Frederik Hendrik (Delft, 29 januari 1584 – 's-Gravenhage, 14 maart 1647), Prins van Oranje en graaf van Nassau, was stadhouder, kapitein-generaal en admiraal-generaal van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Vanwege zijn succesvolle belegeringen kreeg hij de bijnaam 'stedendwinger'.

In 1625 volgde hij zijn overleden halfbroer Maurits van Oranje op als stadhouder van de soevereine provincies Holland, Zeeland, Utrecht, Gelre en Overijssel en als opperbevelhebber van het Staatse leger. Het stadhouderschap over Drenthe en Stad en Lande verwierf hij in 1640. De Republiek was tijdens zijn gehele leven verwikkeld in de Tachtigjarige Oorlog met het Spaanse Leger van Vlaanderen.

Als legeraanvoerder gaf hij, evenals Maurits, de voorkeur aan het belegeren van steden en het mijden van veldslagen. De geduchte veldheer veroverde op die manier onder andere Groenlo, Maastricht, Schenkenschans, Breda en Hulst. Zijn grootste overwinning was die van 's-Hertogenbosch in 1629.

Als staatsman had hij te maken met het in de tijd van Maurits ontstane binnenlands conflict tussen de remonstranten en de contraremonstranten, dat protestanten in het hele land verdeelde. Behendig bleef hij een positie in het midden innemen om beide partijen afhankelijk van hem te houden en verschilde hierin met zijn voorganger. Na het Beleg van Breda in 1637 kregen de remonstranten de overhand in Holland en door de op handen zijnde vrede werd het voor de stadhouder moeilijker de oorlog gefinancierd te krijgen. Een jaar na zijn dood kwam met de Vrede van Münster een eind aan de oorlog met Spanje.

Op persoonlijk vlak vond hij het belangrijk zijn prestige en vorstelijke allure in Europa te verhogen. Hij liet grootse paleizen bouwen, had een uitgebreide kunstverzameling en hield uitbundige feesten.

Jonge jaren thumb|Allegorie op de geboorte van prins Frederik Hendrik van Oranje. De baby ligt in het schild van Minerva en krijgt een speer aangereikt van de god Mars. Het schilderij werd vervaardigd na de dood van Frederik Hendrik in opdracht van zijn weduwe. Werk van Caesar van Everdingen,

in de Oranjezaal van paleis Huis ten Bosch.

Frederik Hendrik werd geboren op 29 januari 1584 in Delft, waar hij op 12 juni in de Nieuwe Kerk werd gedoopt. Zijn ouders waren Willem van Oranje, vermoord op 10 juli 1584, en diens vierde en laatste echtgenote, de Française Louise de Coligny. Zijn moeder was een hugenoot, weduwe van Charles de Téligny en een dochter van de Franse admiraal Gaspard de Coligny, die beiden in 1572 tijdens de Bartholomeusnacht werden vermoord. Willem van Oranje, voormalig adviseur van de koning, was een van de leiders van de Nederlandse Opstand en om die reden vogelvrij verklaard.

Zijn grootouders waren Willem I van Nassau-Dillenburg (Willem de Rijke) en Juliana van Stolberg van vaders kant en Gaspard de Coligny en Charlotte de Laval van moeders kant.

Frederik Hendrik werd geboren als graaf van Nassau. Zijn voornamen waren afkomstig van zijn peetooms; de koningen Frederik II van Denemarken en Hendrik III van Navarra. (1978) De Staten van Holland waren als instituut eveneens peetoom. Toen hij bijna een half jaar oud was, werd zijn vader in het Prinsenhof vermoord.

Louise voedde haar zoon Franstalig op en leerde hem verfijnde Franse manieren. Zij stelde Fransen aan die hielpen bij de opvoeding van Mooi Heintje, zoals Frederik Hendrik in zijn kinderjaren liefkozend genoemd werd. Inmiddels was zijn halfbroer Maurits van Oranje stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelre en Overijssel geworden.

Na een aantal jaren in Zeeland verhuisden ze in 1591 naar 's-Gravenhage, waar ze hun intrek namen in Paleis Noordeinde. Frederik Hendrik werd er onderwezen door Louises predikant Johannes Uytenbogaert. Deze leerde hem Latijn en gaf hem godsdienstles. Tweeënhalf jaar later ging Frederik Hendrik naar Leiden om wiskunde en landmeetkunde te studeren. Hij woonde er op het Rapenburg. Hij is dan tien jaar oud en wordt, om in zijn kosten te voorzien, benoemd tot kolonel van twintig vendels voetvolk. Hiervoor krijgt hij maandelijks per vendel twintig Vlaamse pond uitgekeerd.

