Anna Express op de Gloriantlaan stopte tijdens de oorlogsjaren. Jaren later reed er nog een toeristentreintje onder dezelfde naam.
De NMVB-lijnen in de stad Antwerpen thumb|De laatste NMVB-tram (9786) die in 1968 in Antwerpen reed, is bewaard in het Vlaams Tram- en Autobusmuseum. De eindpunten van de diverse NMVB-lijnen waren aanvankelijk gelegen aan de randen van de stad. De stoomtrams en later elektrische trams uit de richting Turnhout – Oostmalle en Lier – Broechem hadden hun eindpunt te Berchem Tramplaats (Zurenborg). De tramdiensten uit de richtingen Zandvliet, Wuustwezel, Kapellen en Schoten reden tot de Paardenmarkt / Klapdorp en de tramlijnen vanaf het zuiden (Mechelen, Rumst) hadden van 1903 hun eindpunt in de Brederodestraat, bij het Zwemdok. Al voor 1900 deed de NMVB pogingen om verder de stad in te kunnen rijden opdat de passagiers minder behoefden over te stappen. Voorstellen die in 1922 en 1927 werden ingediend werden door het stadsbestuur afgewezen. In 1928 diende de NMVB opnieuw een verzoek in om de lijnen vanuit het noorden te mogen laten doorrijden tot de Middenstatie (Centraal Station). Na nog weer negatieve adviezen kreeg de NMVB uiteindelijk in 1930 toch vergunning om de elektrische tramdiensten vanuit de richtingen Brasschaat en Zandvliet / Lillo te laten doorrijden naar het centrum van de stad. Er mochten echter geen nieuwe sporen worden aangelegd en er moest gebruik worden gemaakt van bestaand tramspoor van de Tramways d'Anvers. In 1933 werd er overeenstemming bereikt. De tramlijnen vanuit Schilde en Broechem – Lier kregen hun eindpunt aan de Victorieplaats (na de oorlog Franklin Rooseveltplaats) langs de sporen van tramlijn 10. De lijnen uit het noordoosten (Kapellen – Putte, Brasschaat en Schoten) zouden langs de Noorderlaan, Noorderplaats en Italiëlei gaan rijden, om terug te keren op de Victorieplaats. De lijnen uit het noorden (Ekeren – Lillo, Oorden – Zandvliet en Kruisschanssluis; elektrificatie in 1927-1932) zouden ook langs de Noorderlaan en de Italiëlei naar het eindpunt Victorieplaats gaan. De zuidelijke lijnen van Boom – Rumst (elektrificatie in 1931-1932) zouden een eindpunt krijgen op de Comedieplaats, langs de Brederodestraat, de Leien en de Leopoldstraat, terug via de Lange Gasthuisstraat en de Sint-Jorispoort. Na goedkeuring in 1934 kon in 1935 gestart worden met de spoorwerkzaamheden. Vanaf de zomer van 1935 konden de diverse NMVB-tramlijnen doorrijden naar het stadscentrum. In november 1935 konden ook de trams vanaf de zuidkant doorrijden. In 1940 vonden nog enkele wijzigingen in de routes plaats. Tot in de jaren zestig bleven de NMVB-trams doorrijden over de sporen van de Antwerpse stadstram naar het eindpunt aan de Franklin Rooseveltplaats. In 1968 werden de laatste NMVB-trams in Antwerpen vervangen door busdiensten. Dit betrof de lijnen naar Brasschaat en Schoten.
Trolleybus (1929-1964) thumb|upright|Trolleybus 45 in het Vlaams Tram- en Autobusmuseum. Antwerpen heeft drie trolleybuslijnen gekend, die hebben gereden tussen 1929 en 1964. Lijn 13 was een proeflijn op het traject van tram 13 (Zuidstatie – Petroleum). Deze lijn reed van 1929 tot 1931, aanvankelijk in gemengde dienst met trams maar later ook even met enkel trolleybussen. De Antwerpenaren noemden deze "de Lamme van 't Zuid", vanwege het regelmatige oponthoud door treinen die de rijweg moesten kruisen.
Lijn 31 reed sinds 1933 tussen Kaai 204 en de Mexicobrug. In 1935 werd de dienst verlengd over de Noorderlaanbrug tot aan de Noorderplaats. In 1955 werd de trolleybus vervangen door een autobus om de lijn te kunnen verlengen naar het Koningin Astridplein.