Begin militaire carrière Eerste wapenfeiten en lid Raad van State thumb|left|Frederik Hendrik graaf van Nassau in 1602 als negentienjarige, prent van Jacob Matham, naar een schilderij van Jan Antonisz. van Ravesteyn (circa 1598-1631). In 1597 vergezelde hij Maurits op zijn veldtocht door de Nederlanden. In november 1597 vertrok Frederik Hendrik met zijn moeder naar Frankrijk om het huwelijk van zijn halfzuster Charlotte Brabantine bij te wonen. Hij bleef er meer dan een jaar, leerde paardrijden bij Antoine de Pluvinel en verbleef de meeste tijd aan het hof van zijn peetoom Hendrik, die in 1589 koning van Frankrijk was geworden. Teruggekomen uit Parijs, kreeg Frederik Hendrik op vijftienjarige leeftijd de leiding over een compagnie kurassiers.

Om hem meer bekend te laten worden met staatszaken werd hij op 17 maart 1600 geïnstalleerd als lid van de Raad van State, het hoogste adviescollege van de Republiek, waarin ook zijn neef stadhouder Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg van Friesland en Maurits zitting hebben. De raad behandelde voornamelijk militaire zaken, een onderwerp dat Frederik Hendrik zeer interesseerde.

Als militair was zijn eerste echte gevecht de Slag bij Nieuwpoort in 1600, die door de Staatsen maar net gewonnen werd. Het jaar erop bij het Beleg van Rijnberk raakte hij door een musketschot gewond aan een schouder.

Als achttienjarige werd Frederik Hendrik in 1602 tijdens het Beleg van Grave benoemd tot legeraanvoerder over de troepen van de gewonde Francis Vere, en veroverde hij met zijn legeronderdeel een zogenaamde halve maan in de hoofdgracht van Grave.

Na de dood in maart 1603 van koningin Elizabeth I van Engeland woonde hij als symbolisch hoofd van de afvaardiging van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden met onder meer Johan van Oldenbarnevelt in Londen de kroning bij van de nieuwe koning Jacobus I. (2008)

Nog voordat hij naar Engeland vertrok, werd hem in april de titel generaal der ruiterij verleend, waarmee hij in rang alleen nog Maurits en Willem Lodewijk boven zich had. In die functie hield hij geregeld strooptochten in vijandelijk gebied, waarbij hij de burgerbevolking niet ontzag, zoals in 1607 bij de Inname van Erkelenz. Dit was in de zeventiende eeuw gangbaar en gebeurde soms als reactie op strooptochten van de vijand. In maart 1606 slaagde hij erin het vestingstadje Bredevoort te ontzetten, dat door de Spanjaarden belegerd werd.

Twaalfjarig Bestand De Republiek ging in 1609 een wapenstilstand aan met Spanje, het Twaalfjarig Bestand. Een deel van de bevolking was oorlogsmoe en de oorlog kostte veel geld. Een wapenstilstand, laat staan een vrede, werd echter door een groot deel van de bevolking niet gesteund. Men was bang dat hiermee Spanje op krachten kon komen, om later alsnog de Republiek en het calvinisme te vernietigen.

Gedurende het Twaalfjarig Bestand ontstond er in de protestantse kerk een conflict tussen de remonstranten en de contraremonstranten. Daarbij kwam de vraag op wie zeggenschap had over de protestantse kerk: de provincie of de Staten-Generaal. Raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt kwam in deze periode lijnrecht tegenover Maurits te staan. Frederik Hendrik stelde zich neutraal op. In de stad Utrecht mondde het conflict in 1610 uit in de afzetting van het stadsbestuur door opstandige orthodoxe calvinisten. Van Oldenbarnevelt kreeg de Staten-Generaal zover dit te veroordelen en besloten werd dat er militair ingegrepen moest worden. Omdat Maurits de machtsovername goedgekeurd had, kon hij de expeditie niet leiden en Van Oldenbarnevelt besloot dat de taak aan Frederik Hendrik toekwam. Zodoende trok Frederik Hendrik met het Staatse leger naar Utrecht, waar hij zonder veel moeite de stad in handen kreeg en het bestuur werd vervangen.

Vijf jaar later vertrok hij met de Staatse ruiterij richting Brunswijk. De Hanzestad werd belegerd door de hertog van Brunswijk. Deze had familiebanden met de Deense en Engelse koning, waardoor het congres van Hanzesteden geen actie durfde te ondernemen. De aankomst van de Staatse ruiterij maakte grote indruk op hem. Toen het leger dwars door neutraal gebied bij de Wezer aankwam, werd het Beleg van Brunswijk opgeheven.

Huwelijk met Amalia van Solms thumb|Frederik Hendrik en Amalia van Solms in 1637, door Gerard van Honthorst. Toen Frederik Hendrik rond de vijfentwintig jaar was, vond zijn moeder het tijd worden dat hij in het huwelijk trad. Inmiddels was het duidelijk dat zijn oudere halfbroer Filips Willem van Oranje, al enkele jaren getrouwd, geen kinderen ging krijgen. Ook van de eeuwige vrijgezel Maurits waren geen wettige erfgenamen te verwachten. Filips Willem had Maurits als enige erfgenaam benoemd. Na Maurits' dood zouden de bezittingen naar Frederik Hendrik gaan. Om de eigendommen in de familie te houden, was het van belang dat de rokkenjager Frederik Hendrik trouwde en kinderen kreeg.

Bijna was hij in 1616 in het huwelijk getreden met de dochter van landgraaf Maurits van Hessen-Kassel, de twintigjarige Elisabeth. Dat ging op het laatste moment niet door omdat hij de huwelijkse voorwaarden ongunstig vond, ondanks druk die op hem werd uitgeoefend.

Toen Maurits in maart 1625 op sterven lag, was Frederik Hendrik 41 jaar oud en nog steeds ongehuwd. Wel was hij vader geworden. Hij had namelijk bij de burgemeestersdochter Margaretha Catharina Bruyns de bastaardzoon Frederik van Nassau-Zuylestein verwekt. Omdat Maurits altijd vrijgezel is gebleven, zette hij zijn halfbroer ter wille van de voortzetting van de dynastie onder druk om meteen te trouwen. Zou hij weigeren, dan zou hij niet zijn erfgenaam worden. De Duitse Amalia van Solms kwam daarop in beeld, een dochter van een volle neef en met wie hij sinds omstreeks 1622 een amoureuze relatie onderhield., Amalia van Solms-Braunfels (1602-1675), historici.nl Het huwelijk werd vliegensvlug geregeld. Op 23 maart keerde Frederik Hendrik in 's-Gravenhage terug op verzoek van Maurits. Zes dagen later vroeg hij de Staten-Generaal toestemming om Amalia te trouwen, die hem dezelfde dag verleend werd. Frederik Hendrik en Amalia trouwden op 4 april. Maurits stierf op 23 april. Op de dag van diens overlijden werd Frederik Hendrik door de Staten-Generaal benoemd tot kapitein-generaal van het Staatse leger en admiraal-generaal van de vloot.

Stadhouderschap Benoeming tot stadhouder thumb|Op 2 juni 1625 legt Frederik Hendrik de eed af als stadhouder van Holland en Zeeland. De eedaflegging vond plaats in Waalwijk. Beschrijving RP-P-OB-81.122: Frederik Hendrik legt (opnieuw) de eed af als nieuwe stadhouder en neemt zitting in de Staten van Holland, september 1625. Links Frederik Hendrik, legt staande de eed af. Rechts de Staten van Holland bijeen in zitting in aanwezigheid van Frederik Hendrik Met de dood van Maurits hadden de Gewesten Holland, Zeeland, Utrecht, Gelre en Overijssel geen stadhouder meer. Oorspronkelijk was dat de plaatsvervanger van de landsheer in een gewest. Met het afzweren van de Spaanse koning in 1581 werd die functie overbodig. Toch bleef hij in stand. Iedere gewest mocht bepalen wie zijn stadhouder werd. De voornaamste taak van de stadhouder was het uit voordrachten aanstellen van burgemeesters en schepenen. Ook was de stadhouder voorzitter van het provinciale gerechtshof en was hij gewoonlijk – officieel in een andere functie – opperbevelhebber van het provinciale leger en vloot.